Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.1:7.1 Inleiding
Morganatisch burgerschap 2019/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181115:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is een rechtsvergelijkende studie verricht naar de betekenis van het Unieburgerschap op de Franse LGO voor de vormgeving van het Franse burgerschap. Daar is naar voren gekomen dat het Unieburgerschap in zijn toepassing in de overzeese gebieden van de Franse Republiek synchroon is aan het Franse burgerschap. Het Franse burgerschap zorgt, in overeenstemming met het burgerschapskader dat in Hoofdstuk II is uiteengezet, voor politieke representatie van iedere Franse burger. Het kiesrecht voor de direct gekozen Assemblée nationale komt toe aan iedere Franse burger, ongeacht de vraag of zijn woonplaats in de metropool, in de overzeese gebieden dan wel buiten het territorium van de Republiek is. Ook in de indirect gekozen Sénat zijn alle Franse staatsburgers vertegenwoordigd. Voor de overzeese collectivités zijn immers afzonderlijke kiescolleges in het leven geroepen teneinde vertegenwoordiging van de Franse burgers van deze gebieden in de Senaat mogelijk te maken. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de idee die in de jaren gedurende en na de Franse Revolutie in de praktijk werd gebracht en ertoe strekt om de burger door middel van zijn politieke representant te betrekken bij de regelgevingsprocedure. De gelding van het Unieburgerschap in de Franse LGO illustreert dat de harmonisatie van de Franse LGO in de rechtspraak van het Hof van Justitie en de LGO-besluiten van de Raad reeds als voltrokken kan worden beschouwd in het Franse constitutionele kader.
Het onderhavige hoofdstuk staat in het teken van het Nederlanderschap. In het bijzonder zullen de vragen centraal staan hoe het Nederlanderschap kan worden geduid vanuit een conceptueel-theoretisch perspectief en wat de betekenis is van de gelding van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk voor de duiding van het Nederlanderschap. Anders dan voor het Unieburgerschap en het Franse burgerschap geldt, valt de vormgeving van het Nederlanderschap, zoals hierna zal blijken, onder de bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk. Uit dit hoofdstuk blijkt dat het Koninkrijk de entiteit is die het Nederlanderschap toekent aan de burgers. Het zijn niettemin de afzonderlijke landen van het Koninkrijk die gaan over de vraag welke rechten en plichten zijn gekoppeld aan het Nederlanderschap. Dit gegeven veroorzaakt wezenlijke gebreken onder meer op het gebied van de verwevenheid tussen burgerschap en politieke representatie. In dit hoofdstuk zal worden beargumenteerd dat de rechtsverhouding die de Nederlander overzee heeft tot de rechtsorde van de EU inniger is dan de rechtsverhouding tussen de Nederlander overzee en de statutaire rechtsorde. De toepassing van het Unieburgerschap op de LGO van het Koninkrijk maakt inzichtelijk dat de huidige morganatische vormgeving van het staatsburgerschap binnen het Koninkrijk fundamentele gebreken vertoont. De betekenis van het bijvoeglijk naamwoord ‘morganatisch’ is in het inleidende hoofdstuk reeds aangestipt. Dit naamwoord wordt gebruikt om in het burgerschapsdenken het zogenoemde ‘huwelijk met de linkerhand’ te duiden; in het Frans beter bekend onder de naam ‘mariage morganatique’. Dit houdt in dat in een huwelijk de vrouw niet deelt in alle rechten die aan de adellijke stand van de man zijn verbonden. Zonder het begrip burgerschap meteen gelijk te willen stellen aan dat van het huwelijk – hoezeer daarvoor ook een en ander te zeggen valt – wordt in dit proefschrift het bijvoeglijk naamwoord ‘morganatisch’ gehanteerd ter aanduiding van een burgerschap waarbij burgers uit hoofde van hun burgerschap niet in gelijke zin aanspraak maken op burgerschapsrechten.
De opzet van het hoofdstuk is als volgt. Vooreerst zal aandacht worden besteed aan de kolonisatie en dekolonisatie van de overzeese gebieden van het Koninkrijk. In Hoofdstuk III (‘Ontstaan en strekking van de LGO’) zijn de twee koloniale golven die Frankrijk heeft gekend ter sprake gekomen. Deze twee koloniale golven zijn relevant geweest voor het onderscheid dat is gemaakt in (destijds) het Gemeenschapsrecht ten aanzien van de LGO-UPG. Deze twee koloniale golven die de Franse staat heeft meegemaakt zijn tevens relevant geweest voor de Franse overzeese burgerschapsvorming. In dit proefschrift is nog geen aandacht besteed aan de kolonisatie in de Nederlanden en het huidige constitutionele raamwerk van het Koninkrijk der Nederlanden. Teneinde de huidige ontwikkelingen in het Koninkrijksrecht te doorgronden, is het van belang enkele overeenkomsten en verschillen te bespreken tussen de koloniale geschiedenis van de twee staten die centraal staan in dit proefschrift: de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden. In paragraaf 3 zal vervolgens worden ingegaan op de totstandkoming van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut) en de constitutionele structuur die het Statuut in het leven roept. In het bijzonder zal daarbij de aandacht worden gevestigd op het functioneren van het wetgevende orgaan van het Koninkrijk en de totstandkoming van rijksregelgeving in het Koninkrijk. Waaruit bestaat het wetgevende orgaan van het Koninkrijk en welke organen zijn betrokken bij de rijksregelgevingsprocedures? Vervolgens zal in paragraaf 4 de nadruk worden gelegd op het burgerschap van het Koninkrijk: het Nederlanderschap. In deze paragraaf zal achtereenvolgens de rol van het Frans revolutionaire denken, de koppeling van het kiesrecht aan het Nederlanderschap en de toekenning van het Nederlanderschap aan de burger overzee aan de orde worden gesteld. Daarbij zal worden benadrukt welke essentiële inconsistenties het morganatische karakter van het burgerschapsbegrip in het Koninkrijk in zich sluit. Enkele van deze inconsistenties kunnen treffend worden geïllustreerd aan de hand van een analyse van de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk. Dit zal aan bod komen in paragraaf 5 van dit hoofdstuk. In deze vijfde paragraaf zal onder meer worden gesproken over de keuze van een LGO-status voor de overzeese gebieden van het Koninkrijk, de Nederlander overzee als Unieburger en de werking van Unieburgerschapsrechten in de LGO van het Koninkrijk. Met betrekking tot de werking van Unieburgerschapsrechten in de LGO van het Koninkrijk zal de aandacht worden gevestigd op met name het kiesrecht van Nederlanders overzee voor de leden van het Europees Parlement en het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht van de Nederlander overzee. Daarin zal naar voren komen dat het burgerschapsbegrip zoals dat in het Koninkrijk is ingekleurd, afwijkt van essentiële uitgangspunten in het Unieburgerschapsbegrip en het Franse burgerschapsbegrip. In paragraaf 6 zal in aanvulling op hetgeen is betoogd gewag worden gemaakt van een mogelijke denkrichting die ertoe strekt de geconstateerde gebreken in het Koninkrijksrecht ten aanzien van politieke representatie in het (mede)wetgevende orgaan het hoofd te bieden. In paragraaf 7 wordt besloten met een beschouwing.