Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.8.2
5.2.8.2 De toegelaten uitsluitingen en beperkingen volgens de Wam
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400670:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Bosch Kemper & Gruben, nr. 3.8, met een verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.
Kamerstukken II, 1962/63, 6 342, nr. 6, p. 9.
HR 10 december 1957, NJ 1958, 49.
Benelux Gerechtshof 20 mei 1983, NJ 1985, 10, VR 1983, 59 m.nt. HAB.
De Nederlandse Wam was zelfs in het geheel niet in het geding, omdat het om een zuiver Belgisch ongeval ging.
De Bosch Kemper & Gruben, voetnoot 24.
Krachtens art. 13 lid 2, tweede alinea van de Richtlijn mag een dergelijk eigen risico ten hoogste € 250 bedragen. Van deze mogelijkheid heeft de Nederlandse wetgever geen gebruikgemaakt. De Wam kende een eigen risico voor materiële schade van € 136. Gelijktijdig met de omzetting van de 5e Richtlijn is het eigen risico ook in geval van diefstal afgeschaft. De Wam behandelt een gestolen voertuig als onverzekerd.
Zie voor het richtlijnregime terzake van gestolen voertuigen par. 5.5.8.
HvJ EU 30 juni 2005, nr. C-537/03 (Candolin), Pb. 2005, p. 1-5745, NJ 2006, 110 m.nt. M.R.M. HvJ EU 28 maart 1996, nr. C-129/94 (Ruiz Bernáldez), Jur. 1996, p. 1-1829.
Een complicatie daarbij is, dat er geen Europese eenstemmigheid is ten aanzien van het diefstalbegrip in het kader van de Wam-uitsluitingen. Dit blijkt al uit het hiervoor behandelde arrest van het Benelux Gerechtshof uit 1983: zelfs tussen België en Nederland bestaan al verschillen. De volgende (andere) lidstaten kennen een (vorm van) diefstaluitsluiting: Oostenrijk, Estland, Finland, Ierland, Letland, Luxemburg, Malta en Spanje.
Zie De Bosch Kemper & Gruben, voetnoot 25.
Zie Eyskens, p. 271.
Benelux Gerechtshof 27 mei 1991, NJ 1991, 817, VR 1992, 1.
Thans de vraag welke dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen de Wam aan de verzekeraar toestaat.
Blijkens art. 11 lid 1 Wam kan geen uit de wettelijke bepalingen omtrent de verzekeringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid, verweer of verval door de verzekeraar aan de benadeelde worden tegengeworpen. Art. 15 geeft de verzekeraar die aan de benadeelde een schade-uitkering heeft gedaan terwijl de verzekering geen dekking bood, verhaal op de aansprakelijke persoon, tenzij deze niet de verzekeringnemer (contractspartij van de verzekeraar) is, maar dan weer wel als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (kan het ingewikkelder worden geformuleerd? Geen regres op andere verzekerden dan de verzekeringnemer, tenzij de verzekeraar aantoont dat zij wisten of hadden moeten weten van het ontbreken van dekking). Daarnaast biedt art. 15 lid 2 Wam de verzekeraar een verhaalsrecht op de verzekeringnemer en - indien daartoe grond bestaat - op de verzekerde die niet is de verzekeringnemer, in die gevallen waarin de verzekeraar volgens wet of polisvoorwaarden gerechtigd zou zijn de uitkering te weigeren of te verminderen.
De Wam staat het de verzekeraar toe polisbepalingen te hanteren die van de dekking uitsluiten:
— de aansprakelijkheid van hen die zich na het sluiten van de verzekering door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft en van hen die, dit wetende, dat motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken (art. 3 lid 1 Wam);
— schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheidsof behendigheidsritten en -wedstrijden, waarvoor de in art. 148 Wegenverkeerswet 1994 bedoelde ontheffing is verleend (art. 4 lid 3).
De eerste van deze twee toegelaten uitsluitingen, de diefstal-uitsluiting, is toegestaan op grond van art. 13 van de Richtlijn. Aan de voorwaarde dat de benadeelde zich kan wenden tot het waarborgfonds is voldaan. Zie art. 25 lid 1 onder c) Wam.
Naar algemeen wordt aangenomen moet het begrip 'diefstal' in de Wam in strafrechtelijke zin worden geïnterpreteerd; dat betekent dat joyriding (het zonder oogmerk van toeëigening wederrechtelijk gebruiken van andermans motorrijtuig), als zij niet gepaard is gegaan met geweldpleging, en verduistering, ondanks een in de polis opgenomen diefstaluitsluiting, is gedekt.1 De grens tussen diefstal en joyriding is niet bijzonder scherp te trekken. Ter illustratie zij verwezen naar het ook in de MvA 112 aangehaalde arrest van de HR van 10 december 19573, waarin werd geoordeeld dat degene die zich tijdelijk de feitelijke heerschappij over een voertuig verschaft en het voornemen heeft dit na gebruik ergens onbeheerd achter te laten, zich onder omstandigheden toch aan diefstal schuldig kan maken.
In het algemeen leert de Nederlandse literatuur - en de rechtspraak volgt daarin dat alleen de dief in de zin van art. 310 Sr. (en degene die, van de diefstal wetende, het voertuig zonder geldige reden gebruikt) van dekking onder de polis kan worden uitgesloten. Het bewijs dat van diefstal in die zin sprake is dient door de verzekeraar te worden geleverd.
In zijn arrest van 20 mei 1983 sprak het Benelux Gerechtshof4 uit, dat onder het begrip diefstal in de Gemeenschappelijke bepalingen (ook) de zogenaamde 'gebruiksdiefstal' (vol d'usage) valt, een begrip dat overeenkomt met onze joyriding. Het Hof oordeelde:
"dat derhalve dient te worden geantwoord op de gestelde vraag dat art. 3, § 1 Gemeenschappelijke bepalingen behorende bij de Benelux Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat onder meer bepaalt dat de verzekering de burgerrechtelijke aansprakelijkheid niet behoeft te dekken van hen die zich door diefstal de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, moet worden uitgelegd in die zin dat de aldus bepaalde uitsluiting van toepassing is op het bedrieglijk wegnemen van een motorrijtuig toebehorende aan een ander voor een kortstondig gebruik."
Het Hof overwoog daarbij echter nadrukkelijk, zonder op de Nederlandse wetgeschiedenis terzake de Wam in te gaan, dat de Nederlandse jurisprudentie haar betekenis behoudt. In dit verband is van belang dat art. 1, § 2 van de Benelux-Overeenkomst de Verdragsluitende Partijen de bevoegdheid laat de Gemeenschappelijke bepalingen te vervangen door bepalingen, die grotere waarborgen aan benadeelden bieden.
Het Benelux Gerechtshof heeft geen uitspraak gedaan over art. 3 lid 1 Wam, maar over de vraag wat de Gemeenschappelijke bepalingen over de diefstaldekking zeggen .5 Het gaat er echter niet om wat de Gemeenschappelijke bepalingen toestaan, maar wat de Nederlandse Wam daaromtrent bepaalt. De Nederlandse parlementaire geschiedenis is duidelijk. Naar Nederlands recht is joyriding geen diefstal in de zin van de Wam en dus dient de verzekeraar de schade te dekken.
De Bosch Kemper & Gruben merken op, naar mijn mening terecht, dat het arrest van het Benelux Gerechtshof uit de toon valt en wijzen daarbij op het doel en de strekking van de Wam: een zo breed mogelijke bescherming van derden benadeelden.6 Weliswaar kan de benadeelde bij een ongeval terzake waarvan de verzekeraar zich op een uitsluiting als bedoeld in art. 3 lid 1 Wam kan beroepen, zich tot het Waarborgfonds Motorverkeer wenden, maar daarbij kreeg hij - tot de implementatie van de 5e Richtlijn per 11 juni 2007 - voor zijn materiële schade wel een eigen risico tegengeworpen.7 Hij verkeerde dus in een mindere positie dan wanneer hij zich tot de verzekeraar kon wenden. Ook Bouman, in zijn noot onder het arrest in Verkeersrecht, wijst erop dat de nationale wet een voor de benadeelde gunstiger regime mag bieden. Hij merkt op, dat de uitvoerige conclusie van de advocaat-generaal voor het arrest van het Beneluxhof de Nederlandse wetsgeschiedenis terzake 'vol d'usage' niet in zijn beschouwingen betrekt.
In zijn arrest van 2 augustus 2005 grijpt het Hof Arnhem terug op het arrest van het Benelux Gerechtshof en oordeelt "dat het begrip diefstal in art. 3, lid 1 WAM moet worden uitgelegd als (mede) omvattend het bedrieglijk wegnemen van een aan een ander toebehorend motorrijtuig voor een kortstondig gebruik en met de bedoeling het motorrijtuig terug te geven (joyriding)."
Deze uitspraak is een misslag, die met HR 9 februari 2007 is rechtgezet.8
Tot zover de inhoud van het begrip diefstal in de Wam in verband met de Benelux-Overeenkomst en de daarbij behorende Gemeenschappelijke bepalingen. Van belang is tevens welke grenzen de Richtlijn trekt. De Richtlijn is van belang indien zij de grenzen van de uitsluiting enger trekt dan de Benelux-Overeenkomst en de Gemeenschappelijke bepalingen.
Zoals ik in paragraaf 5.2.8.1 opmerkte, houdt het regime van art. 13 lid 1 van de Richtlijn in dat polisclausules, die van de verzekering uitsluiten het gebruik of het besturen van voertuigen door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn gemachtigd, worden geacht niet te gelden in de relatie tot derde benadeelden. Dergelijke clausules kunnen evenwel worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig in het schadeveroorzakende voertuig hebben plaatsgenomen, waarbij de verzekeraar dient te bewijzen, dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.
Is het voertuig door diefstal of geweldpleging verkregen, dan kan de benadeelde een aanspraak op het waarborgfonds worden gegeven (en dus een polisuitsluiting worden toegestaan), waarbij een franchise (wij zouden spreken van eigen risico) van € 250 is toegestaan 9
De Richtlijn zelf is duister over de juiste inhoud van de term 'door diefstal of geweldpleging verkregen'. In het oorspronkelijke Commissie-voorstel kwam de bepaling in het geheel niet voor.
Het ligt echter in de lijn van de jurisprudentie van het Hof om het begrip zo beperkt mogelijk uit te leggen. Het gaat immers om een uitzondering op de hoofdregel dat wettelijke en polisuitsluitingen niet aan benadeelden kunnen worden tegengeworpen, hetgeen volgens het Hof meebrengt dat zij strikt moet worden uitgelegd. Zie het Candolin-arrest10 waarin dit expliciet tot uitdrukking is gebracht. In dit arrest wordt de lijn doorgetrokken die reeds met Ruiz Bernáldez was ingezet.11
Verduistering valt in Nederland in elk geval niet onder het diefstal- en geweldplegingsbegrip in art. 3 lid 1 Wam.12 Hetzelfde geldt voor België, waar echter heling weer wel expliciet onder de betreffende uitsluiting valt.13 Voor zover geen sprake is van schuldheling (art. 417bis Sr.) zal de heler ook in ons land veelal wel van dekking zijn uitgesloten, omdat hij geacht kan worden te behoren tot de personen die het voertuig zonder geldige reden gebruiken, terwijl hij van de diefstal weet. Als echter degene die het voertuig aan de heler leverde het niet na diefstal onder zich had maar bijvoorbeeld verduistering pleegde, zal de verzekeraar zich niet op de diefstaluitsluiting in de polis kunnen beroepen.
Voor zover het de diefstal- en geweldplegingsuitsluiting betreft kan worden vastgesteld dat de Wam aan de Richtlijn voldoet.
De uitsluiting van schade in het kader van snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten en -wedstrijden komt niet voor in het rijtje toegelaten uitsluitingen van de Richtlijn. Op het eerste gezicht zou men daarom kunnen menen dat hier sprake is van een door de Richtlijn niet toegelaten uitsluiting. Dat is echter niet het geval. De verzekeraar kan immers slechts tegenover derden een beroep doen op een desbetreffende polisclausule, als voor het houden van de rit of wedstrijd een ontheffing is verleend ex art. 148 WVW 1994. Deze ontheffing kan slechts worden verleend als, in de woorden van het tweede lid van dat artikel:
"wordt aangetoond dat maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van deelneming aan de wedstrijd zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade waartoe het gebruik van motorrijtuigen tijdens de wedstrijd aanleiding kan geven, is gedekt door een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. De verzekering dient mede te dekken de aansprakelijkheid van degenen die de wedstrijd organiseren. (...)"
In de gedachtegang van de wetgever wordt de dekking alleen verplaatst naar een andere polis, die echter volledig aan de eisen van de Wam dient te voldoen. Bij de term 'verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen' valt op te merken dat de wetgever hier alleen het oog heeft gehad op de inhoudelijke aspecten van de dekking. Hij heeft niet bedoeld voor te schrijven dat deze verzekeringsdekking ook zou moeten worden aangemeld (en weer afgemeld) bij de Dienst Wegverkeer; evenmin zijn de bepalingen omtrent het narisico van toepassing. Zodra de rit of wedstrijd is afgelopen, herleeft de gewone Wam-verzekering van het deelnemende voertuig. Zie in dit verband ook het arrest van het Benelux Gerechtshof van 27 mei 199114, waaruit blijkt dat de uitsluiting alleen geldt voor de eigenlijke wedstrijd. Zij kan niet worden ingeroepen als het ongeval zich voordoet op de weg tussen het rennerskwartier en het circuit. In het algemeen worden deze verzekeringen afgesloten door de organisatoren van het evenement. Daarmee is de aansprakelijkheid voor de door het aan de rit of wedstrijd deelnemende voertuig overeenkomstig de Wam gedekt en komt zij op een andere verzekeraar, althans op een andere polis te rusten.
Het voorgaande overziende kan worden vastgesteld, dat de Wam voldoet aan de Richtlijn. Uit de rechtspraak van het EU-Hof (met name in de zaken Ruiz Bernáldez en Candolin) vloeit immers voort dat de Richtlijn een limitatieve opsomming geeft van de toegelaten uitsluitingen. Slechts dekkingbeperkende bepalingen of clausules die expliciet in de Richtlijn zijn genoemd, zijn toelaatbaar. Het gaat hier om situaties waarin de benadeelde zichzelf in een gevaarlijke positie heeft gebracht (namelijk het willens en wetens plaatsnemen in een gestolen auto) of waarin de benadeelde, in de gevallen bedoeld in art. 13 lid 1 van de Richtlijn, aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de sociale zekerheid.
De Wam maakt de diefstaluitsluiting mogelijk, maar staat het de verzekeraar niet toe de dekking te beperken als de benadeelde een socialezekerheidsuitkering kan verkrijgen. Zie ook paragraaf 4.6.5.
De Nederlandse Wam biedt dus een ruimere dekking dan de Richtlijn voorschrijft.