Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.3.1
5.3.1 Vaststellingsdatum jaarrekening
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
TK 27751 nr. 3, p. 41.
TK 27751 nr. 3, p. 44-45.
Zie bijvoorbeeld de in par. 5 te behandelen uitspraak van de rechtbank Leeuwarden in de zaak tussen de gemeente )Engwirden en haar Ontvanger Pasma.
Wet van 13 december 1950, Stb. 1950, 575.
Zie Commissie-Van Kinschot (1980) p. 145. Deze tendens werd eerder al gesignaleerd door Sikkes en Zadel, zie Sikkes/Zadel (1969), p. 403.
TK 19403 nr. 3, p. 163-164.
TK 19403 nr. 2, p. 37.
TK 19403 nr. 5, p. 128.
TK 19403 nr. 11, p. 7 en (voor de motivering) TK 19403 nr. 10, p. 217.
TK 27751 nr. 5 (Verslag), p. 29-30.
TK 27751 nr. 6 (Nota n.a.v. het Verslag) p. 39-40.
Sinds de dualisering bepaalt art. 200 Gemeentewet dat de jaarrekening moet worden vastgesteld vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft. Daarmee wordt de uiterste vaststellingsdatum ten opzichte van de oude regeling met twee maanden vervroegd (van 15 september naar 15 juli). De belangrijkste reden voor deze versnelling van de behandeling van de rekening is dat eventuele bevindingen naar aanleiding van de vaststelling van de rekening moeten kunnen doorwerken in de beraadslagingen over de begroting voor het jaar, volgend op het lopende begrotingsjaar (die vóór 15 november moet zijn vastgesteld) 1 In de constellatie van vóór 1992 zat tussen de uiterste vaststelling van de rekening en de uiterste vaststelling van de betreffende begroting een gat van twee maanden. De regering vond deze periode te kort. In de praktijk bleek dat de voorbereiding van de begroting zodanig vroeg begon, dat eventuele uitkomsten van het proces van comptabele verantwoording niet meer zouden kunnen worden meegenomen. Bovendien zou de verhoogde aandacht voor de begroting tegen het einde van de zomer volgens de regering zorgen voor verminderde interesse in een gedegen verantwoording.2
De wijziging van art. 200 is overigens een niet al te grote, wanneer zij tegen het licht wordt gehouden van de stappen die hieromtrent in het verleden al zijn gezet. De oorspronkelijke regeling uit 1851 ging ervan uit dat Gedeputeerde Staten bepaalden binnen welke termijn de raad de ontwerp-rekening zou moeten toezenden. De ervaring uit die periode leerde dat er soms jaren overheen gingen, alvorens de jaarrekeningen door de gemeenteraad werden ingezonden respectievelijk door Gedeputeerde Staten werden vastgesteld.3
In 19504 heeft de wetgever het geheel iets willen stroomlijnen door een algemene termijn te stellen voor sluiting van de jaarrekening door Gedeputeerde Staten. Zij moesten dit voortaan doen voor het einde van het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking had, dat wil zeggen: uiterlijk 31 december. Overigens heeft de wijziging van 1950 in lang niet alle gevallen het beoogde effect gehad. In 1980 concludeerde de commissie-Van Kinschot dat met de vaststelling van jaarrekeningen nog steeds weinig haast werd gemaakt. Halverwege 1979 wachtten nog ongeveer 1750 jaarrekeningen van 1977 en ouder op vaststelling door Gedeputeerde Staten. Ongeveer 1100 van deze jaarrekeningen waren zelfs nog niet voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad.5
Niettemin werd de termijn in 1992 nogmaals ingekort. In eerste instantie stelde de regering daarbij voor de (inmiddels definitieve) vaststelling van de rekening door de gemeenteraad te doen plaatsvinden voor 1 september. Volgens de regering was dit nodig omdat het — ook toen al — voor de behandeling van de begroting van groot belang zou zijn dat de rekeningcijfers van het vorige begrotingsjaar bekend zouden zijn.6 De begroting zou in het oorspronkelijke regeringsvoorstel voor 1 november moeten worden vastgesteld.7 Tijdens de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel werd de haalbaarheid van deze datum door de GPV- en de CDA-fracties in de Tweede Kamer ernstig in twijfel getrokken.8 Omdat er — gelet ook op de hierboven aangegeven praktijk — aanzienlijke achterstanden moesten worden weggewerkt, had de regering in de Memorie van Toelichting ook al aangegeven dat deze eis zeker in de beginfase op grote problemen zou stuiten. Mede op grond hiervan gaf de regering iets toe en verschoof de deadline in de derde Nota van Wijziging van 1 september naar 15 september.9 De uiterste datum waarvoor de begroting zou moeten worden vastgesteld, werd in verband hiermee eveneens 2 weken verschoven (van 1 november naar het ook thans nog geldende 15 november).
Al met al blijkt tijdige vaststelling van de jaarrekening dus sinds jaar en dag een probleem. De meest recente termijnwijziging moet daarom vooral worden gezien als een laatste — en betrekkelijk kleine — stap om nogmaals het belang te benadrukken van het tijdig vaststellen van een jaarrekening met het oog op de begroting. De SGP-fractie in de Tweede Kamer stelde nog wel de voor de hand liggende en terechte vraag of de inkorting van de tijd die nodig is voor de controle van de rekening zich eigenlijk wel zo goed verhoudt tot de versterking van de controlefunctie en de, daarmee verband houdende, gewenste verbetering van de controle.10 De regering deelde de vrees van de SGP-fractie niet. Onder verwijzing naar de behandeling van de jaarrekening bij de Rijksoverheid stelt de regering dat het opmaken van de rekening, mede als gevolg van automatisering, tegenwoordig zodanig snel geschiedt, dat de rekening al na enkele maanden aan de raad kan worden voorgelegd.11
Daarbij kan worden opgemerkt dat sinds 1992 de vaststelling van de jaarrekening kan worden overgenomen door gedeputeerde staten, indien de gemeenteraad dit niet of niet tijdig doet (art. 201 Gemeentewet). Overschrijdingen als in het verleden zullen zich daardoor niet snel voordoen. Het is echter niet te vergezocht om te veronderstellen dat van een leereffect ten behoeve van de begroting bij een dergelijk provinciaal ingrijpen in mindere mate sprake zal zijn. In dergelijke gevallen geschiedt de raadsbehandeling immers niet op tijd en zal de raad de verdere afhandeling van de jaarrekening door gedeputeerde staten niet altijd integraal willen overdoen. Toepassing van deze taakverwaarlozingsregeling kan daarmee het doel van de vervroegde afhandeling van de jaarrekening ondergraven. Anderzijds kan worden betoogd dat het bestaan van de taakverwaarlozingsregeling juist een preventieve werking heeft. Zij zou voor gemeentebesturen voldoende afschrikwekkend kunnen zijn en daarmee termijnoverschrijdingen zoveel mogelijk kunnen voorkomen Overigens moeten bij de grondwettigheid van art. 201 Gemeentewet de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Dit zal gebeuren in hoofdstuk 8.