Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.5.5.2.1
4.5.5.2.1 Inspannings- en resultaatsverbintenissen
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS368741:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Santen 2013, p. 7; Van Beurden 2015, p. 3; Ramaekers 2016, p. 2.2.2. Zie ook Rechtbank Amsterdam 24 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3491, r.o. 4.9.
Tweede Kamer 1975-1976, kamerstuknummer 7729, ondernummer 6, p. 70 (MvA).
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8; Asser/Sieburgh 6-I 2016/192.
Schoordijk 1979, p. 209; Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8; Mijnssen 1978, p. 19.
Broekema-Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.
Zie paragraaf 4.4.2 Vgl. Suijling 1934, p. 306; Houwing 1953, nr. 15; Asser/Rutten 1967, p. 266; Annotatie G.J. Scholten bij HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174.
Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU8176 , r.o. 3.4: ‘Voorzover het bestreden oordeel van het hof gebaseerd is op de opvatting dat een schuldenaar die een bepaald resultaat heeft toegezegd, toerekenbaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten indien dat resultaat niet wordt bereikt (…) is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan’. Zie ook Broekema- Engelen, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.
Mijnssen 1978, p. 19-20.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2014/207. Vgl. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998, 168 (Smits/Royal Nederland).
Toerekening van een tekortkoming ontstaan door het gebruik van een ongeschikte hulpzaak kan onredelijk zijn met het oog op de inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortvloeit. Uit de inhoud en strekking van de rechtshandeling kan voortvloeien dat op de schuldenaar een inspanningsverbintenis rust. In de literatuur is naar voren gebracht dat, indien de schuldenaar de vereiste inspanning heeft geleverd, het onredelijk zou zijn om hem zonder schuld aansprakelijk te houden voor de schade die is ontstaan ten gevolge van de zaak die hij heeft gebruikt.1 Deze opvatting is geworteld in de MvA waarin werd opgemerkt dat voorzichtigheid geboden is bij het aannemen van aansprakelijkheid van een hulpverlener omdat bij een geneeskundige behandeling niet een bepaald resultaat zal zijn toegezegd en op de hulpverlener slechts een zorgplicht rust.2 Een vordering jegens een hulpverlener zou kunnen worden afgewezen indien deze de van hem vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
De vraag die hierbij rijst is in welk kader de kwalificatie van de verbintenis als inspannings- of resultaatsverbintenis relevant is. In beginsel is dat in het kader van de tekortkoming ex artikel 6:74 BW: om te beoordelen of de door de schuldenaar geleverde prestatie afwijkt van de prestatie waartoe hij verplicht was, kan het relevant zijn om vast te stellen of hij een inspanning diende te leveren of voor een bepaald resultaat in stond.3 Zoals reeds in paragraaf 4.4.2 naar voren kwam, zullen voor de schuldenaar uit een overeenkomst dikwijls zowel inspannings- als resultaatsverplichtingen voortvloeien en kan van een bepaalde overeenkomst niet in zijn algemeenheid gezegd worden dat deze enkel inspannings- of resultaatsverbintenissen bevat.4 Bovendien laat de kwalificatie van de hoofdverbintenis van een schuldenaar als inspanningsverbintenis onverlet dat hieruit deelverbintenissen kunnen voortvloeien die het karakter van een resultaatsverbintenis hebben.5 Op een schuldenaar die zaken gebruikt bij de uitvoering van zijn verplichting uit de overeenkomst zal zoals gezegd in beginsel een resultaatsverbintenis rusten; de schuldenaar staat ervoor in dat de zaken die hij gebruikt bij de uitvoering van zijn verplichting uit de overeenkomst deugdelijk zijn.6 Dit is echter niet per definitie het geval aangezien de inhoud en daarmee de kwalificatie van de verbintenis van de schuldenaar in een concreet geval door middel van uitleg zal worden vastgesteld.
Indien, al dan niet met behulp van de kwalificatie van de verbintenis als inspannings- of resultaatsverplichting, de tekortkoming is vastgesteld, komen we krachtens het systeem van artikel 6:74 en 6:75 BW toe aan de toerekening. Bij de vraag of een tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend, maakt de wet geen onderscheid tussen de toerekening van een tekortkoming in de nakoming van een inspanningsverbintenis en de toerekening van een tekortkoming in de nakoming van een resultaatsverbintenis. In beide gevallen kan de tekortkoming aan de schuldenaar worden toegerekend op grond van schuld of risico en in beide gevallen kan er sprake zijn van overmacht.7 Het zal aan de schuldenaar zijn om deze overmacht aan te tonen.8 Vergelijk wederom Mijnssen:9
“Bij schade ontstaan bij de uitvoering van een verbintenis bestaat er daarom in het algemeen aansprakelijkheid zonder dat behoeft te worden onderzocht waardoor [door de schending van een inspannings- of resultaatsverplichting, JTH] die schade is ontstaan. Wil de schuldenaar worden ontheven van die aansprakelijkheid, dan zal hij hem bevrijdende omstandigheden moeten aantonen.”
In het verlengde hiervan lijkt de relevantie van dit onderscheid bij de beoordeling van de toerekenbaarheid op grond van artikel 6:77 BW afgewezen te moeten worden. Ook bij de tekortkoming die het gevolg is van de schending van een inspanningsverplichting is toerekening aan de schuldenaar op grond van de hoofdregel van artikel 6:77 BW mogelijk. Zo stelt ook Tjong Tjin Tai in het kader van de overeenkomst van opdracht. De omstandigheid dat uit een overeenkomst van opdracht veelal een inspanningsverbintenis voortvloeit, vormt volgens hem – ‘wat er ook zij van het onderscheid’ – geen reden ‘voor een categorische uitzondering’ op de hoofdregel van artikel 6:77 BW.10