Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.7:5.7 Contractuele aansprakelijkheid en art. 2:11 BW?
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.7
5.7 Contractuele aansprakelijkheid en art. 2:11 BW?
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS303646:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie: MvA EK, Kamerstukken I, 1985/86, 16 631, nr 27b, p. 22; Gerechtshof Den Haag 13 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2619, r.o. 5.3 en Rechtbank Rotterdam 4 februari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:879, r.o. 4.1.
Zie daarover: par. 5.9.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:11 BW heeft mijns inziens geen betrekking op contractuele aansprakelijkheid. Daarmee is dan ook een belangrijke beperking van de normatieve reikwijdte van art. 2:11 BW gegeven.1 Let wel: het gaat hierbij om contractuele aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, niet om contractuele aansprakelijkheid van de bestuurde rechtspersoon. Art. 2:11 BW spreekt over “aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder […]”. Dit staat overigens los van het feit dat contractuele aansprakelijkheid van de bestuurde rechtspersoon onder omstandigheden kan leiden tot aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder.2
Een andere mening treft men aan bij Akkermans. Laatstgenoemde merkt op dat alle verbintenissen of uit overeenkomst of uit de wet ontstaan. Ook de verbintenis uit overeenkomst ontstaat – zo merkt Akkermans op – uiteindelijk uit de wet. Bestuurders van rechtspersonen – of dat nu zelf weer rechtspersonen zijn of niet – kunnen in die hoedanigheid onrechtmatig handelen of overeenkomsten sluiten. Voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen zijn zij volgens Akkermans aansprakelijk. Naar de mening van Akkermans rust die aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW ook op bestuurders.
Zover als Akkermans gaat – althans wat de aansprakelijkheid uit overeenkomst betreft – wil ik niet gaan. Ik vraag mij overigens af over welke “laag” Akkermans spreekt indien hij het heeft over het sluiten van overeenkomsten in de hoedanigheid van bestuurder. Indien de bestuurde rechtspersoon een overeenkomst aangaat, zal het veelal de bestuurder van die rechtspersoon zijn die in hoedanigheid van bestuurder de overeenkomst namens de bestuurde rechtspersoon aangaat (“de heer X, te dezen handelend in zijn hoedanigheid van zelfstandig bevoegd bestuurder van rechtspersoon Y”). Ik zie niet in dat de bestuurder (de heer X in het voorbeeld) in een dergelijk geval – behoudens bijkomende omstandigheden – aansprakelijk wordt. Indien hij zichzelf (tot zekerheid) verbindt, is art. 2:11 BW niet toepasselijk. Dat artikel heeft namelijk geen betrekking op vormen van vrijwillige aansprakelijkheid.
Indien sprake is van aansprakelijkheid van een eerstegraads rechtspersoon- bestuurder wegens het niet-nakomen van verplichtingen die voor die bestuurder voortvloeien uit een overeenkomst, is naar mijn mening art. 2:11 BW gelet op het vorenstaande niet toepasbaar. Het staat partijen bij een overeenkomst echter wel vrij om in die overeenkomst een regeling te treffen die overeenkomt met het bepaalde in art. 2:11 BW.Vgl. De Groot 2011, p. 142. Zie ook Van Schilfgaarde 1986, nr. 58 en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:11 BW, aant. 6.4. Een dergelijke regeling komt er dan op neer dat een eerstegraads rechtspersoon-bestuurder zich jegens de wederpartij van de bestuurde rechtspersoon bijvoorbeeld hoofdelijk verbindt tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de betreffende overeenkomst en dat de betreffende aansprakelijkheid tevens rust op de bestuurders van die rechtspersoon-bestuurder. Een dergelijke verklaring ziet men in de praktijk echter vrijwel nooit. Uiteraard verlangt een wederpartij wel vaak dat een rechtspersoon- bestuurder zich als borg verbindt, dan wel zich als hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Een uitbreiding tot tweedegraads bestuurders zal in de regel expliciet plaatsvinden (zodat de wederpartij exact weet wie hij in voorkomend geval aan kan spreken en de schuldenaren weten wie aansprakelijk zijn) en niet door het van overeenkomstige toepassing verklaren van art. 2:11 BW (“X, Y en Z verbinden zich jegens A hoofdelijk tot nakoming van de verplichtingen die voor B uit de overeenkomst voortvloeien…”).