Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.4
2.4 Twee verschillende concepten van uitbuiting: harmful exploitation en mutually advantageous exploitation
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383761:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wertheimer & Zwolinski 2016, Introduction en § 3.
Zie verder over de definiëring van het schadebeginsel en de betekenis van een ‘terugval in belangen’ § 4.2.
Wertheimer & Zwolinski 2016, § 2.2. Er even vanuit gaande dat een ‘redelijke marktprijs’ kan worden vastgesteld en dat dit kan worden afgezet tegen een ‘oneerlijke marktprijs’.
Ervan uitgaande dat B in dit geval niet verplicht is tot het verlenen van de levensreddende hulp.
Wertheimer & Zwolinski 2016, § 2.2.
Zie uitgebreid § 4.2.
Gorr 1989, p. 153 met verwijzing naar J. Feinberg, ‘Noncoercive Exploitation’, in: R. Sartorius (ed.), Paternalism, Minneapolis: University of Minnesota Press 1983, p. 208-209.
Gorr 1989, p. 154.
Gorr 1989, p. 155 met verwijzing naar J. Feinberg, ‘Noncoercive Exploitation’, in: R. Sartorius (ed.), Paternalism, Minneapolis: University of Minnesota Press, 1983, p. 208.
Gorr 1989, p. 155 met verwijzing naar D. Lyons, ‘Welcome Threats and Coercive Offers’, Philosophy 1975-50, p. 428.
Gorr 1989, p. 158.
Gorr 1989, p. 161.
Gorr 1989, p. 163. Dit betreft een vrije vertaling uit het Engels.
Gorr 1989, p. 164.
Zoals reeds opgemerkt, betreft uitbuiting oneerlijke profijttrekking van een ander. De uitbuiter heeft het oogmerk op een oneerlijke manier voordeel te trekken van een ander. Het resultaat, of het streven naar het resultaat is echter niet het enige dat uitbuiting typeert. De manier van totstandkoming en het effect op de uitgebuite persoon is van belang. In dit kader kan onderscheid worden gemaakt tussen schadelijke uitbuiting (harmful exploitation) en wederzijds voordelige uitbuiting (mutually advantageous exploitation).1
De harmful exploitation brengt een schadelijk netto-effect voor de uitgebuite persoon teweeg. Het behelst een inbreuk op de negatieve vrijheid. Deze vorm van uitbuiting is bijvoorbeeld aan de orde als de ene persoon een ander dwingt voor hem te werken en geld te verdienen onder dreiging van moord. Of als iemand een ander in de valse veronderstelling van een vergoeding arbeid laat verrichten, terwijl hij nooit van plan was te betalen. De eventuele instemming met de arbeidsbetrekking wordt geschaad door de toegepaste dwang dan wel misleiding. Geldige instemming vereist immers dat iemand vrij kan kiezen en dat hij op de hoogte is van de voorwaarden. Een situatie waarbij dwang of misleiding wordt ingezet om vervolgens op een oneerlijke manier van een ander te profiteren, betreft aldus schadelijke uitbuiting. De uitgebuite persoon is slechter af dan zonder de uitbuiting. Zoals bij de uiteenzetting van het schadebeginsel in § 4.2 zal blijken, leidt harmful exploitation tot schade, het brengt een setback of interests teweeg.2
Mutually advantageous exploitation daarentegen is zowel voor de uitbuiter als de uitgebuite persoon in het voordeel (wederzijds voordelig). Hier is geen sprake van een inbreuk op de negatieve vrijheid. Maar het is desondanks uitbuiting omdat de verdeling van de voordelen tussen de uitbuiter en de uitgebuite persoon oneerlijk is. De uitgebuite persoon betaalt een te hoge prijs voor wat hij krijgt. Hij kan zijn positieve vrijheid niet verrijken. Stel dat A in levensnood verkeert. Voorbijganger B wil levensreddende eerste hulp verlenen, maar alleen tegen een onredelijke prijs. A heeft geen alternatief dan het voorstel te accepteren, gezien zijn levensbedreigende situatie. Beiden gaan erop vooruit bij de transactie: A blijft in leven, B verdient geld. Toch kan dit voorstel worden aangemerkt als uitbuitend. B maakt namelijk misbruik van de situatie.
Niet elk voorstel aan een persoon die zich in een kwetsbare situatie bevindt, valt echter onder uitbuiting. B had de hulp ook gratis kunnen verlenen of tegen een redelijke prijs.3 Er is in dit voorbeeld geen sprake van dwang of misleiding. B heeft geen directe rol gehad in het creëren van de omstandigheden waarin A verkeert. Hij heeft evenmin een bijzondere verplichting om de situatie van A te herstellen.4 A is voorts volledig geïnformeerd over zijn mogelijkheden (doodgaan of hulp krijgen) en kan een rationele keuze maken.5 Zijn instemming is geldig. B heeft echter niet zoveel voor A gedaan als hij zou moeten doen en daarom is er sprake van misbruik. In § 4.2 wordt voorts duidelijk dat mutually advantageous exploitation niet tot schade leidt, volgens de definitie van het schadebeginsel, het veroorzaakt immers geen setback of interests.6
Gorr betoogt dat arbeidsvoorstellen op twee verschillende manieren exploiterend kunnen zijn. Ten eerste zijn exploiterende voorstellen mogelijk bij iemand die een aanbod accepteert omdat hij niet in staat (onmachtig) is een voldoende rationele en geïnformeerde keuze te maken omtrent de voorwaarden van het aanbod. Ten tweede zijn uitbuitende voorstellen mogelijk wanneer de exploitant oneerlijk voordeel behaalt uit externe omstandigheden waarin degene die wordt benaderd zich bevindt. Gorr haalt daarbij een voorbeeld van Joel Feinberg aan waarbij een arme vrouw met een doodziek kind wordt benaderd door een rijke man. Hij stelt voor de dure behandeling van het kind te betalen als de vrouw zijn maîtresse wordt.7 Gorr onderscheidt deze situatie van de toestand waarbij iemand een pistool tegen het hoofd van een kind houdt en diens moeder dreigt het kind te doden als zij zijn maîtresse niet wordt. De situaties zullen wellicht voor de vrouwen even benard aanvoelen, maar het eerste geval betreft volgens Gorr een exploiterend aanbod, het tweede een exploiterende dreiging. De pistoolzaak kan worden getypeerd als dwang omdat de keuzemogelijkheid van de vrouw wordt beperkt door de bedreiger. Bij de rijke man bestaat een ‘natuurlijke’ situatie waarin het kind doodziek is, de rijke man heeft daar geen invloed op gehad. De rijke man misbruikt deze situatie. De rijke man dwingt de vrouw niet, maar hij maakt wel op een moreel verwerpelijke manier gebruik van de externe omstandigheden. Hij exploiteert de vrouw.8 Gorr herhaalt de woor- den van Feinberg: uitbuiters zijn opportunisten, zij behalen voordeel uit situaties die zij zelf niet hebben gecreëerd. Dwingers zijn makers, in plaats van ontdekkers en gebruikers, van mogelijkheden.9 De vraag is wat een aanbod nu uitbuitend maakt. Daniel Lyons betoogt dat exploiterende voorstellen een ruil betreffen waarbij beide partijen erop vooruit gaan, maar op een erg oneerlijke manier.10 Gorr vindt deze benadering te weinig genuanceerd. Zelf geeft hij de volgende formule voor een uitbuitend aanbod:
Door middel van A doet P aan Q een conditioneel aanbod waarbij een bepaalde consequentie R tot stand wordt gebracht als Q B doet.
Q gelooft dat Q (of iemand waar hij om geeft) zich in een noodtoestand bevindt en dat het tot stand brengen van R door P de conditie significant verlicht.
Het verrichten van B brengt significante kosten voor Q met zich.
Er bestaat een gedraging B1, een alternatieve gedraging van B, die significant minder kostbaar is voor Q en die ervoor zorgt dat het tot stand brengen van R door P in ruil voor het doen van B1 (in plaats van B) niet een significante verslechtering van de positie van P behelst in vergelijking met de situatie waarbij P en Q niets met elkaar te maken zouden hebben gehad.
Q heeft geen morele verplichting om B te doen (ook niet voorwaardelijk tot het tot stand brengen van R door P).
Q is niet bekend met een andere manier waarbij R (door P) tot stand wordt gebracht die even bruikbaar is en waarbij de kosten niet zo hoog zijn als door het verrichten van B.11
Gorr benadrukt dat ook deze definitie vaag is: zo wordt niet aangegeven wanneer een noodsituatie aanwezig is, wanneer kosten significant hoog zijn of een situatie is verslechterd.12 De vraag is nog steeds wanneer het oneerlijk is een bepaald voordeel te behalen. Gorr formuleert hieromtrent het volgende principe:
P is moreel gezien verplicht tot het verlenen van assistentie aan Q, die zich in een noodsituatie bevindt waar P niets aan kan doen, wanneer hij dat kan door een gedraging te verrichten daarbij in aanmerking genomen dat iedere te verwachten compensatie niet meer dan een minimale verslechtering van zijn situatie zal opleveren in vergelijking tot die situatie zoals die zou zijn als geen assistentie zou zijn verleend. Om dergelijke assistentie te verlenen is het P (normaal gesproken) toegestaan alleen datgene in rekening te brengen dat voorkomt dat zijn positie minimaal verslechtert.13
Volgens Gorr dwingt de persoon die een exploiterend aanbod doet de ander niet erop in te gaan. Hij maakt geen inbreuk op de vrijheid van een ander. Het gaat er ook niet om dat hij meer krijgt dan hij heeft gegeven. Het voorstel is exploiterend omdat hij niet zo veel heeft gedaan voor de ander als hij zou moeten doen.14
Bij Gorr lijkt zowel de exploitatie door onmacht als de exploitatie door omstandigheden onder de mutually advantageous exploitation te vallen. Dit onderzoek hanteert een andere indeling. Het schaart enkel het misbruik van omstandigheden onder de wederzijds voordelige uitbuiting. De uitbuiting die gepaard gaat met misbruik van onmacht wordt gekwalificeerd als harmful exploitation. Onmacht wordt aanwezig geacht bij minderjarigen en bij verstandelijk gehandicapten. Iemand die doelbewust een uitbuitend voorstel doet aan een kind of aan een verstandelijk gehandicapt persoon, en vervolgens daadwerkelijk uitbuit, richt schade aan bij het betreffende kind of de geestelijk gehandicapte. Net zoals bij misleiding wordt bij het uitbuitende voorstel geen druk uitgeoefend op het kind of de verstandelijk gehandicapte om iets te doen (of niet te doen). De slachtoffers hebben de mogelijkheid anders te handelen. Maar verondersteld wordt dat de slachtoffers die mogelijkheid niet beseffen. Daardoor wordt in wezen de negatieve vrijheid gemanipuleerd en ingeperkt. De slachtoffers handelen naar de wil van de uitbuiter. Een uitbuiter kan een klein kind van zeven jaar bijvoorbeeld zwaar huishoudelijk werk aanbieden voor €2,- per uur gedurende veertig uur per week. Het kind kan weigeren of betere voorwaarden bedingen, maar de vraag is in hoeverre het kind zich daarvan bewust is. De minderjarige heeft zich nog niet zodanig ontwikkeld dat het beseft dat ‘nee’ zeggen of onderhandelen opties zijn. Hetzelfde geldt voor een verstandelijk gehandicapte. Ook bij ‘on-machtigen’ is de instemming aldus geschaad.
De aanname dat minderjarigen en verstandelijk gehandicapten die akkoord gaan met uitbuiting zich niet realiseren wat hun mogelijkheden zijn, wordt zwakker naarmate de kinderen ouder zijn en de verstandelijke beperking kleiner is. Een kind van zeventien is veel beter in staat te begrijpen dat een uitbuitend voorstel kan worden geweigerd dan een kind van zeven. Er is wat dat betreft een glijdende schaal. Het risico dat bij kinderen en zwakzinnigen de vrije wil of de keuzemogelijkheid de facto niet bestaat is evenwel heel groot. Slechts een beperkt deel van de kinderen en de verstandelijk be- perkten zal de keuze voor uitbuitend werk weloverwogen kunnen maken. Bij de overgrote meerderheid kan ervan worden uitgegaan dat de instemming met uitbuiting geen rationele keuze is. De facto was er voor deze slachtoffers geen alternatief en heeft de uitbuiter de keuzeoptie van de slachtoffers bepaald. De vrijheid is aldus ingeperkt door de uitbuiter. Dat maakt de uitbuiting harmful.
Overigens is de differentiatie in dit onderzoek tussen volwassenen, kinderen en verstandelijk beperkte personen in het hele rechtssysteem terug te zien.15