Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.10.2
7.10.2 Korte geschiedenis
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS574040:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Bolt & Lensing 1993, p. 5 en Owen 1976, p. 1263.
Bolt & Lensing 1993, p. 5; Ellis 1982, p. 12 e.v.
Zie de zaken Wilkes v. Wood, 98 Eng. Rep. 489 (1763) en Huckle v. Money, 95 Eng. Rep. 768 (1763).
In de zaak Day v. Woodworth werden punitive damages expliciet erkend door het U.S. Supreme Court, 13 How. 363 (1852). In Engeland heeft het House of Lords pas in 1964 uitspraak gedaan in de zaak Rookes v. Barnard, [1964] AC 1129, [1964] 1 All ER 367, HL.
Bolt & Lensing 1993, p. 7 en de daar aangehaalde literatuur. Zie ook Massey 1987, p. 1267.
Reeds in de 13e eeuw kende men een vorm van punitive damages.1De oorsprong van punitive damages zoals die nu bestaan, kan echter worden gevonden in het Engeland van de 18e eeuw. Punitive damages werden toen gezien als onderdeel van de vergoeding van immateriële schade.2 In 1763 achtte de Engelse rechter een vergoeding toelaatbaar die uitging boven de werkelijk geleden schade.3Punitive damages werden in de Amerikaanse rechtspraak spoedig na de erkenning in de common law op grotere schaal overgenomen. Wel bestond enige verwarring over de vraag of punitive damages moesten worden gezien als vergoeding van immateriële schade of als boete om een afschrikkende en bestraffende werking te hebben.4
Bolt & Lensing wijzen in hun preadvies op twee factoren die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en voortbestaan van de privaatrechtelijke boete. In de eerste plaats de grote terughoudendheid van de rechter om in te grijpen in het oordeel van de jury omtrent de hoogte van de aan de eiser toe te kennen vergoeding. In de tweede plaats de beperkte mogelijkheden die de common law bood tot vergoeding van immateriële schade. Door middel van de privaatrechtelijke boete werd in enige mate in deze behoefte voorzien. De privaatrechtelijke boete is echter ook na het mogelijk worden van vergoeding van immateriële schadevergoeding blijven bestaan.
Een vergelijking zou kunnen worden gemaakt met de poenale acties die het Romeinse recht kende, waarbij de dader veel meer dan de daadwerkelijk geleden schade verschuldigd was. Er is echter geen bewijs dat punitive damages direct kunnen worden herleid tot het Romeinse recht. Hetzelfde geldt voor de Middeleeuwse amercements.5