De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.3.2:3.2.3.2 Beschikken over een aandeel in een afzonderlijk goed
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.2.3.2
3.2.3.2 Beschikken over een aandeel in een afzonderlijk goed
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385830:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een individuele vennoot is onbevoegd om te beschikken over zijn aandeel in een vennootschappelijk goed, zodat een rechtsgeldige overdracht op grond van art. 3:84 BW in beginsel niet tot stand kan komen. De beschikkingsgebondenheid werkt dus ook extern (tegenover derden). Een verkrijger van een aandeel in een roerende zaak niet-registergoed (art. 3:90 BW) of in een recht aan toonder/order (art. 3:93 BW) die bij de levering te goeder trouw was, kan een beroep doen op de art. 3:86 jo. 3:96 BW. Echter, wie zonder zorgvuldig onderzoek naar de herkomst ervan een aandeel in een goed verkrijgt, is niet snel te goeder trouw.1
Wordt een derde toch deelgenoot in een vennootschappelijk goed, dan blijft mijns inziens tussen de vennoten een bijzondere gemeenschap bestaan (d.w.z. afgescheiden van hun privévermogens en doelgebonden) en ontstaat tussen de vennoten enerzijds en de derde anderzijds een gewone (‘eenvoudige’) gemeenschap.2 Op de verhouding tussen de derde enerzijds en de vennoten anderzijds is dan Titel 3.7 BW van toepassing. Zo is de derde op grond van art. 3:168 lid 4 BW gebonden aan de bestaande regeling over gebruik en beheer van het goed; als het goed bestemd was voor de verkoop, dan mag hij zich niet tegen verkoop verzetten. De derde mag verdeling vorderen, maar het goed zal hoogstwaarschijnlijk worden toegedeeld aan de vennoten. Een zaakscrediteur kan zich alleen verhalen op de goederen van de vennootschap; dit betekent dat hij het aandeel van de derde in een vennootschappelijk goed niet kan uitwinnen maar zijn mede-eigendomsrechten moet respecteren.3