Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.5
7.5 Het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181177:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Nederlandse deel van Sint Maarten valt derhalve onder het LGO-regime, terwijl het Franse deel van het eiland onder het UPG-regime valt. Over deze situatie, zie: H.G. Hoogers, G. Karapetian, ‘Europe’s Caribbean Borders: The Peculiar Case of the Sint Maarten/Saint Martin Border’, New West-Indian Guide/Nieuw West-Indische Gids, te verschijnen in 2020
Paragraaf 3.2.2 (‘De tweede Franse koloniale golf en haar gevolgen voor het overzees Gemeenschapsrecht’).
Trb. 1957, 93, p. 14-15. De gehele verklaring luidt als volgt: “De Regeringen van het Koninkrijk België, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Franse Republiek, van de Italiaanse Republiek, van het Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden, Gelet op de nauwe banden welke de delen van het Koninkrijk der Nederlanden samenbinden, Verlangende, de traditionele handelsstromen tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en Suriname en de Nederlandse Antillen anderzijds te handhaven en te versterken en tot de economische en sociale ontwikkeling van die landen bij te dragen, Verklaren zich bereid, zodra het Verdrag in werking is getreden op verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden onderhandelingen te openen, ten einde overeenkomsten tot economische associatie van Suriname en de Nederlandse Antillen met de Gemeenschap te sluiten.”
Deze Verklaring van Intentie leidde uiteindelijk tot de ondertekening van de Overeenkomst tot herziening van het EEG-Verdrag om het bijzondere associatieregeling ex Deel IV EEGVerdrag van toepassing te verklaren op de Nederlandse Antillen.
Overeenkomst op 13 november 1962 te Brussel gesloten, tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ten einde de bijzondere associatieregeling van het vierde deel van het Verdrag op de Nederlandse Antillen van toepassing te doen zijn, zitting 1962-1963, 7159 (R 339), p. 2.
Ibid.
Overeenkomst 1962, p. 2.
Ibid.
De toenmalige Nederlandse Antillen wilden derhalve gebruik maken van het derde type status dat de EEG resp. de Unie heeft met de overzeese gebiedsdelen: de status sui generis.
Overeenkomst 1962, p. 2
Dit originevraagstuk had betrekking op de sui generis-status die thans sommige overzeese gebiedsdelen hebben met de EU. In 1962 bestond een dergelijke status nog niet.
Ibid.
Ibid.
Ibid.
Ibid.
In volkenrechtelijke zin is het Nederlanderschap ongedeeld. Voor vreemde mogendheden is er geen verschil tussen een Nederlander uit Aruba en een Nederlander uit Nederland. In straatsrechtelijk perspectief is het Nederlanderschap echter niet ongedeeld, zoals betoogd in paragraaf 7.4 (‘Het Nederlanderschap: voorlopers, ontstaan, toepassing overzee en mankementen’) van dit hoofdstuk.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-300/04 (Eman en Sevinger), Jur. I-8060, r.o. 29.
Zie paragraaf 5.4.2 (‘Lidstaatburgers die voor Uniedoeleinden Unieburgers zijn: het geval LGO’).
Voor Europees Nederland geldt dit uiteraard niet, omdat Europees Nederland niet onder het LGO-regeling valt en derhalve binnen de territoriale werkingssfeer van het Unierecht valt.
Zie paragraaf 6.4 (‘Het Unieburgerschap in de Franse LGO’).
Een vraag die in dit kader rijst is of rechtens een beroep kan worden gedaan op het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht, indien het moederland het (nationale) reis- en vestigingsrecht van de eigen burgers tot het moederland beperkt. Deze situatie zou zich voordoen indien in Nederland een wettelijke regeling zou worden vastgesteld die het reis- en vestigingsrecht van Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense Nederlanders zou beperken. Naar Koninkrijksrecht bezit het land Nederland deze bevoegdheid, omdat het de landen zijn binnen het Koninkrijk, zoals betoogd in de vorige paragraaf, die gaan over de vraag welke rechten en plichten zijn gekoppeld aan het Nederlanderschap. Welnu, bij de verschillende wetsvoorstellen tot beperking van het reis- en vestigingsrecht van overzeese Nederlanders (BES-Nederlanders uitgezonderd) naar Europees Nederland deed deze vraag zich voor. Mocht een dergelijke regeling doorgang vinden, kan bijvoorbeeld een Arubaanse Nederlander zich rechtens beroepen op het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht indien hij Europees Nederland wil betreden? Of is in een dergelijk geval sprake van een ‘zuiver intern geval’ binnen de rechtsorde van het Koninkrijk? Zie daarover nader Karapetian 2016. Hier wordt op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot de kwalificatie van het verkeer tussen de LGO en het moederland geconcludeerd dat het Hof van Justitie in een dergelijk geval tot het oordeel zal komen dat Unieburgers in ieder geval ongelijk worden behandeld. Of de motieven achter een dergelijk voorstel voldoende zijn en zorgen voor een objectieve rechtvaardiging van de ongelijke behandeling van Unieburgers, is nog maar de vraag. Deze dynamiek met betrekking tot de gelijke behandeling van Unieburgers wordt in ieder geval versterkt door het EU-Handvest.
Art. 3 lid 1 sub f Statuut.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 392, nr. 3, p. 1; Kamerstukken II 1984-1985, 18 694, nr. 3, p. 10. Dit argument dat de Nederlanders van de overzeese landen politiek vertegenwoordigd worden in de overzeese Staten wordt te pas en te onpas gebruikt door de regering om het kiesrecht voor vertegenwoordigende organen van andere entiteiten, zoals in casu de Europese Unie, uit te sluiten.
Kamerstukken II 2007-2008, 31 392, nr. 3, p. 1-2: “De kiesgerechtigheid voor de Europees Parlementsverkiezingen is op grond van de formulering in de huidige Kieswet [na de herziening van de Kieswet van 1985] direct afgeleid van de kiesgerechtigdheid voor de Tweede Kamer. Dit heeft tot het gevolg dat Antillianen en Arubanen die niet tenminste tien jaar in Nederland hebben gewoond dan wel in Nederlandse openbare diensten werken, ook niet mogen stemmen voor het Europees Parlement.”
Het is nog maar de vraag of het rechtens is dat de Nederlandse wetgever in de Kieswet kan bepalen wie kiesgerechtigd is voor de verkiezing van het Europees Parlement. Het kiesrecht, ook dat voor de verkiezing van het Europees Parlement, is een landsaangelegenheid. De Nederlandse wetgever is onbevoegd om het kiesrecht van de ingezetenen van de overzeese landen te regelen in de Kieswet. Hiertoe zijn de wetgevers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten bevoegd in de eigen Kiesverordening. H.G. Hoogers, ‘Waartoe is de Nederlandse wetgever bevoegd? De wijziging van de Kieswet in verband met de zaak Eman-Sevinger’, NJB 2008, 1556. Zie ook: S. Hillebrink, L.H.M. Loeber, ‘De Kieswet onder vuur vanuit Aruba’, NJB 2007, 581.
HvJ EU 12 september 2006, zaak C-145/04 (Koninkrijk Spanje v Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland), I-7961.
In de vorige paragraaf is geconstateerd dat de Nederlandse staatsburger niet zozeer een rechtsverhouding heeft tot het Koninkrijk, maar tot het land waarvan hij ingezetene is. De onderzoeksvraag van dit proefschrift is wat de betekenis is van de toepassing van het Europees Unieburgerschap op de LGO van het Koninkrijk voor de vormgeving van het Nederlanderschap. In deze paragraaf zal worden getracht een antwoord te geven op deze vraag. De verschillende elementen van de onderzoeksvraag zijn in de voorgaande hoofdstukken en de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk aan een nadere analyse onderworpen. Zo is in Hoofdstuk II aandacht besteed aan de notie van burgerschap. Vervolgens zijn in de Hoofdstukken III en IV het ontstaan en de ontwikkeling van de LGO ter sprake gekomen. Daarna is in Hoofdstuk V het Europees Unieburgerschap en de toepassing ervan in de LGO aan bod gekomen. Hoofdstuk VI behandelt de betekenis van de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de Franse LGO met het oog op de duiding van het Franse burgerschap. In dit hoofdstuk is achtereenvolgens aandacht besteed aan de positie en ontwikkeling van de koloniën in de constitutionele Nederlandse geschiedenis, de voorlopers van het Nederlanderschap, het ontstaan en de huidige inrichting ervan. Thans is derhalve de tijd rijp om te bestuderen wat de betekenis is van de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk voor de inrichting van het Nederlanderschap. De opzet van deze paragraaf is als volgt. Ten behoeve van de consistentie zal, overeenkomstig de opzet in het rechtsvergelijkende Franse hoofdstuk en het hoofdstuk over het Europees Unieburgerschap, aandacht worden besteed aan (a) de gebieden van het Koninkrijk die onder het LGO-regime vallen, (b) de omstandigheid dat Nederlandse Unieburgers in de LGO van het Koninkrijk voor Uniedoeleinden Unieburgers zijn en (c) waarom gekozen is voor de LGO- regeling binnen het Koninkrijk. Ook wordt, uiteraard, stilgestaan (d) bij de werking van Unieburgerschapsrechten in de LGO van het Koninkrijk, waarbij het reis- en vestigingsrecht in de Unie en het kiesrecht voor het Europees Parlement ter sprake zullen worden gebracht. Tot slot zullen conclusies worden getrokken met betrekking tot de betekenis van de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk met het oog op de duiding van het Nederlanderschap. Wat zegt deze Unierechtelijke rechtsverhouding tussen de Nederlander overzee en de EU over het burgerschap van het Koninkrijk, het Nederlanderschap? Allereerst wordt aangekaart op welke gebieden van het Koninkrijk de LGO-regeling betrekking heeft, de vraag waarom in de jaren zestig van de vorige eeuw is gekozen voor het LGO-regime en de status van de overzeese Nederlander als Unieburger.
Het Koninkrijk bestaat uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba maken deel uit van het staatsbestel van het land Nederland als openbaar lichaam. De staatkundige verhoudingen binnen de verschillende delen zijn aan bod gekomen in paragraaf 7.3.1 (‘Staatkundige verhoudingen in de nieuwe statutaire rechtsorde: kort begrip’). Naar Unierecht vallen alle overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk, dat wil zeggen de overzeese landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten1 en de overzeese openbare lichamen van Nederland, zijnde Bonaire, Sint Eustatius en Saba, onder het LGO- regime. Bij de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag in 1957, dat de LGO-regeling introduceerde, wilden de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk, zijnde de Nederlandse Antillen en Suriname, geen gebruik maken van de associatieregeling van Deel IV EEG-Verdrag. In 1962 kwam daar verandering in. De zes eilanden die tezamen de Nederlandse Antillen vormden werden toen opgenomen in de LGO-lijst. Hieronder wordt nog een enkel woord gewijd aan de vraag waarom de rechtsverhouding van de toenmalige Nederlandse Antillen tot de Gemeenschap en later de EU werd – en nog steeds wordt – vormgegeven door de LGO-status. De keuze van de Franse Republiek om enkele overzeese gebieden te scharen onder het LGO- regime is ter sprake gekomen in Hoofdstuk III; deze is te verklaren vanuit het perspectief van de tweede Franse koloniale golf.2
Aan de Overeenkomst betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, ondertekend in 1957, is een verklaring van intentie betreffende de associatie van Suriname en de Nederlandse Antillen met de EEG verbonden.3 Hierin staat dat verdragsluitende partijen overeenkomen ‘onderhandelingen te openen, ten einde overeenkomsten tot economische associatie van Suriname en de Nederlandse Antillen met de Gemeenschap te sluiten’.4 Deze Verklaring van Intentie illustreert dat er sinds het begin van het EEG-Verdrag reeds belangstelling was om de Nederlandse Antillen en Suriname op enigerlei wijze te associëren met de EEG.5 Sindsdien heeft op zowel ministerieel als ambtelijk niveau overleg plaatsgevonden om deze wens te verwezenlijken. Tijdens verschillende overleggen is naar voren gekomen dat in de Nederlandse Antillen en Suriname ruime belangstelling was voor voornamelijk de gemeenschappelijke markt.6 Nadat de regering van de Nederlandse Antillen de wens had geuit om definitief te worden geassocieerd7 met de EEG, heeft de regering van het Koninkrijk op 18 januari 1960 een verzoek bij de EEG-Raad en de Europese Commissie ingediend.8 Dit verzoek om te worden geassocieerd met de EEG bevatte enkele specifieke wensen van de Regering van de Nederlandse Antillen. Hierover is opgemerkt:
“Zo waren de al te eenzijdig op raffinage van olie georiënteerde Antilliaanse economie en de noodzaak tot het scheppen van de nieuwe werkgelegenheid aanleiding voor de regering van de Nederlandse Antillen in het kader van de met de EEG te vormen vrijhandelszone te streven naar een gunstige origineregeling. De vestiging van nieuwe industrieën zou immers aanzienlijk kunnen worden bevorderd, indien producten van de Nederlandse Antillen – welke uit geïmporteerde grondstoffen of halffabricaten zouden worden verkregen – op basis van gunstige criteria door de EEG-landen als Antilliaanse producten zouden worden aangemerkt, zodat ten aanzien van deze producten de opheffing van handelsbelemmeringen zou kunnen worden toegepast.”9
Mede door de bijzondere belangen en verlangens van de Nederlanders Antillen, werd aanvankelijk niet gedacht aan de LGO-regeling van Deel IV EEG-Verdrag, maar aan een bijzondere regeling die enkel zou gelden voor de Nederlandse Antillen.10 Aan de zijde van de andere EEG-lidstaten ontstonden echter al spoedig bezwaren tegen een dergelijke bijzondere origineregeling die enkel voor de Nederlandse Antillen zou gelden en waarbij rekening zou worden gehouden met de economische structuur van de Antillen.11 De verklaring hiervoor was dat binnen de EEG geen oplossing was gevonden voor het originevraagstuk.12
Nadat dit voorstel werd afgewezen, zijn verschillende suggesties gedaan tot verkrijging van een specifieke status die enkel voor de Nederlandse Antillen zou gelden. Ook deze voorstellen leverden moeilijkheden op bij de andere EEG- partners.13 Er werd gevreesd dat een specifiek regime voor de Nederlandse Antillen ongewenste precedenten zou scheppen.14 Geleidelijk ontstond na verscheidene besprekingen in de Raad van Ministers de overtuiging dat de LGO-regeling zoals verankerd in Deel IV EEG-Verdrag de meeste kans op succes zou bieden voor een associatie van de Nederlandse Antillen met de EEG.15 Om deze reden werd van de zijde van zowel de Koninkrijksregering als de Antilliaanse regering besloten zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het LGO-regime. Voor geraffineerde aardolieproducten uit de Nederlandse Antillen werden door andere delegaties echter speciale voorwaarden gesteld. De partnerlanden van het Koninkrijk in de EEG beschouwden een ongeclausuleerd recht van de Antillen tot uitvoer van geraffineerde aardolieproducten als onwenselijk, mede vanwege de omstandigheid dat binnen de EEG de gemeenschappelijke energiepolitiek nog niet was vastgesteld. Hierdoor was het volgens de andere lidstaten noodzakelijk om waarborgen te stellen tegen een ‘mogelijk overmatige invoer van Antilliaanse aardolieproducten in de EEG’.16 Als gevolg hiervan gold de voorkeursbehandeling binnen de vrijhandelszone niet voor de Antillen met betrekking tot aardolieproducten. Met andere woorden: aangezien de Nederlandse Antillen in de beginfase ruime belangstelling hadden voor de gemeenschappelijke markt en streefden naar een bijzondere associatie met de gemeenschapsrechtsorde, was de LGO-regeling niet de eerste keus. Omdat andere voorstellen van speciale associaties voor de Nederlandse Antillen werden afgewezen door de andere partnerlidstaten, is alsnog gekozen voor het LGO-regime.
Met betrekking tot de vraag of Nederlandse staatsburgers in de overzeese gebieden van het Koninkrijk zijn te beschouwen als Europese Unieburgers, kan het volgende worden opgemerkt. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Vanwege het ongedeelde karakter van het Nederlandse burgerschap, althans in volkenrechtelijk perspectief,17 zijn alle Nederlandse burgers te kwalificeren als Unieburgers.18 Daarnaast geldt dat het Koninkrijk der Nederlanden geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bepaalde Nederlandse staatsburgers uit te sluiten van de werking van het Unieburgerschap.19 Welnu, hoe werden de Unieburgerschapsrechten, zoals het vrije reis- en vestigingsrecht en het kiesrecht voor de verkiezing van het Europees Parlement door in de LGO van het Koninkrijk?
Ten aanzien van het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht geldt dat, zoals geconstateerd in Hoofdstuk V, dit op een atypische wijze doorwerkt in de rechtsorde van de LGO. De Unieburgers van de LGO hebben dit reis- en vestigingsrecht naar andere EU-lidstaten. Zij zijn immers Unieburger en bevinden zich, als bijvoorbeeld wordt gereisd naar België, op een grondgebied waar het Unierecht onverkort geldt. De overzeese landen kunnen echter door middel van de LTU beperkingen stellen aan het reis- en vestigingsrecht van andere Unieburgers naar de LGO, hetgeen thans het geval is. Voor de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldt dat het land Nederland deze bevoegdheid heeft. Anders dan in Franse Republiek is het in het Koninkrijk het afzonderlijke land dat gaat over het reis- en vestigingsrecht van Unieburgers tot het betrokken land.20 In de Franse LGO is duidelijk dat het niet de LGO zelf zijn die beperkingen stellen aan het reis- en vestigingsrecht van Unieburgers in het betrokken LGO, maar het moederland, dus de Franse Republiek zelf.21 Daar waar de Franse burgers van de Franse LGO vrij kunnen reizen en zich vrij kunnen vestigen op het gehele grondgebied van de Republiek, geldt dat niet voor de Nederlandse staatsburger op het gebied van het Koninkrijk. Een Nederlander uit bijvoorbeeld Aruba kan zich niet vrij vestigen in Curaçao. Andersom evenzo. Alle Nederlanders kunnen wel vrij reizen en zich vrij vestigen in Europees Nederland, omdat het land Nederland tot dusver geen regeling heeft uitgevaardigd die het reis- en vestigingsrecht van Nederlanders tot Europees Nederland beperkt. In dit opzicht kan een vergelijking worden getrokken tussen de bestaande situatie in het Koninkrijk der Nederlanden en de EU. In de EU kunnen alle Unieburgers het grondgebied waar het Unierecht onverkort geldt, in beginsel betreden. Aan het binnenreizen op het grondgebied van de LGO kunnen voorwaarden worden gesteld, ofwel door de lidstaat van de LGO (men denke aan de Franse Republiek), ofwel door de LGO zelf (men denke aan het Koninkrijk der Nederlanden) – afhankelijk van het nationale constitutionele raamwerk. In het Koninkrijk kunnen alle Nederlandse burgers het grondgebied van Europees Nederland betreden. Voor het betreden van de overzeese landen geldt dat de landen daar voorwaarden aan kunnen verbinden. In het reis- en vestigingsverkeer tussen de LGO geldt dat geen beroep kan worden gedaan op het Unierechtelijke reis- en vestigingsrecht, aangezien de LGO buiten de territoriale werkingssfeer van het Unierecht liggen, zoals geconstateerd in de Hoofdstukken III en IV van dit proefschrift.22 Gesteld kan worden dat het Europees Unieburgerschap voor de LGO-burgers (van het Koninkrijk) een garantie vormt dat zij vrij kunnen reizen en zich vrij kunnen vestigen op een grondgebied waar het Unierecht onverkort geldt. Deze garantie brengt het Franse burgerschap ook met zich voor de Franse LGO-burgers. Dat dit echter niet opgaat voor de Nederlandse LGO-burger, heeft te maken met de inrichting van het Nederlanderschap. Dit Nederlanderschap vormt geen garantie voor de Nederlander om te allen tijde een ander Koninkrijksland te betreden en zich aldaar te vestigen op grond van zijn status als Nederlands staatsburger. Dit kwalificeer ik in dit proefschrift als het morganatische karakter van het Nederlanderschap. Het is het land Nederland dat krachtens het Statuut bevoegd is regelingen uit te vaardigen met betrekking tot de toelating en uitzetting van Nederlanders tot het land Nederland.23 Afhankelijk van de vraag of de rechtsbetrekking tussen een overzees Koninkrijksland en Nederland een zuiver intern geval is of onder het toepassingsbereik van het Unierecht valt, heeft het Unieburgerschap derhalve de potentie om de gereserveerde burgerschapsrechten in de statutaire rechtsorde te verstevigen. Hoe zit het met de notie van politieke representatie van de Nederlander overzee in het Europees Parlement? En wat zegt die over de politieke representatie van de Nederlander van de overzeese landen in het vertegenwoordigende orgaan van het Koninkrijk?
Bij de invoering van het kiesrecht van Nederlanders voor de verkiezing van het Europees Parlement is er bewust voor gekozen om dit kiesrecht niet te verlenen aan de inwoners van de (destijds) Nederlandse Antillen.24 Het voornaamste argument in dit kader is geweest dat de personen van de Nederlandse Antillen vertegenwoordigd waren in een eigen parlementair vertegenwoordigend orgaan.25 De kiesgerechtigdheid voor de verkiezingen van het Europees Parlement werd direct afgeleid van de kiesgerechtigdheid voor de verkiezingen van de Tweede Kamer. Een direct gevolg van dit construct is geweest dat, aangezien de Nederlanders overzee in beginsel niet het kiesrecht hadden voor de verkiezing van de Tweede Kamer, zij eveneens waren uitgesloten van de verkiezing van het Europees Parlement.26 Op dit punt is de Kieswet in 2009 gewijzigd, met als gevolg dat Nederlanders van de overzeese landen werden aangemerkt als kiesgerechtigd bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Aanleiding voor deze wetswijziging is de in de Hoofdstukken III en IV aangehaalde zaak Eman en Sevinger geweest. Na de prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof van Justitie, heeft de Afdeling voor recht verklaard dat er geen objectieve rechtvaardiging is voor de regel dat Nederlanders in derde landen wel mogen stemmen voor het Europees Parlement, terwijl Nederlanders in de overzeese landen van het Koninkrijk dit recht alleen hebben indien zij ten minste tien jaar in Nederland hebben gewoond.
Volgens de memorie van toelichting op de wetswijziging stelt de regering ten behoeve van een oplossing voor dit vraagstuk dat er drie meest voor de hand liggende opties zijn: 1) beperking van het kiesrecht voor Europese Parlementsverkiezingen tot ingezetenen van de Europese Unie; 2) kiesrecht voor de Europese verkiezingen koppelen aan een tijdsbepaling en tot slot 3) alle Nederlanders buiten Nederland, dus ook Nederlanders die ingezetenen zijn van de Nederlandse Antillen of Aruba, krijgen kiesrecht voor het Europees Parlement.27 Een relevant nadeel dat aan de eerste twee opties kleeft, is volgens de regering dat er een inperking plaatsvindt van het kiesrecht voor het Europees Parlement.28 Dat wil zeggen dat, indien wordt gekozen voor optie 1 of 2, Nederlanders die voorheen het kiesrecht hadden voor het Europees Parlement dit kiesrecht wordt ontnomen. Om deze reden wordt gekozen voor de ‘meest inclusieve oplossing’ – namelijk iedere Nederlander het kiesrecht te verlenen voor de verkiezingen van het Europees Parlement.29Art. Y3 onder a Kieswet luidt derhalve dat de leden van het Europees Parlement worden gekozen door degenen die op de dag van de kandidaatstelling Nederlander zijn en op de dag van de stemming de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en niet zijn uitgesloten van het kiesrecht.30 Hoewel naar Unierecht de lidstaten de vrijheid hebben om de kiesgerechtigden voor de verkiezing van het Europees Parlement aan te wijzen, zoals geoordeeld door het Hof van Justitie in verschillende zaken,31 lijkt het Hof van Justitie in de Delvigne-zaak afstand te doen van dit vertrekpunt. Hierin stelt het Hof van Justitie dat art. 39 lid 2 EU-Handvest de uitdrukking is van het kiesrecht van Unieburgers bij de verkiezing van het Europees Parlement, zoals bedoeld in art. 14 lid 1 VEU en art. 1 lid 2 Akte van 1976. Hiermee brengt het Hof van Justitie tot uitdrukking, zoals dat tevens erkend is in verschillende academische bijdragen, dat het Unieburgerschap het kiesrecht voor de verkiezing van het Europees Parlement met zich brengt. In het Koninkrijk is het kiesrecht aldus gekoppeld aan het Nederlanderschap, dat het louter garandeert dat Nederlandse staatsburgers zijn vertegenwoordigd in een vertegenwoordigend lichaam. Zoals hiervoor is betoogd, wordt daarbij niet stilgestaan bij de omstandigheid dat het ene vertegenwoordigende lichaam in de statutaire rechtsorde wel een medebeslissende rol heeft (Staten-Generaal van het land Nederland), terwijl andere vertegenwoordigende lichamen (Staten van de overzeese landen) louter adviserende bevoegdheden hebben.
Op deze plaats zal de vormgeving van het Europees Unieburgerschap, zoals dat geanalyseerd is in Hoofdstuk V, en het Nederlanderschap, zoals bestudeerd in het onderhavige hoofdstuk, tegen elkaar worden afgezet, teneinde de vraag te beantwoorden wat de betekenis is van de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk met het oog op de duiding van het Nederlanderschap. Uit Hoofdstuk V blijkt dat het Unieburgerschap wordt toegekend door de Unie aan de Unieburgers. Het heeft niettemin een derivatief karakter, omdat op grond van art. 20 lid 1 VwEU burger van de Unie eenieder is die de nationaliteit heeft van een Unielidstaat. Daarbij dient in herinnering te worden gebracht dat het nationaliteitsrecht onder de autonome bevoegdheid van de lidstaten valt. Deze personen krijgen derhalve vanwege hun nationaliteit van een Unielidstaat de status van Unieburger, met als gevolg dat zij aanspraak kunnen maken op de rechten die zijn gekoppeld aan het Europees Unieburgerschap. Het Unieburgerschap is, anders dan het VwEU doet denken, niet wederkerig, maar eenzijdig vormgegeven. Hoewel het VwEU stelt dat er rechten en plichten zijn gekoppeld aan het Unieburgerschap, heeft dit in de praktijk de uitwerking dat er louter rechten verbonden zijn aan dit Unieburgerschap. Deze rechten variëren van het vrije reis- en vestigingsrecht in gebieden waar het Unierecht onverkort geldt, tot het kiesrecht voor het Europees Parlement in andere lidstaten dan de lidstaat waarvan de Unieburger de nationaliteit heeft. Dit kiesrecht voor het Europees Parlement lijkt evenwel in de Delvigne-uitspraak van het Hof van Justitie zodanig te worden ingekleurd dat het (door middel van de personele werkingssfeer van het Unierecht) toekomt aan alle Unieburgers, ongeacht de werkelijke woonplaats. Dit Unieburgerschap brengt derhalve, in de woorden van de Commissie een ‘directe politieke band’ teweeg tussen de Unieburger (overzee) en de EU. Uit deze rechtsverhouding vloeien verschillende rechten voort. Unieburgerschapsplichten worden in de relatie tussen de Unieburger (overzee) en de EU in de praktijk echter achterwege gelaten. In het vorige hoofdstuk is gesteld dat het Europees Unieburgerschap synchroon aan het Franse burgerschap doorwerkt in de rechtsordes van de Franse LGO. Dat ligt anders bij de toepassing van het Europees Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk.
Zoals blijkt uit dit hoofdstuk wordt het burgerschap in het Koninkrijk, het Nederlanderschap, toegekend door het Koninkrijk der Nederlanden. Dit Nederlanderschap wordt gekwalificeerd als een Koninkrijksaangelegenheid. Desalniettemin brengt het Nederlanderschap geen rechtsverhouding met zich tussen de Nederlander (overzee) en de rechtsorde van het Koninkrijk, maar tussen de Nederlander (overzee) en het betrokken Koninkrijksland. Dit brengt met zich dat de rechten en plichten die gekoppeld zijn aan het Nederlanderschap in beginsel onder de bevoegdheidssfeer van de afzonderlijke landen vallen. In beginsel, want het Statuut waarborgt dat alle Nederlandse staatsburgers politiek worden gerepresenteerd in een vertegenwoordigend lichaam in het Koninkrijk. Dat hiermee echter geen recht wordt gedaan aan een wezenlijk principe in het burgerschapsdenken, is onvoldoende doordacht door de Statuutgever. De huidige vormgeving van het Nederlanderschap brengt namelijk met zich dat bij de totstandkoming van rijksregelgeving de representanten van de Nederlanders uit de overzeese landen namens hun kiezers geen medebeslissende maar louter een adviserende rol hebben. Op grond van art. 16 jo. 17 lid 2 Statuut bezitten de vertegenwoordigende lichamen van de overzeese landen dan wel de representanten van de Nederlandse burgers uit de overzeese landen de bevoegdheid om in de Staten-Generaal de mondelinge behandeling van een ontwerp bij te wonen en daarbij eventueel voorlichting te geven. Daadwerkelijk meebeslissende bevoegdheden blijven echter uit. De toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk illustreert dan ook dat de rechtsverhouding die de overzeese Nederlandse staatsburger heeft tot de rechtsorde van de EU inniger is dan de nationale (overigens geheel ontbrekende) rechtsverhouding tussen de overzeese Nederlandse staatsburger en de statutaire rechtsorde. De inkleuring van het Nederlanderschap maakt dit mogelijk. Het Nederlanderschap is krachtens het Statuut in volkenrechtelijke zin ongedeeld ingevuld (er bestaan immers de iure geen verschillende typen Nederlanderschap), maar in staatsrechtelijke zin is dit burgerschap slechts ogenschijnlijk uniform geregeld. Ogenschijnlijk, omdat de invulling van deze notie onder de autonome bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk valt, en niet van het Koninkrijk als geheel. Dat dit cruciale gebreken met zich brengt, blijkt uit het hiervoor geschrevene.
Bij de inwerkingtreding van de Wet van 28 juli 1850 ten aanzien van de toekenning van het politieke Nederlanderschap aan burgers, heeft Thorbecke gesteld dat de toekenning van het politieke Nederlanderschap aan de ingezetenen van de overzeese koloniën en bezittingen destijds een ‘gemeenschap van naam zonder eenige gemeenschap van regt of volkswezen’ zou zijn. Dit was een hoofdreden om de ingezetenen van overzee, die krachtens het BW uit 1838 in privaatrechtelijke zin Nederlander waren, uit te sluiten van het politieke Nederlanderschap. Thans doet zich de situatie voor, welke wordt geïllustreerd aan de hand van de toepassing van het Unieburgerschap in de LGO van het Koninkrijk, dat de overzeese Nederlander een inniger band heeft met de Unie dan met het Koninkrijk. Nu de overzeese burger sinds 1893 de status van het volle Nederlanderschap heeft, dus in zowel civiel als politiek opzicht, is de conclusie die Thorbecke trok bewaarheid. Het Nederlanderschap zoals vormgegeven in de rechtsorde van het Koninkrijk brengt een gemeenschap in naam met zich (Arubanen, Curaçaoënaars, Sint Maartenaren en Nederlanders uit Nederland zijn immers Nederlandse staatsburgers) zonder een gemeenschap in rechte te zijn. Dit burgerschap brengt ten aanzien van de overzeese staatsburger namelijk niet het cruciale recht met zich politiek te worden gerepresenteerd in het orgaan dat in de statutaire rechtsorde bij de totstandkoming van rijksregelgevingsprocedure optreedt als het vertegenwoordigende orgaan. Evenmin brengt dit burgerschap het recht met zich te worden geconsulteerd door middel van de politieke representant wanneer het aankomt op het reis- en vestigingsrecht tot een bepaald Koninkrijksland. Het Nederlanderschap is derhalve morganatisch ingevuld. De verhouding tussen de Nederlandse staatsburger en de rechtsorde van het Koninkrijk is een huwelijk met de linkerhand. De ontwikkeling die de LGO meemaken in de rechtsorde van de Unie, zoals blijkt uit Hoofdstuk IV van dit proefschrift, in het bijzonder ten aanzien van het Unieburgerschap, hebben de Koninkrijkslanden in de statutaire rechtsorde niet meegemaakt – anders dan Franse burgers van de Franse LGO in het constitutioneel raamwerk van de Republiek. Het Nederlanderschap brengt derhalve geen ‘directe politieke band’ met zich tussen de staatsburger overzee en de statutaire rechtsorde, anders dan het Unieburgerschap ten aanzien van de EU en het Franse burgerschap ten aanzien van de Republiek. Als gezegd brengt dit cruciale gebreken met zich. Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen dienen zich te houden aan verbindende voorschriften, uitgegeven vanwege het Koninkrijk, terwijl hun politieke representant geen meebeslissende bevoegdheid heeft in die procedure.
De vraag hoe dit gebrek kan worden geheeld, vergt een uitgebreid nader onderzoek dat buiten het bestek van dit proefschrift valt. Vanwege het belang van die vraag wordt hieronder in het kort stilgestaan bij een mogelijke oplossing.