Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/2.1
2.1 Resultaat: oneerlijk economisch gewin
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS389787:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dikke Van Dale (online editie).
Kwant 1975, p. 93 en 163.
Verkuyl 1982, p. 144.
Zie ook Wertheimer & Zwolinski 2016, § 1.1.
Wertheimer & Zwolinski 2016, § 2.1.
Dit proefschrift gaat ervan uit dat ‘oneerlijke profijttrekking’ is vast te stellen op basis van een ‘normale marktwaarde’ van producten en diensten. Zie ook Wertheimer & Zwolinski 2012, § 3 en Wertheimer & Zwolinski 2016, § 2.2 en 2.3.
Er kan discussie ontstaan of de rijke man die een pak koopt ver boven de marktwaarde daadwerkelijk een voorbeeld is van ‘oneerlijke profijttrekking’. De oneerlijkheid wordt afgemeten aan de marktwaarde. Een prijs (ver) boven de marktwaarde is oneerlijk. Maar wat is de marktwaarde? Ligt de marktwaarde van pakken in luxe winkels wellicht hoger? En is in casu dan wel sprake van oneerlijke profijttrekking? Ook al zal het vaak lastig zijn de marktwaarde van producten of diensten te bepalen, dit onderzoek gaat uit van de veronderstelling dat er een marktwaarde is. Het is dan mogelijk van ‘oneerlijke profijttrekking’ te spreken zonder dat de oneerlijkheid betrekking heeft op het totstandkomingsproces. Oneerlijke profijttrekking is daardoor een breder begrip dan uitbuiting. Zoals hierna zal blijken, speelt bij uitbuiting de wijze van ontstaan eveneens een rol.
Wertheimer & Zwolinski 2012, § 3 en Wertheimer & Zwolinski 2016, § 2.3.1.
In het algemeen betreft uitbuiting de oneerlijke profijttrekking van een ander. Van Dale omschrijft uitbuiten (met betrekking tot een persoon) als ‘het op ongunstige condities laten werken om er zoveel mogelijk aan te verdienen’.1 Het gaat om oneerlijk economisch gewin.
Deze dissertatie is gericht op de uitbuiting van een persoon door een ander persoon. Het betreft aldus uitbuitende transacties tussen individuen. Dit boek heeft geen betrekking op uitbuiting op systeemniveau of macroniveau. Het gaat ook niet over het begrip uitbuiting zoals in het Marxistische denken is terug te zien. Marx keerde zich tegen het kapitalisme. Kapitalisme is het systeem dat winst maakt door middel van arbeidsinkoop. Binnen een dergelijk systeem leeft volgens Marx een enkeling of groep over de rug van andere mensen. Uitbuiting wordt hier gekoppeld aan de financiële meerwaarde die wordt verkregen door het inzetten van arbeidskrachten. De meerwaarde of winst is het verschil tussen kostprijs en opbrengst van aangekochte arbeid.2 Als een arbeidskracht bijvoorbeeld acht uur werkt, terwijl de arbeidskracht in zes uur een waarde voortbrengt die gelijk is aan de hem voor zijn arbeid uitbetaalde waarde, dan is datgene wat hij in die overige twee uur voortbrengt de meerwaarde die aan de ondernemer toekomt.3 Het lastige van deze benadering is dat het moeilijk is de ‘meerwaarde’ van arbeid te bepalen.4 Bovendien is het bijna gelijkschakelen van winststreven met uitbuiting zoals in het Marxisme gebeurt, te weinig onderscheidend. Het behalen van winst als zodanig heeft in de hedendaagse samenleving bovendien geen negatieve connotatie. Pas als op een onrechtvaardige manier voordeel wordt behaald ten koste van een ander is sprake van uitbuiting. Wertheimer en Zwolinski scherpen de definitie dan ook verder aan en onderscheiden twee relevante factoren: 1) het resultaat en 2) het totstandkomingsproces. Dat de uitbuiter oneerlijk voordeel moet genieten of dat zijn intentie daar in ieder geval op moet zijn gericht, spreekt voor zich. De auteurs vergelijken uitbuiting met andere vormen van wangedrag zoals discriminatie en onderdrukking. Als een werkgever een sollicitant niet wil aannemen vanwege zijn geaardheid of ras, dan discrimineert hij. Maar het zou raar zijn dan te stellen dat de werkgever de sollicitant heeft uitgebuit. Hij heeft immers geen profijt getrokken van het onrecht jegens de sollicitant en daar was het hem ook niet om te doen. En hetzelfde geldt voor onderdrukking. Stel dat persoon A persoon B slaat. Als A niet profiteert van deze actie en ook niet die intentie heeft, dan is het geweld verkeerd, maar niet uitbuitend.5
Als uitbuiting evenwel enkel betrekking zou hebben op ‘oneerlijke profijttrekking’ dan zouden oneindig veel overeenkomsten uitbuiting betreffen.6 Zo zou uitbuiting aan de orde zijn bij een rijke man die doelbewust een duur pak koopt in een luxe winkel terwijl de waarde van het pak eigenlijk veel lager ligt.7 De man had ook naar een minder luxueuze winkel kunnen gaan, en een vergelijkbaar pak voor minder geld kunnen aanschaffen. De vrije keuze die de man maakt, de positie waarin de man verkeert en het effect dat het kopen van het dure pak op hem heeft, zorgen ervoor dat de situatie geen uitbuiting betreft. Kennelijk is er dus nog een tweede factor van belang. Dat is het totstandkomingsproces.8 De volgende vraag is dan: welk defect in de totstandkomingsprocedure zorgt ervoor dat een overeenkomst een uitbuitende overeenkomst betreft? Is dat een overeenkomst die onder dwang tot stand is gekomen? Dient de vrijheid van de persoon die wordt uitgebuit te zijn ingeperkt? En wat is vrijheid en dwang? De volgende subparagrafen gaan hierop in.