Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/976
Erfrechtverordening. Bevoegdheid gerecht gewone verblijfplaats erfgenaam inzake maatregelen betreffende erfrecht als bedoeld in art. 13.
HvJ EU 27-03-2025, ECLI:EU:C:2025:217 (Ławida)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27 maart 2025
- Magistraten
N. Jääskinen, A. Arabadjiev, R. Frendo
- Zaaknummer
C-57/24
- Conclusie
A-G M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Ławida
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Europees erfrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Erfrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2025:217, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑03‑2025
- Wetingang
Art. 13 Verordening (EU) nr. 650/2012 (Erfrechtverordening)
Essentie
BA, met als wettelijk vertegenwoordiger BR tegen EQ, met als wettelijk vertegenwoordiger XK e.a.
Verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens art. 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Gliwicach (rechter in tweede aanleg Gliwice, Polen) bij beslissing van 24 oktober 2023.
Erfrechtverordening. Bevoegdheid gerecht gewone verblijfplaats erfgenaam inzake maatregelen betreffende erfrecht als bedoeld in art. 13.
Art. 13 Erfrechtverordening moet aldus worden uitgelegd dat de gerechten in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van een persoon die weigert de rechtsgevolgen te aanvaarden van het verzuim om binnen de gestelde termijn een verklaring ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.