Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.7.3
1.7.3 Rechtsvergelijkend onderzoek
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS444751:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gorlé e.a., 2007, p. 2-3 en p. 32-34.
Ik volsta hier met enkel het noemen van deze begrippen. In hoofdstuk 5 werk ik deze begrippen inhoudelijk verder uit.
Zie onder andere: D'Ascenzo, 2000; The Commonwealth Association of Tax Administrators, 2003; Corbett & Rossney, 2011, p. 630; Jaidi, Noordin & Kassim, 2013, p. 56-65; James & Alley, 2002, p. 37; Loo, McKerchar & Hansford, 2005, p. 669-710; Lymer & Oats, 2010, p. 19-20; Lai & Choong, 2009; Sarker, 2003, p. 170-176; en Vos & Mihail, 2006, http://www.igt.gov.au/content/media/ATAX_Paper_April_2006.pdf.
Naast de juridisch doctrinaire methode en de exploratieve methode heb ik in dit onderzoek ook gebruik gemaakt van de rechtsvergelijkende methode. Er zijn twee vormen van rechtsvergelijkend onderzoek: macro en micro rechtsvergelijkingen. Bij een macrorechtsvergelijking worden rechtsstelsels of zelfs groepen van rechtsstelsels vergeleken. Een microrechtsvergelijking richt zich op elementen of onderdelen van verschillende rechtsstelsels. Daarnaast bestaat er onderscheid tussen dogmatische en functionele rechtsvergelijkingen. De dogmatische rechtsvergelijking neemt de bronnen van het positief recht (wetteksten) als uitgangspunt en vergelijkt deze. De functionele rechtsvergelijking neemt problemen die de praktijk stelt tot uitgangspunt en gaat vervolgens na op welke manier deze problemen in de verschillende rechtsstelsels worden opgelost. De functionele methode is veelomvattender en daardoor veeleisender dan de dogmatische methode.1 Om de veel- dan wel eenvormigheid van de verschillende toegepaste heffingsmethoden te kunnen onderzoeken, volstaat voor dit onderzoek – dat vooral een exploratief karakter heeft – een onderzoek naar slechts een deel van een fiscaal rechtsstelsel. Dit komt neer op een microrechtsvergelijking. Het doel is namelijk niet om alle overeenkomsten en verschillen te kennen, maar om na te gaan welke karakteristieken we kunnen onderscheiden. Dit deelonderzoek heeft daarom een meer verkennend karakter; er is geen sprake van een streven naar volledigheid.
Voor de keuze van de heffingsmethode wordt in de literatuur regelmatig gewezen op de keuze die in andere landen is gemaakt ten gunste van ‘self-assessment’. Dit in plaats van ‘direct/administrative assessment’. Om (empirisch) vast te kunnen stellen in hoeverre die keuzes voor dit onderzoek relevante informatie bevatten, is het in de eerste plaats van belang om te bepalen of en in hoeverre sprake is van eenduidigheid tussen de in de verschillende landen toegepaste heffingstechnieken én hoe die zijn te positioneren ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de Nederlandse heffingsmethoden. Een dergelijk onderzoek is, voor zover mij bekend, tot nu toe niet uitgevoerd. Met 194 andere landen op de wereld zou dit echter tot een te omvangrijk onderzoek leiden. Om die reden heb ik een deelonderzoek uitgevoerd onder een beperkt aantal landen. Het doel was daarbij niet om alle heffingstechnieken zelf tot in detail te leren kennen, maar de belangrijkste kenmerken daarvan (exploratief karakter) zodat ze zowel onderling als met de Nederlandse heffingsmethoden kunnen worden vergeleken (rechtsvergelijkend).
De voor dit onderzoek relevante (internationale) literatuur bestaat daardoor voor het belangrijkste deel uit beschrijvingen over het hoe en waarom van de omzetting van de heffingstechniek (nagenoeg altijd van ‘direct’ of ‘administrative’ assessment naar ‘self-assessment’2) in een of meerdere landen. Landen waarin een dergelijke omzetting heeft plaatsgehad, zijn onder andere Australië, Japan, Maleisië, Pakistan en het Verenigd Koninkrijk.3 Deze beschrijvingen richten zich meestal op veranderingen in de heffingstechniek van de personal income tax (inkomstenbelasting) en soms ook op die van de corporate income tax (vennootschapsbelasting). Soms heeft de verzamelde literatuur ook betrekking op landen waar ‘self-assessment’ direct als heffingstechniek – (meestal) voor de personal income tax – is ingevoerd. Landen waarin dat zich heeft voorgedaan zijn onder andere de Verenigde Staten (1913), Canada (1917) en de Filipijnen (1934), Bij het exploratieve extern rechtsvergelijkende onderzoek heb ik nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds landen waar de heffingstechniek later is omgezet en anderzijds landen waar ‘self-assessment’ direct is ingevoerd. De reden om dat te doen, is om vast te kunnen stellen of bij de initiële invoering van een heffingstechniek mogelijk andere factoren een rol spelen dan bij een latere omzetting. Voor dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van artikelen in vaktijdschriften uit de bibliotheek van het IBFD en van via het internet ontsloten informatie afkomstig van overheden (belastingdiensten en ministeries) en belastingadvieskantoren.
Naast een extern rechtsvergelijkend onderzoek heb ik ook intern rechtsvergelijkend onderzoek uitgevoerd dat zich richt op de heffingsmethoden van decentrale belastingen. Dit met als doel om vast te kunnen stellen welke factoren een rol spelen bij de keuze van de heffingsmethode van belastingen die worden geheven door decentrale overheden. En om vervolgens te kunnen bepalen in hoeverre die factoren van toepassing zijn op de keuze van de heffingsmethode van rijksbelastingen.