Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.2.1
10.2.2.1 Het EVRM, wettelijke vermoedens en feitelijke vermoedens
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940283:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 28.
Volgens Van Dale Onlinewoordenboek Engels (editie 2017) is de betekenis van ‘presumption of fact’ in juridische context: ‘vermoeden’, en is de betekenis van ‘presumption of law’ in juridische context: ‘wettelijk vermoeden’.
Zie daarover nader paragraaf 9.3.2.2.2.
Dergelijke vermoedens kwalificeer ik als wettelijke vermoedens (wetsficties), zie paragraaf 9.3.3.3.2. Dit zou betekenen dat aan het arrest Salabiaku geen algemene betekenis ten aanzien van het gebruik van feitelijke vermoedens als bewijsmiddel kan worden toegekend. Zie over deze kwestie nader Bemelmans 2018, par. V.8.3.
In dezelfde zin: Bemelmans 2018, p. 244. Zie in dit verband ook: EHRM 30 augustus 2011 (G. versus het VK), Rvdw 2012/36. Vgl. voorts ECRM 19 juli 1972 (X. tegen het Verenigd Koninkrijk), Collection of Decisions of the European Commission of Human Rights 42 (1973), p. 135, waarin het ging om een wettelijk vermoeden van souteneurschap. Het samenleven met of gewoonlijk in gezelschap zijn van een prostituee was voldoende voor het vermoeden dat er dan ook bewust van de inkomsten van prostitutie werd geleefd, hetgeen strafbaar was. Dit vermoeden kon door de beugel.
EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25, EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), BNB 2003/2, V-N 2003/9.8. Zie omtrent de achtergrond van deze arresten nader paragraaf 9.3.2.2.4.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 113 e.v.. Zie daaromtrent nader paragraaf 16.6.3.2.
Hierover werd aanvankelijk ook wel anders gedacht, zie de noot van Feteris bij EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), FED 1990/420, punt 5 (herhaald in Feteris 2002, p. 362). Ook de Hoge Raad ging destijds uit van de hoogte van de boete, zie HR 11 oktober 1989, BNB 1990/88, FED 1990/421, r.o. 4.5.
Zie over de opvattingen van het EHRM over het gebruik van vermoedens nader Bemelmans 2018, par. V.8.3.
Zie Feteris 2002, p. 363. Vgl. voorts EHRM 30 maart 1999 (Passet), nr. 38434/97, BNB 2002/25.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 (bewijsvoering), paragraaf 9.3.2.2 (schuldneutrale delicten), paragraaf 9.4 (ambtshalve toetsing en zelfstandig onderzoek), paragraaf 12.3.4 (hoor en wederhoor), paragraaf 12.4.1.3 ((geen) betwisting centrale stellingen) paragraaf 14.4 (volle toetsing strafmaat) en paragraaf 15.5.2 (ambtshalve aanvulling rechtsgronden en feiten). In dezelfde zin: Feteris in zijn noot bij EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, punt 12.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Goede procesorde’ en paragraaf 7.3.5.4.1.
Vgl. HR 25 oktober 2002, BNB 2003/14, V-N 2002/57.7. Zie ook Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 30.
Zie paragraaf 9.3.3.3.2.
Zie paragraaf 9.3.3.3.2. De Hoge Raad accepteert wel de doorwerking in de strafmaat. Zie voorts paragraaf 16.6.2 alsmede paragraaf 10.4.2 hierna.
HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207. Zie daarover nader paragraaf 16.6.2.
De inspecteur moet dan wel de zware bewijsgradatie van ‘beyond reasonable doubt’ halen. Met alleen (een) vermoeden(s) is dat onwaarschijnlijk, zie daarover nader paragraaf 13.3.5.3.1 en paragraaf 10.2.2.2 hierna.
Vgl. paragraaf 7.3.5.4.2.
Zie voor een voorbeeld waarin de inspecteur aldus slaagde in zijn bewijslast Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 6.1.2-6.11, waarover nader in paragraaf 13.3.5.3.1.
Het EHRM hecht belang aan de vereiste gradatie van het tegenbewijs, zie Bemelmans 2018, p. 248.
Zie paragraaf 10.2.1.
In dezelfde zin: Rosier 2013. Zie bijvoorbeeld Rb Noord-Nederland V-N 2017/26.18.4, m.n. r.o. 10.1.
Aldus ook: Feteris 2007, p. 304.
Het EVRM wijst het gebruik van feitelijke of wettelijke vermoedens niet principieel af. In het arrest Salabiaku overwoog het EHRM:
‘Presumptions of fact or of law operate in every legal system. Clearly, the Convention does not prohibit such presumptions in principle. It does, however, require the Contracting States to remain within certain limits in this respect as regards criminal law. (…) Article 6 para. 2 (…) does not therefore regard presumptions of fact or of law provided for in the criminal law with indifference. It requires States to confine them within reasonable limits which take into account the importance of what is at stake and maintain the rights of the defence.’1
Uit de bewoordingen lijkt te volgen dat het EHRM wettelijke vermoedens op één lijn stelt met feitelijke vermoedens.2 Voor beide typen gelden dus in beginsel dezelfde grenzen en beperkingen (‘limits’). Wel moet dit arrest naar mijn mening worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van de vraag of schuldneutrale delicten toelaatbaar zijn in het licht van de onschuldpresumptie.3 Ik sluit daarom niet uit dat het EHRM met ‘presumptions of fact’ heeft gedoeld op in de wet opgenomen vermoedens dat een bepaalde feitelijkheid zich heeft voorgedaan (zoals bijvoorbeeld het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto).4 Gelet op de formulering en de nevenschikking met wettelijke vermoedens ga ik er voor het vervolg echter van uit dat voor feitelijke vermoedens dezelfde uitgangspunten gelden.5
Uit het arrest Salabiaku kunnen vervolgens drie criteria worden afgeleid die in het licht van de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM van belang zijn bij de beoordeling van het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel in criminal charge-zaken:
Het gebruik van vermoedens moet binnen redelijke grenzen plaatsvinden;
Het belang van wat op het spel staat weegt mee;
De rechten van de verdediging moeten overeind blijven.
In de arresten Passet en Västberga Taxi heeft het EHRM deze criteria – althans voor wat betreft wettelijke vermoedens – nader ingevuld.6 Zo heeft het EHRM duidelijk gemaakt dat met het tweede criterium gedoeld wordt op wat er voor de belastingheffende overheid op het spel staat (een adequate belastingheffing),7 in plaats van op datgene wat er voor de boeteling op het spel staat (de hoogte van de boete).8 Samenvattend komt uit beide genoemde arresten ten aanzien van de aanvaardbaarheid van vermoedens het volgende naar voren:9
De redelijkheid in de zin van het arrest Salabiaku (het eerste criterium) moet worden beoordeeld op grond van:
het belang van de overheid bij een adequate belastingheffing, en
de vraag of de verdedigingsrechten geëerbiedigd zijn;
Die verdedigingsrechten moeten gebaseerd zijn op subjectieve aspecten, dat wil zeggen op omstandigheden die de boeteling zelf betreffen;
De rechter heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om te beoordelen of er gronden zijn om de boete vernietigen of te verminderen. Hij moet daarbij genuanceerd en niet te restrictief te werk gaan.
Bij de beoordeling van de verdedigingsrechten en de daaruit voortvloeiende verweermogelijkheden van de verdachte is vooral van belang dat de rechter terzake een reële beoordelingsvrijheid heeft.10 Gelet op het Nederlandse fiscale procesrecht, dat in de beroepsfase is doortrokken van hoor en wederhoor, en dat de rechter de ruimte geeft om de fiscale bestuurlijke boete tamelijk extensief te toetsen, zal er naar mijn mening vrijwel altijd aan dit vereiste worden voldaan.11 Hoogstens zullen de door het EHRM geformuleerde criteria de actieve opstelling van de rechter in boetezaken nog iets aanscherpen. Te denken valt hierbij aan de rechter die een feitelijk vermoeden wil aannemen ten nadele van de boeteling. Op grond van het nationale procesrecht is de rechter ook in de sfeer van de heffing al gehouden om te voorkomen dat een procespartij door het aannemen van een rechterlijk vermoeden wordt overvallen.12 In de boetesfeer geldt dat nog sterker.13 Uit de arresten Passet en Västberga Taxi kan naar mijn mening worden afgeleid dat de rechter de boeteling dan nadrukkelijk inzicht moet geven in de feiten waaruit hij het vermoeden afleidt, en dat hij hem daarbij uitgebreid de gelegenheid moet geven om zowel de betreffende feiten als het daaruit afgeleide vermoeden te bestrijden.
Bij wettelijke vermoedens is er in wezen louter sprake van een doorwerkingsvraagstuk (vanuit de sfeer van de heffing naar de sfeer van de boete), dat ik heb behandeld in het kader van de bewijslast ter zake van het kale beboetbare feit.14 Het gaat er dan om of de inspecteur het bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit wel kan leveren, als hij slechts op de toepasselijkheid van het wettelijke vermoeden wijst en verder geen aanvullend bewijs heeft. Bij rechtstreekse doorwerking zou de onschuldpresumptie dan worden gefrustreerd, aangezien de boeteling niet hoeft te bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan.15 Om dezelfde redenen is ook de doorwerking van de omkering van de bewijslast (ten bewijze van het begaan van het beboetbare feit als zodanig) niet toegestaan.16 Zoals in paragraaf 9.3.3.3.2 naar voren is gekomen, kan het voorgaande betekenen dat de inspecteur louter voor wat betreft de boete met aanvullend bewijs moet komen (waarmee hij bovendien de zware gradatie ‘beyond reasonable doubt’ moet halen).
Bij feitelijke vermoedens ligt de zaak anders. Het gaat dan om het gebruik van aan andere, vaststaande feiten en omstandigheden ontleende gevolgtrekkingen, die als zelfstandig bewijsmiddel bijdragen aan het bewijs. Met betrekking tot de centrale stellingen kan de inspecteur in beginsel17 aan de op hem rustende primaire bewijslast voldoen doordat hij (onder meer) beschikt over een tegen de boeteling werkend vermoeden.18 Vervolgens is het de beurt aan de boeteling om dat vermoeden te ontzenuwen. Als dat niet lukt, zal de beboeting mede plaatsvinden op basis van het vermoeden.19 Ter ontzenuwing is ook in de boetesfeer voldoende dat het vermoeden ‘redelijkerwijs kan worden betwijfeld’. Naar mijn mening komen de hiervoor genoemde, aanvullende waarborgen van het EVRM bij feitelijke vermoedens voornamelijk tot uitdrukking in een nóg lagere drempel voor het leveren van tegenbewijs.20 Het bestaan van enige twijfel is immers inherent aan het vermoeden,21 terwijl in de sfeer van de boete elke twijfel ten gunste van de boeteling moet werken.22 Onder omstandigheden kan dat ertoe leiden dat een in de sfeer van de heffing aanvaardbaar vermoeden in de sfeer van de boete geen stand kan houden.23 Ook eventuele twijfel over de vraag of het vermoeden wel ‘redelijkerwijs’ kan worden betwijfeld, moet mijns inziens in de boetesfeer in het voordeel van de boeteling worden uitgelegd.
In het vervolg van deze paragraaf concentreer ik mij op feitelijke vermoedens, aangezien dergelijke vermoedens de hoedanigheid van een zelfstandig bewijsmiddel hebben.