Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/1.1
1.1 Introductie
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS588509:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:2 lid 1 BW wordt geregeld als grondregel van het verbintenissenrecht aangemerkt; zie bijv. Wiarda 1988, p. 54. Zie in dezelfde zin Pitlo 1964, p. 183, met betrekking tot art. 1374 lid 3 (oud) BW. Zie voorts Van der Grinten 1965, p. 59. Zie ook Meijers 1918, p. 143. Vgl. voor het Duitse recht Palandt 2001, § 242, sub le, waar over 'Treu und Glauben' wordt gesproken als het 'Grundgebot der Redlichkeit'.
Zie bijv. Eggens 1937, p. 436 en op talloze andere plaatsen in zijn verzameld werk. Zie voorts De Wolf 1979, p. 39-40, Van der Grinten 1953, p. 30 en Van Brakel 1948, § 376. Zie verder Asser-Rutten 4-11 (C druk), p. 245 e.v., Van der Werf 1982, p. 18. Zie ook Schoordijk 1984, p. 9 en Van Dunné 1980a, p. 103. Vgl. voorts Lokin 1995, p. 52-53.
Zie onder meer Barendrecht 1992, p. 6 e.v. Zie voorts Van Zaltbommel 1993, p. 60-62, Hesselink 1999a, p. 408 alsmede Smith 1998, p. 179.
Zie in de laatste zin Van Zaltbommel 1993, p. 39 e.v. Zie ook Koelemeijer 1999, p. 29 alsmede Smith 1998, p. 151 e.v.
In deze zin bijv. Hartkamp 2005, p. 230 en Van Dunné 1976, p. 855. Zie voorts Van der Grinten 1978, p. 21 e.v.
Vgl. Van Schilfgaarde 1999, p. 440.
Reurich 2003, p. 52.
Het eerste lid van art. 6:2 BW bepaalt kort en krachtig:
"Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid."
Over de vraag hoe de in dit artikel weergegeven redelijkheids- en billijkheidsnorm moet worden begrepen wordt verschillend gedacht.1 In de oudere literatuur over de (objectieve) goede trouw — de voorloper van de redelijkheid en billijkheid — wordt deze norm door veel auteurs primair als gedragsnorm voor de justitiabelen opgevat.2 In de meer recente literatuur ten aanzien van de redelijkheid en billijkheid wordt daarentegen veeleer het accent gelegd op de redelijkheid en billijkheid als open of vage beslissingsnorm die de rechter ter hand neemt bij het beoefenen van rechtvaardige geschilbeslechting in het concrete geval.3
Het voorgaande roept de vraag op hoe de eisen van redelijkheid en billijkheid primair dienen te worden opgevat: als een gedragsnorm, die op partijen rust of veeleer als een beslissingsnorm die de rechter ter hand neemt bij het beslechten van juridische conflicten?4 Deze vraag is niet van belang ontbloot: wie de nadruk legt op de redelijkheid en billijkheid als rechterlijke beslissingsnorm, zal vooral de rol van de rechter bij de toepassing van deze norm willen benadrukken en mogelijk zelfs concluderen tot een samenval tussen genoemde norm en de (rol van de) rechter. Wie echter meent dat redelijkheid en billijkheid niet samenvallen met het oordeel van de rechter omtrent hetgeen redelijk en billijk te achten is, maar primair een door de wet aan partijen opgelegde eis behelzen tot redelijk en billijk gedrag over en weer, zal tevens de overtuiging bezitten dat redelijkheid en billijkheid een gedragsnormerende kracht bezitten die zich los van het oordeel van de rechter in de rechtsverhouding van partijen manifesteert. In deze visie worden redelijkheid en billijkheid niet vereenzelvigd met het oordeel van de rechter, maar maken zij als gedragsnorm deel uit van het (objectieve) recht.5 In deze visie is het niet de rechter, maar veeleer genoemde gedragsnorm zelf die het tussen partijen overeengekomene kan aanvullen of beperken indien partijen achterblijven ten opzichte van hetgeen door het objectieve recht van hen aan redelijkheid en billijkheid wordt geëist.6
Consequentie van deze laatste visie op de redelijkheid en billijkheid is dat het gedrag van partijen bij de vaststelling van wat redelijk en billijk is aan betekenis wint, terwijl de rol van de rechter — althans dogmatisch bezien — te dezen aan prominentie inboet. Het is immers in de laatste visie eerst en vooral het gedrag van partijen zelf dat, bezien in het licht van de overige omstandigheden van het geval, voor het objectieve recht aanleiding kan zijn om — aanvullend en/of derogerend — in de rechtsverhouding tussen partijen in te grijpen. Uit het feit dat aldus het gedrag van partijen mede van betekenis is voor het vaststellen van hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt geëist, volgt logischerwijze tevens dat partijen door hun gedragingen op die vaststelling zelf mede invloed kunnen uitoefenen. In de woorden van Reurich:
"Het gedrag van partijen wordt niet alleen beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid, de eisen van redelijkheid en billijkheid worden ook beheerst door het gedrag van partijen. De laatste cryptische toevoeging beoogt duidelijk te maken dat het gedrag van partijen meeweegt bij de vaststelling van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Wie zich constructief opstelt ten aanzien van een door het recht erkende verstoring van de contractuele relatie versterkt zijn positie terwijl onverschilligheid jegens de ander zijn positie juist verzwakt."7