Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.3.3
4.3.3 De bestemming van het vereffeningsoverschot
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232215:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij dient echter bedacht te worden dat door wijziging van de statuten ook de bepaling ten aanzien van de bestemming van het vereffeningsoverschot zou kunnen worden gewijzigd.
Dit levert volgens mij geen strijd op met het uitkeringsverbod, zie hierover hoofdstuk 5.
De voorwaardelijke making die hier wordt bedoeld, wordt doorgaans aangeduid als ‘tweetrapsmaking’. Hier zij opgemerkt dat in een dergelijke situatie vanuit fiscale optiek beter kan worden gekozen voor een tweetrapsmaking dan de weg via de regeling van het vereffeningsoverschot.
Bij de Duitse en Belgische stichting, veel meer dan bij de Nederlandse stichting, draait het om het vermogen, zo bleek al in hoofdstuk 2. Toch zijn er ook in Nederland stichtingen met vermogen. Als dat vermogen te klein is geworden om het doel te bereiken, heeft een dergelijke stichting meestal geen bestaansrecht meer. In dat geval ligt ontbinding en vereffening van haar vermogen voor de hand. De vraag is dan echter, wat te doen met het eventuele vereffeningsoverschot? De bestemming van het vereffeningsoverschot is voor de bij dode opgerichte stichting van groot belang als de stichting erfrechtelijk is begunstigd. Als de stichting heeft gefungeerd in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap of ter uitoefening van (intussen geëindigde) persoonlijkheidsrechten, is het belang van de bestemming van het vereffeningsoverschot aanzienlijk geringer, van een vereffeningsoverschot zal dan geen sprake zijn.
Het is de oprichter van de stichting die de bestemming van een eventueel vereffeningsoverschot bepaalt.1 Voor de bij dode opgerichte stichting, bepaalt de erflater dit derhalve. Gebruikelijk is, dat het vereffeningsoverschot wordt aangewend voor een met het doel van de stichting vergelijkbaar doel.2
Het is niet ondenkbaar dat een bij dode opgerichte stichting een eventueel vereffeningsoverschot moet uitkeren aan de (andere) erfgenamen van de erflater of door hem aangewezen personen. Dit laatste kan, bijvoorbeeld, van belang zijn als de stichting tot doel had iemand met een geestelijke of lichamelijke beperking te ondersteunen. Als deze persoon is overleden, kan het saldo van het vermogen aan de erfgenamen van de erflater ̶ of andere door hem aangewezen personen ̶ ten goede komen.3 De vraag of in dat geval sprake is van een testamentair bewind of een voorwaardelijke making, komt aan de orde in 7.2.3, respectievelijk 7.2.2.4