Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.5.4.2
5.5.4.2 Een redelijk belang bij het houden van de vergadering
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649913:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260 m.nt. Nowak (Elliott c.s./AkzoNobel), r.o. 4.5.
In gelijke zin OK 8 oktober 1992 (niet gepubliceerd), waarover Groffen 1994, p. 138.
Rb. Groningen (pres.) 11 januari 1934, ECLI:NL:RBGRO:1934:AG1863, NJ 1934, 122(Boeke en Huidekooper).
Rb. ´s-Hertogenbosch (pres.) 20 januari 1959, ECLI:NL:RBSHE:1959:AG2038, NJ 1959, 487. Waarover ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 33, sub c. Van Solinge & Nieuwe Weme merken t.a.p. op dat bij een onredelijk te achten weigering van het bestuur een algemene vergadering bijeen te roepen, het wantrouwen door het bestuur zelf in het leven wordt geroepen.
Zie ook nog Rb. Breda (pres.) 12 juni 1979, ECLI:NL:RBBRE:1979:AC2539, NJ 1981/219(Tilburgsche Waterleiding Maatschappij).
Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar (vzr), 17 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8698, JOR 2014/293, m.nt. Nowak (Te&Je/NedAliment) en Rb. Amsterdam (vzr) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260, m.nt. Nowak (Elliott/AkzoNobel).
Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar (vzr), 17 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8698, JOR 2014/293, m.nt. Nowak (Te&Je/NedAliment), r.o. 2.2.
Rb. Amsterdam (vzr) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260, m.nt. Nowak (Elliott/AkzoNobel), r.o. 4.5.
In gelijke zin GS Rechtspersonen/Schwarz 2019, art. 2:111 BW, aant. 1.
OK 29 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1965, JOR 2017/261 m.nt. Bulten (Elliott c.s./AkzoNobel).
Wolf 2017, p. 175.
Rechtbank Noord-Nederland, zp Leeuwarden (vzr) 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2477, JOR 2018/240, m.nt. Breukink (Woestduin/Cranberry Terschelling), r.o. 4.4; Rb. Rotterdam (vzr) 24 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3334, JOR 2017/223, m.nt. Breukink. (Logistique/Bergwerff c.s), r.o. 4.8. Zie in dezelfde lijn ook Rb. Rotterdam 14 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3998, JONDR 2018/935, (CGG Ventures BV), r.o. 5.5.
Zie ook Wind 2021, p. 386.
Nowak & Mennens 2012, p. 469.
Overkleeft 2017b, p. 238; Timmerman 2018b, p. 14 en de noot van Koster bij Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, Ondernemingsrecht 2018/42, m.nt. Koster (Elliott/AkzoNobel).
Overkleeft 2017b, p. 238 en de noot van Koster bij Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, Ondernemingsrecht 2018/42, m.nt. Koster (Elliott/AkzoNobel).
Zie de noot van Koster bij Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, Ondernemingsrecht 2018/42, m.nt. Koster (Elliott/AkzoNobel), p. 259.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, p. 387. Deze weigeringsgrond maakt dat het bestuur van een BV of de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek steeds een afweging moet maken tussen het door de aandeelhouders aangevoerde belang en het door de vennootschap aangevoerde zwaarwichtige belang (Nowak & Mennens 2012, p. 469).
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 33; Garcia Nelen 2020, p. 294; Willems 2019, p. 23; Oostwouder & Schrooten 2018, p. 37; Peters & Eikelboom 2017, p. 500; Wolf 2017, p. 175; Dumoulin 1999, p. 136; Duynstee & Drenth 2020, p. 934; Van Vught in zijn noot onder Rb. Rotterdam (vzr) 30 oktober 2015, JOR 2016/121, m.nt. Van Vught (Chen c.s./Nihao); Nowak in zijn noot onder Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar (vzr), 17 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8698, JOR 2014/293, m.nt. Nowak (Te&Je/NedAliment); ik in mijn noot onder Rb. Rotterdam (vzr) 24 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3334, JOR 2017/223, m.nt. Breukink (Logistique/Bergwerff).
Kamerstukken II 1871/72, 65, 3, p. 968.
Van der Heijden 1926, p. 55; Russel 1925, p. 42. Van latere datum bijv. Peters & Eikelboom 2017, p. 502 en Wolf 2017, p. 175.
Peters & Eikelboom 2017, p. 502; Eikelboom 2017b en Eikelboom 2017c.
Overkleeft 2017b; Koster in zijn noot bij Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, Ondernemingsrecht 2018/42, m.nt. Koster (Elliott/AkzoNobel); Garcia Nelen 2020, p. 296. Zie ook Wind 2021, p. 387.
Anders Eikelboom 2017c, p. 241-242.
Wind 2021, p. 387-389.
Van der Heijden 1926, p. 55.
Zie ook Wind 2021.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 32.
Van den Ingh & Nowak 2006, p. 206.
In gelijke zin Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 206; Dumoulin 1999, p. 141.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 206.
De tweede voorwaarde voor de toewijzing van de machtiging tot bijeenroeping is dat de verzoekers een redelijk belang hebben bij het houden van de vergadering. Ook het hebben van dit redelijke belang hoeven de verzoekers slechts summierlijk aan te tonen. Waar de voorzieningenrechter in Elliott c.s./AkzoNobel overweegt dat Elliott en York niet worden gevolgd “in hun stelling dat slechts summierlijk mag worden getoetst of dit redelijk belang aanwezig is”, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting.1 Verderop in deze paragraaf ga ik hier nader op in.
In par. 4.2.1.6 schreef ik reeds dat het vereiste van het redelijk belang in de wet is opgenomen met het doel ‘plagerijen’ tegen te gaan,2 en dat het er (voorts) toe strekt te voorkomen dat concurrerende bedrijven een minderheidsbelang zullen opbouwen waarmee zij de werkzaamheden van de vennootschap kunnen verstoren.3 Als gezegd kan hieruit worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de rechter de machtiging slechts weigert in gevallen van oneigenlijk gebruik.4 Al snel na inwerkingtreding van art. 43d WvK 1928 (de voorloper van art. 2:111/221 BW) werd in de rechtspraak echter een ruimere invulling aan het redelijk belang-vereiste gegeven dan dat de wetgever beoogde. In Boeke en Huidekooper overwoog de president van de rechtbank Groningen dat bij de beoordeling of een redelijk belang aanwezig is, rekening moet worden gehouden met het doel dat de aandeelhouder met de algemene vergadering wenst te bereiken en mede acht moet worden geslagen op het effect dat verlening van de machtiging heeft op het vertrouwen van het publiek in de vennootschap.5 Iets meer dan twintig jaar later weigerde de president van de rechtbank ’s-Hertogenbosch een machtiging op de grond dat het verlenen ervan zou leiden tot publiek wantrouwen in de vennootschap.6 Het restrictief uit te leggen redelijk belang werd in de rechtspraak dus al vrij snel opgerekt.7
In de jurisprudentie is een lijn te ontwaren waarin deze ontwikkeling zich tot op de dag van vandaag doorzet. Ik noem in dit verband de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord Holland inzake Te&Je/NedAliment c.s. en de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam inzake Elliott/AkzoNobel.8 In Te&Je/NedAliment c.s. overwoog de voorzieningenrechter dat bij de beantwoording van de vraag of de verzoekende aandeelhouder een redelijk belang heeft, de belangen van de aandeelhouder enerzijds en die van de vennootschap anderzijds moeten worden afgewogen en dat daarbij de voorgestelde agendapunten in aanmerking moeten worden genomen.9 Eenzelfde toets legt de voorzieningenrechter aan in Elliott/AkzoNobel. Zij overweegt dat:
“de belangen van verzoekers enerzijds en die van de vennootschap anderzijds tegen elkaar worden afgewogen. Hierbij zal mede in aanmerking worden genomen hetgeen verzoekers met het voorgestelde agendapunt en de besluitvorming hierover op de beoogde vergadering willen bereiken. Ook de belangen van AkzoNobel worden in de afweging betrokken.”10
De voorzieningenrechters in Te&Je/NedAliment en Elliott/AkzoNobel maken een integrale belangenafweging waarbij het belang van de aandeelhouders bij het houden van de vergadering wordt afgewogen tegenover het belang van de vennootschap om dat niet te doen. Hierbij zouden alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken.11
In het geval van Elliott/AkzoNobel speelt nog dat Elliott voorafgaand aan het machtigingsverzoek de OK vroeg om bij wijze van onmiddellijke voorziening AkzoNobel te bevelen een buitengewone algemene vergadering bijeen te roepen met als voorgesteld agendapunt het ontslag van Burgmans als lid en voorzitter van de RvC.12 Die voorziening werd niet getroffen. Terecht merkt Wolf op dat de voorzieningenrechter in r.o. 4.7 van haar beschikking ten onrechte het toetsingskader van de OK volgt bij de beoordeling of de machtiging moet worden toegewezen.13
In de jurisprudentie is ook een lijn zichtbaar die dicht blijft bij de uitleg die de wetgever begin van de twintigste eeuw aan het redelijk belang heeft gegeven. Als recente voorbeelden noem ik de beschikkingen inzake Woestduin/Cranberry Terschelling en Logistique/Bergwerff c.s.14 Het betreft hier steeds machtigingen voor het bijeenroepen van algemene vergaderingen bij BV’s, in plaats van NV’s. Bij de BV moet de voorzieningenrechter op grond van de wet, anders dan bij de NV het geval is, de machtiging weigeren als een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich verzet tegen het houden van een algemene vergadering. Denkelijk is dat deze extra toets een prikkel vormt die ervoor zorgt dat bij de BV het redelijk belang-vereiste wel conform de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever wordt uitgelegd. De voorzieningenrechter moet bij de BV immers in de sleutel van het zwaarwichtig belang alsnog een belangenafweging maken.15 Overigens dient die belangenafweging evenmin integraal te zijn. De wetgever heeft immers aangegeven dat zwaarwichtig betekent dat een weigering niet snel gerechtvaardigd zal zijn.16 Zie over het zwaarwichtig belang in art. 2:220 en art. 2:221 BW verder par. 6.3.2.4.a.
De literatuur is, net als de rechtspraak, verdeeld. Volgens voorstanders van een integrale belangenafweging heeft het woord summierlijk in art. 2:111 BW geen betrekking op het vereiste van het redelijk belang en mag de voorzieningenrechter daarom een meer dan summierlijke toets aanleggen.17 Eerdere rechtspraak zou hierop duiden en de tekst van art. 2:111 BW staat aan deze lezing niet in de weg.18 Anderen in het kamp van de voorstanders betogen dat de verzoekers weliswaar summierlijk moeten doen blijken van een redelijk belang bij het houden van de vergadering, maar dat dat niet betekent dat de voorzieningenrechter ook slechts summierlijk mag toetsen of het redelijk belang aanwezig is.19 Dortmond wijst verder nog op de artikelen 2:220 en 2:221 BW. De daarin opgenomen weigeringsgrond van het zwaarwichtig belang zou volgens hem in art. 2:110 en art. 2:111 BW moeten worden ingelezen.20
Tegenstanders van een integrale belangenafweging betogen dat ‘summierlijk’ ook ziet op het redelijk belang en wijzen op het doel van de regeling.21Art. 43d WvK 1928 (thans art. 2:111/221 BW) is in de wet opgenomen om, indien het bestuur dat weigert, aandeelhouders de mogelijkheid te geven een algemene vergadering bijeen te roepen. Indien aandeelhouders deze mogelijkheid niet zouden hebben, kunnen de rechten van de algemene vergadering door het bestuur gemakkelijk illusoir worden gemaakt.22 De tussenkomst van de voorzieningenrechter strekt er dan ook enkel toe de rechtsgeldigheid van de algemene vergadering te waarborgen en misbruik van recht te voorkomen.23
In het kader van de vraag welke invulling aan het redelijk belang gegeven moet worden, is ten aanzien van vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt in de literatuur voorts betoogd dat de Europese agenderingsregels (al dan niet naar analogie) gelden voor het bijeenroepingsrecht, althans voor het daarin besloten liggende agenderingsrecht. Hierdoor zou bij machtigingsverzoeken bij dit type vennootschap een redelijk belang bij het houden van de vergadering in beginsel aanwezig zijn, tenzij sprake is van bedrog of kennelijk misbruikachtige situaties.24 De gedachtegang lijkt te zijn dat een volle toetsing van een redelijk belang bij een machtigingsverzoek niet mogelijk is, omdat art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn een belangenafweging bij voorgestelde agendapunten niet toestaat. In navolging van Overkleeft, Koster en Garcia Nelen volg ik dit betoog niet.25Art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn geeft aandeelhouders geen recht op bijeenroeping van een algemene vergadering. Het geeft aandeelhouders het recht om punten op de agenda van een algemene vergadering te plaatsen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om in hun wetgeving te bepalen dat dat recht alleen kan worden uitgeoefend met betrekking tot de jaarlijkse algemene vergadering. Dit kan alleen onder de voorwaarde dat de aandeelhouders, hetzij individueel, hetzij collectief optredend, het recht hebben buiten de jaarlijkse algemene vergadering een algemene vergadering met een agenda die op zijn minst alle punten bevat waarom door deze aandeelhouders is verzocht, bijeen te roepen of te verlangen dat de vennootschap een dergelijke vergadering bijeenroept (art. 6 lid 1 Aandeelhoudersrichtlijn). De Nederlandse wetgever heeft het in art. 2:114a BW (en art. 2:224a BW) neergelegde agenderingsrecht niet beperkt tot de jaarlijkse algemene vergadering (zie hierover par. 4.2.3.4). In Nederland hoeft daarom voor aandeelhouders geen recht te bestaan om een algemene vergadering bijeen te (doen) roepen met op de agenda ten minste de door hen gewenste punten. Dat in Nederland een soortgelijk recht wel bestaat, maakt niet dat art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn daarop, of op het daarin besloten liggende agenderingsrecht, van toepassing is. Dat volgt niet uit art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn.26 Ook voor een analogische toepassing zie ik geen aanknopingspunten. Het convocatierecht (met het daarin besloten liggende agenderingsrecht) is iets anders dan het agenderingsrecht. Overigens wordt er ook in de ons omringende landen niet vanuit gegaan dat nationale convocatieregelingen in lijn met art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn uitgelegd dienen te worden.27
Dat art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn niet van toepassing is op het convocatierecht, dan wel het daarin besloten liggende agenderingsrecht laat evenwel onverlet dat mijns inziens een machtigingsverzoek niet snel geweigerd kan worden vanwege het ontbreken van een redelijk belang (zie verder hierna).
Hoewel de integrale belangenafweging die is aangevangen met Boeke en Huidekoper en doorloopt tot Elliott/AkzoNobel haaks staat op de bedoeling van de wetgever, laat zij zich wel verklaren. Ten tijde van de invoering van art. 43d WvK zag men de vennootschap als een contractueel samenwerkingsverband van aandeelhouders. In lijn met die opvatting moest de inmenging van de rechter in aangelegenheden die de hoogste macht binnen de vennootschap raakten zoveel mogelijk worden beperkt.28 Ergo: het redelijk belang moest al snel aanwezig worden geacht. Thans is de heersende leer dat de vennootschap een op zichzelf staand instituut is met verschillende stakeholders. Te betogen valt dat daarbij beter past dat aan de verlening van de machtiging een integrale belangenafweging voorafgaat. Dat betoog is dan evenwel een betoog voor wenselijk, doch niet voor geldend recht.29
Naar mijn mening zijn de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 2:111/221 BW duidelijk: de voorzieningenrechter dient de machtiging slechts te weigeren als sprake is van misbruik van recht. Het argument van Dortmond dat het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond naar analogie voor de NV moet worden toegepast, overtuigt niet. Het zwaarwichtig belang is in de regeling voor de BV opgenomen ter compensatie van de lage kapitaaldrempel van 1% van het geplaatste kapitaal.30 Zo moet worden voorkomen dat kleine aandeelhouders het convocatierecht gebruiken om ‘dwars te liggen’.31 Nu voor de NV een beduidend hogere kapitaaldrempel van 10% geldt, achtte de wetgever het kennelijk niet nodig om in art. 2:110/111 BW een vergelijkbare weigeringsgrond op te nemen. Er is daarom geen reden om het zwaarwichtig belang in art. 2:110/111 BW in te lezen.
Overigens kan de voorzieningenrechter het machtigingsverzoek naar mijn mening ook partieel weigeren.32 Van partiële weigering is sprake als de machtiging tot bijeenroeping van een algemene vergadering wordt verleend, maar de voorzieningenrechter in de agenda voor de geautoriseerde vergadering niet alle door de verzoekers verzochte agendapunten (op de door hun voorgestelde wijze) opneemt. In geval van partiële weigering dient de voorzieningenrechter uit te leggen waarom naar zijn of haar mening de verzoekers geen redelijk belang hebben bij de behandeling van de niet opgenomen agendapunten.33 Zie met betrekking tot partiële weigering ook par. 5.5.4.4.f.