De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.5.3.3:3.5.3.3 Informatie van werknemersvertegenwoordigers aan achterban of derden
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.5.3.3
3.5.3.3 Informatie van werknemersvertegenwoordigers aan achterban of derden
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS387328:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hierboven aangehaalde zaak Realdanmark illustreert wat mis kan gaan bij mededelingen van werknemersvertegenwoordigers aan collega’s of achterban. Werknemers of vakbondsmedewerkers kunnen na de mededeling aandelen van de bieder of de doelwitvennootschap kopen en daardoor voordeel uit voorwetenschap verkrijgen. Het raadplegen van de achterban zou daarom in strijd kunnen zijn met het verbod van gebruik van voorwetenschap. Art. 17 van de WOR bepaalt dat de ondernemer de or en zijn commissies in de gelegenheid moet stellen de in de onderneming werkzame personen te raadplegen. Van een daadwerkelijk recht op achterbanoverleg is echter geen sprake. Uit de memorie van toelichting volgt wel dat het kabinet het contact tussen or en achterban van groot belang acht voor het draagvlak van medezeggenschap en de mogelijkheid het werknemerspotentieel te benutten.1 Ook in het kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009 wordt gesteld dat de relatie tussen de or en zijn achterban moet worden versterkt.2 Voor vakorganisaties is geen recht op achterbanoverleg opgenomen in de Fusiegedragsregels. In verband met de vertegenwoordigende taak van vakorganisaties en de lidmaatschapsverhouding, ligt overleg met de achterban echter wel voor de hand. In veel gevallen zal de hierboven besproken geheimhouding aan achterbanoverleg in de weg staan. Is dit niet het geval, dan rijst de vraag of de regelgeving inzake voorwetenschap achterbanoverleg in de weg staat. Vooropgesteld moet worden dat vakbondsfunctionarissen en ondernemingsraadsleden onder de verbodsbepaling vallen. Zij beschikken immers in het kader van hun functie over koersgevoelige informatie. Vallen zij dan onder de uitzondering van ‘normale uitoefening’? Art. 17 WOR bepaalt dat achterbanoverleg beperkt is tot hetgeen redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de or en zijn commissies. Volgens de minister moet het daarbij gaan om binnen de bedrijfsvoering verantwoorde manieren van raadpleging, derhalve rekening houdend met de kosten ervan, afgezet tegen het belang van de raadpleging waarbij een belangrijke rol speelt in hoeverre het onderwerp belangrijke betekenis heeft.3 De belangen van ondernemer en or moeten dus tegen elkaar worden afgewogen. Opvallend is dat de discussie in de parlementaire geschiedenis omtrent dit onderwerp slechts ziet op de middelen die moeten worden ingezet om de achterban te raadplegen en niet op de onderwerpen waarover de in de onderneming werkzame personen mogen worden geraadpleegd. De WOR biedt op dit punt dus weinig duidelijkheid. In de eerder aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie is tevens een noodzakelijkheidstoets geformuleerd. Wanneer mededeling aan achterban noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, dan is geen sprake van schending van het voorwetenschapsverbod, omdat de werknemersvertegenwoordiger dan een beroep kan doen op de uitzondering. Naar mijn mening is het raadplegen van de achterban niet per definitie noodzakelijk om de bevoegdheden bij een openbare overname te kunnen uitoefenen, mede gezien de mogelijkheden die de werknemersvertegenwoordigers hebben om deskundigen te raadplegen. Het belang van de ondernemer bij het niet verspreiden van koersgevoelige informatie weegt in dit geval zwaarder dan het overleg met de achterban. Achterbanoverleg lijkt mij ook meer op zijn plaats bij sociale besluiten dan bij een technisch financieel besluit als een openbaar bod. De achterban heeft immers niet de expertise om hieraan een zinvolle bijdrage te leveren. Daarbij komt dat de achterban geen geheimhoudingsverplichting heeft. Slechts indien de werknemersvertegenwoordigers kunnen aantonen dat het noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taak, zoals wanneer de sociale gevolgen van het besluit zeer groot zijn, is er ruimte voor raadpleging van de achterban. Het is aan te bevelen dat er afspraken worden gemaakt tussen ondernemer en werknemersvertegenwoordigers over welke informatie aan de achterban wordt verstrekt en over geheimhouding.