Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.5.1
3.5.1 Uitzondering ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering van de schuldenaar
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950330:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de grondslag en de functies van het algemene opschortingsrecht § 2.4 en § 2.5.4. Zie ook § 3.4.3.
Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/26-31.
Mij zijn uit de gepubliceerde rechtspraak slechts enkele uitspraken bekend waarin de rechter aannam dat een beroep op art. 6:56 BW zou kunnen zijn gedaan: Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6069, Rb. Limburg 19 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:3060, r.o. 4.3 r.o. 4.13 en Rb. Assen 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBASS:2012:BY1872, r.o. 5. Art. 6:56 BW is niet van toepassing op vervaltermijnen, omdat de wederpartij na het verstrijken van dergelijke termijnen haar vorderingsrecht en daarmee haar rechtsvordering verliest (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 217). Vgl. § 215 BGB: “Die Verjährung schließt die Aufrechnung und die Geltendmachung eines Zurückbehaltungsrechts nicht aus, wenn der Anspruch in dem Zeitpunkt noch nicht verjährt war, in dem erstmals aufgerechnet oder die Leistung verweigert werden konnte.”
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 217.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 992.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 996.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 216. Art. 3.11.20b lid 3 BW luidde: “Verjaring van een rechtsvordering staat niet in de weg aan het uitoefenen van een retentierecht.” Zie Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 941.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 216.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 217.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 216. Zie ook p. 217.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 216.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 197. Zie over het samenhangcriterium § 3.7.4 en hoofdstuk 4.
Zie ook Wessels 1988, p. 149 en 150, die ook ervan uitgaat dat het billijkheidsargument overeind is gebleven.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 217.
Zie voor bijv. de korte verjaringstermijn uit art. 3:310 lid 1 BW HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047, NJ 2019/246, m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 3.3.3 en HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112, m.nt. C.E. du Perron (Saelman/Academisch Ziekenhuis VU), r.o. 3.4.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 217.
Zie § 2.4.
Zie in vergelijkbare zin Wessels 1988, p. 150.
Vgl. MüKoBGB/Grothe 2021 BGB § 215 Rn. 1.
Zie § 2.5.5.
Vgl. Wittler & Kupczyk 2016, p. 28 (“Denn nur in diesem Fall darf sich der Auftraggeber im Hinblick auf die dem Auftragnehmer zustehende Werklohnforderung wegen einer ihm zustehenden Gegenforderung als hinreichend gesichert ansehen.”).
Zie § 3.6.
Zie § 4.3.1, onderdeel e.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/27.
Zie § 2.8.
Zie § 6.3.5.
Zie § 5.2. Zie kennelijk anders voor het BGB BeckOK BGB/Henrich 2023 BGB § 215 Rn. 3 (“Nicht erforderlich ist, dass der Schuldner sich vor Eintritt der Verjährung schon auf die Einrede des Zurückbehaltungsrechts berufen hat (BGH NJW 2016, 28 m. ausf. Darstellung des Streitstandes.”). Zie in dezelfde zin over een op de Vergabe- und Vertragsordnung für Bauleistungen gebaseerd Zurückbehaltungsrecht MüKoBGB/Grothe 2021 BGB § 215 Rn. 4 (“Das Zurückbehaltungsrecht kann auch auf den verjährten Mängelbeseitigungsanspruch nach § 13 Abs. 5 Nr. 1 VOB/B 2016 gestützt werden, ohne dass der Schuldner das Zurückbehaltungsrecht vor Eintritt der Verjährung geltend gemacht haben muss. Der Mangel selbst muss allerdings in unverjährter Zeit geltend gemacht worden sein.”).
Het strookt met de grondslag en functies van het algemene opschortingsrecht dat in beginsel niet aan een opschortingsbevoegdheid ex artikel 6:52 lid 1 BW wordt toegekomen in het geval waarin de vordering van de schuldenaar niet opeisbaar is.1 Op dat uitgangspunt bestaan uitzonderingen.2 Eén van deze uitzonderingen is geregeld in artikel 6:56 BW. Dit artikel bepaalt dat een bevoegdheid tot opschorting ook na verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand blijft.3 Het artikel voorkomt niet de verjaring van de rechtsvordering, maar regelt voor dat geval het behoud van het opschortingsrecht vanwege het na verjaring nog wel bestaande vorderingsrecht.4 Van een verlenging van de verjaring als bedoeld in artikel 3:320 BW is daarom ook geen sprake.5
In het ontwerp-Meijers was het huidige artikel 6:56 BW nog geregeld in het derde lid van het huidige artikel 6:262 BW en luidde: “Degene wiens vordering is verjaard, mist daardoor niet de bevoegdheid tot opschorting.”6 Deze uit de nauwe samenhang tussen de wederkerige verbintenissen ontsproten en op de billijkheid gegronde bepaling is als volgt toegelicht:
“De bijzondere nauwe samenhang tussen de tegenover elkaar staande vorderingen uit een wederkerige overeenkomst komt ook tot uiting in de materie van het derde lid. Door de werking van korte verjaringstermijnen, door stuiting of verlenging van de verjaring kan het voorkomen, dat het recht van de ene partij eerder verjaard is dan dat van de andere. Het is onbillijk geoordeeld dat in dit geval de laatstgenoemde partij haar vordering zou kunnen opeisen zonder de overeengekomen tegenprestatie te behoeven verrichten.”7
Blijkens de parlementaire geschiedenis vormt artikel 6:56 BW een ‘veralgemening’ van het eerdere ontwerp in het derde lid van het huidige artikel 6:262 BW en van het voormalige derde lid van een eerder ontwerp van het huidige artikel 3:323 BW.8 De ratio van artikel 6:56 BW is blijkens de parlementaire geschiedenis meerledig. Enerzijds is deze erin gelegen dat de schuldenaar ‘die terecht meende op een opschortingsrecht te kunnen vertrouwen en daardoor niet tijdig tot stuiting of dagvaarding is overgegaan, niet met een beroep op verjaring verrast moet kunnen worden’.9 Het is de gedachte van de wetgever dat de schuldenaar die een aan zijn wederpartij ‘verschuldigde prestatie onder zich kan houden tot zijn vordering voldaan is, geneigd zal zijn hierop te vertrouwen als op een zekerheidsrecht en er niet aan zal denken de verjaring te stuiten’.10 Anderzijds is artikel 6:56 BW in overeenstemming met ‘het algemene beginsel dat ook aan de artikelen [3:306 e.v. BW] (…) ten grondslag ligt, dat verjaring slechts de rechtsvordering aantast en niet in de weg staat aan een beroep op de betreffende vordering bij wege van verweer’.11 Daarbij is verwezen naar de huidige artikelen 6:131 lid 1 BW en 3:51 lid 3 BW.12
Bij deze ratio valt op dat het eerdergenoemde billijkheidsargument enigszins naar de achtergrond is geraakt. De achtergrond daarvan zou kunnen zijn dat het algemene opschortingsrecht geen nauwe, maar voldoende samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen vereist, waarbij in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat ‘een licht verband’ voldoende is.13 Het billijkheidsargument is in de eerdere toelichting gekoppeld aan het daarin genoemde concrete geval, dat uitgaat van wederkerige verbintenissen. Toch zou ik daar niet al te veel gewicht aan willen toekennen en willen aannemen dat het billijkheidsargument ook ten grondslag ligt aan artikel 6:56 BW.14 Uit de opmerking in de parlementaire geschiedenis dat artikel 6:56 BW een veralgemenisering is van het eerdere ontwerp, leid ik ook af dat niet is bedoeld aan de specifiek voor de enac geschreven bepaling en toelichting af te doen.
Op het eerste gezicht kan het billijkheidsargument matig overtuigend lijken, omdat het de nadruk legt op de positie van de schuldenaar, die een verjaarde vordering op zijn wederpartij heeft. Zo merkte de regeringscommissaris daarover op ‘dat het gedrag van de wederpartij tot op zekere hoogte bedenkelijk is: deze heeft door stil te zitten zekere verwachtingen gewekt en behoort van het feit dat zij niet meer aangesproken kan worden, geen gebruik te kunnen maken om haar eigen vordering ongehinderd te innen’.15 Betoogd zou kunnen worden dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom de billijkheid zou vereisen dat de schuldenaar desondanks dient te worden beschermd tegen een vordering tot nakoming van zijn wederpartij. Vanuit het perspectief van deze wederpartij kan daar immers tegenin worden gebracht dat de verjaringstermijnen de rechtszekerheid dienen en, voor zover het de korte verjaringstermijnen betreft, deze tevens gegrond kunnen zijn op de billijkheid.16 De wederpartij kan om gerechtvaardigde redenen in de veronderstelling verkeren dat haar schuldenaar na verloop van tijd geen aanspraak meer maakt op voldoening. Niet onbegrijpelijk vind ik daarom de reactie van de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer dat het accent ook andersom kan worden gelegd: “Ook degene die het opschortingsrecht had, heeft immers al die tijd stilgezeten.”17
Toch denk ik dat het billijkheidsargument raakt aan de grondslag van het algemene opschortingsrecht.18 Dat houdt ook verband met de in de parlementaire geschiedenis gegeven meerledige ratio van artikel 6:56 BW. Daarin is overwogen dat artikel 6:56 BW in overeenstemming is met het algemene beginsel dat verjaring slechts de rechtsvordering aantast en niet in de weg staat aan een beroep op de betreffende vordering bij wijze van verweer.19 Een op artikel 6:52 BW gegrond opschortingsrecht is een reactie op het in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelen van de wederpartij, dat eruit bestaat dat zij nakoming verlangt zonder nakoming aan te bieden. Ik denk dat het dit handelen in strijd met de goede trouw is waarop de wetgever in de toelichting op het oorspronkelijke ontwerp van artikel 6:56 BW mede het oog heeft gehad, waar hij heeft overwogen dat de onbillijkheid is gelegen in de omstandigheid dat de wederpartij nakoming kan verlangen zonder dat zij harerzijds nog zou moeten nakomen, omdat de rechtsvordering van de schuldenaar is verjaard. Het opschortingsrecht ontleent de schuldenaar immers niet aan zijn rechtsvordering, maar aan zijn vorderingsrecht op zijn wederpartij, dat voldoende samenhangt met zijn verbintenis om opschorting van de nakoming van die verbintenis te rechtvaardigen. Door verjaring verliest hij zijn rechtsvordering, maar niet het van die rechtsvordering losstaande opschortingsverweer tegen de gevorderde nakoming, dat gebaseerd is op dat vorderingsrecht.20
Daarmee kan ook in verband worden gebracht de gedachte uit de parlementaire geschiedenis dat de schuldenaar, die vertrouwde op zijn opschortingsrecht als op een zekerheidsrecht en daardoor niet aan stuiting van de verjaring heeft gedacht of daar niet toe over is gegaan, niet met een beroep op verjaring moet kunnen worden verrast. Het stuiten van de verjaring heeft betrekking op de rechtsvordering. De schuldenaar die zich op het algemene opschortingsrecht beroept, stelt echter de nakoming van zijn verbintenis uit in verband met zijn vorderingsrecht, in het vertrouwen dat de uitoefening van dit recht tot nakoming door zijn wederpartij zal leiden. De schuldenaar zou dan niet door de verjaringsregels – die betrekking hebben op de rechtsvordering – moeten worden aangespoord om zijn vorderingsrecht geldend te maken door middel van verrekening of door het instellen van een rechtsvordering.21 De schuldenaar die zich bewust is van de betrekkelijkheid van de opschortingsbevoegdheid als zekerheidsrecht of daarmee wordt geconfronteerd, kan niettemin op meerdere paarden wedden en bijvoorbeeld de verjaring stuiten of in reconventie een eis tot nakoming van zijn vordering instellen.22 In reconventie geniet hij in hoedanigheid van eiser evenwel niet de bescherming van artikel 6:56 BW. Voor zover zijn rechtsvordering dan reeds is verjaard en zijn wederpartij daarop een beroep doet, zal zijn eis in reconventie worden afgewezen, maar zijn opschortingsverweer in conventie kan onverminderd slagen.
De gedachte dat de schuldenaar vertrouwt op zijn opschortingsrecht als op een zekerheidsrecht, brengt mee dat artikel 6:56 BW alleen bescherming biedt aan de schuldenaar als zijn opschortingsbevoegdheid voor het verstrijken van de verjaringstermijn van zijn vordering is ontstaan. De schuldenaar is niet bevoegd de nakoming van een na het verstrijken van de verjaringstermijn ontstane verbintenis op te schorten in verband met die inmiddels verjaarde vordering. Vanwege het voordien ontbreken van een verbintenis, kon de schuldenaar immers niet in vertrouwen verkeren dat een opschortingsbevoegdheid tot nakoming van zijn vordering zou leiden.23 De schuldenaar zal in dat geval voor het verkrijgen van nakoming van zijn vordering rechts- of incassomaatregelen moeten nemen. Een voorbeeld kan dit helpen verduidelijken.
Verkoper A is zijn leveringsverplichting jegens koper B nagekomen. B heeft de koopsom nog niet voldaan. B blijft weigeren aan zijn betalingsverplichting te voldoen. A besluit op basis van een afweging van kosten en baten geen rechtsvordering tot betaling in rechte in te stellen. Na het verstrijken van de termijn voor de verjaring van de rechtsvordering van A op B, vordert B van A schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie onder de tussen partijen bestaande koopovereenkomst.
A kan zich niet op een opschortingsrecht beroepen, omdat het A aanvankelijk aan andere verbintenissen jegens B dan zijn leveringsverplichting ontbreekt.24 A verkeert dus niet in het vertrouwen dat een opschortingsrecht zal leiden tot voldoening van de koopsom door B. Teneinde betaling van de koopsom van B te verkrijgen, had hij een rechtsvordering tot nakoming moeten instellen, maar daar heeft A van afgezien, waarna de rechtsvordering van A is verjaard. Wanneer B vervolgens A aanspreekt tot schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie, kan A de nakoming van deze schadevergoedingsverbintenis niet op grond van artikel 6:56 BW opschorten in verband met zijn vordering tot betaling van de koopsom. Zou A ter behoud van een eventueel opschortingsrecht de verjaring van zijn rechtsvordering hebben gestuit, dan kan hij wel opschortingsbevoegd zijn, omdat B hem tijdens een lopende verjaringstermijn van zijn vordering tot betaling van de koopsom aanspreekt tot schadevergoeding en tussen deze verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.25
Deze interpretatie van artikel 6:56 BW zou reeds uit de tekst van dit artikel kunnen worden afgeleid, dat bepaalt dat de opschortingsbevoegdheid ook na verjaring van de rechtsvordering in stand blijft.26 Het verweer kan alleen in stand blijven als het voorafgaand aan het verstrijken van de verjaring is ontstaan.27 Daarbij moet wel worden bedacht dat andere omstandigheden na het verstrijken van de verjaringstermijn met zich kunnen brengen dat de opschortingsbevoegdheid niettemin eindigt.28 De uitoefening van een opschortingsrecht kan bijvoorbeeld onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden als dit verweer ‘te lang’ wordt gevoerd.29 Dat kan alsnog leiden tot de conclusie dat de schuldenaar niet meer opschortingsbevoegd is. Daartegen beschermt artikel 6:56 BW niet.
Tevens zal de schuldenaar voor het verstrijken van de verjaringstermijn van zijn vordering een opschortingsverklaring moeten hebben uitgebracht. De wederpartij die niet bekend is met de opschortingsbevoegdheid behoeft immers geen verjaringsverweer te voeren, maar kan betwisten dat de rechtsgevolgen van het algemene opschortingsrecht zijn ingetreden.30 Daartegen beschermt artikel 6:56 BW ook niet. Voor zover deze betwisting niet zou slagen, kan de wederpartij alsnog een verjaringsverweer voeren, maar daartegen beschermt artikel 6:56 BW de schuldenaar dan wel.