Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.9.1:9.4.9.1 Het Groenboek
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.9.1
9.4.9.1 Het Groenboek
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581150:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Commissie heeft in het Groenboek een aantal voorstellen gedaan om de toegang tot bewijsmateriaal te vergemakkelijken. Toegang van verzoekers tot bewijsmateriaal is essentieel om op doeltreffende wijze schadevorderingen te kunnen instellen. De Commissie vraagt zich in het Groenboek af of er bijzondere voorschriften behoren te zijn inzake de openbaarmaking van schriftelijke bewijzen in civiele schadeprocedures en zo ja, op welke wijze deze openbaarmaking moet worden georganiseerd. Uit het onderzoek in § 9.4 en de deelconclusie in § 9.4.8 is gebleken dat er voor de gelaedeerde van een mededingingsinbreuk de nodige obstakels bestaan bij de verkrijging van bewijs in de voorfase. De vraag van de Commissie of er bijzondere voorschriften behoren te zijn inzake de openbaarmaking van schriftelijke bewijzen (vraag A van het Groenboek), kan dan ook niet direct worden ontkend.
De Commissie stelt in het Groenboek vijf opties voor. De eerste optie luidt als volgt:
'Documenten moeten openbaar worden gemaakt zodra een partij de relevante feiten van de zaak omstandig heeft uiteengezet en het redelijkerwijze beschikbare bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar stellingen ("act pleading"). Openbaarmaking moet worden beperkt tot relevante en redelijkerwijze geïdentificeerde individuele documenten en moet door een rechter worden bevolen.'
De tweede optie luidt:
'Onder voorbehoud van 'act pleading', moet - op bevel van een rechter - verplichte openbaarmaking van categorieën documenten tussen partijen mogelijk zijn.'
De derde optie luidt:
'Onder voorbehoud van "f act pleading", rust op elke partij de verplichting de andere partijen in het geding een lijst te verstrekken van relevante documenten die in haar bezit zijn en voor hen toegankelijk zijn.'
De vierde optie luidt:
'Het opleggen van sancties ingeval bewijsmateriaal wordt vernietigd om de onder de opties 1 tot en met 3 beschreven openbaarmaking te waarborgen.'
De vijfde optie luidt:
'De verplichting relevant bewijsmateriaal te bewaren. Overeenkomstig dit voorschrift kan een rechter nog voor het begin van een civiele procedure bevelen dat bewijsmateriaal dat relevant is voor de daaropvolgende procedure wordt bewaard. De partij die om een dergelijk rechterlijk bevel verzoekt, moet evenwel het redelijkerwijze beschikbare bewijsmateriaal overleggen om te staven dat er op het eerste gezicht sprake is van een inbreuk.'
De eerste optie houdt in dat documenten openbaar moeten worden gemaakt zodra een partij de relevante feiten van de zaak 'omstandig heeft uiteengezet en het redelijkerwijze beschikbare bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar stellingen ('fact pleading').' De Commissie doelt hier op de zogenaamde disclosure van documenten. Als gevolg van deze beperkte vorm van disclosure die bovendien alleen kan plaatsvinden door een bevel van de rechter, wordt voorkomen dat er misbruik van dit instrument kan worden gemaakt. Bij de tweede optie gaat het om bepaalde categorieën documenten die op bevel van de rechter verplicht openbaar moeten worden gemaakt. Bij de derde optie is een bevel van de rechter niet vereist. Er dient een lijst van relevante documenten aan de wederpartij te worden overlegd. De vierde optie regelt als sanctie een (afschrikkende) boete die kan worden opgelegd. De vijfde optie maakt het mogelijk dat de rechter voor het begin van de civiele procedure kan bevelen dat á het relevante bewijsmateriaal wordt bewaard en niet in de papierversnipperaar verdwijnt. Uiteraard behoort de gelijktijdige invoering van een aantal genoemde opties tot de mogelijkheden.
Bij deze mogelijke oplossingen dient wel een kanttekening te worden geplaatst voor wat betreft hardcore restricties. Bij hardcore restricties is het grootste probleem het bijeenkrijgen van het bewijs van de relevante feiten. De juridische beoordeling van dergelijke hardcore restricties vergt een minder uitgebreid onderzoek dan bij restricties met een mededingingsbeperkend effect. Wanneer uit het onderzoek van de voorwaarden van een overeenkomst in hun juridische en economische context op zich reeds blijkt van een verstoring van de mededinging, kan er van worden uitgegaan dat deze overeenkomst tot doel heeft de mededinging te beperken of vervalsen zodat de gevolgen ervan (behoudens het toetsen van de merkbaarheid) niet behoeven te worden onderzocht.1 Het is maar zeer de vraag of met de voorgestelde oplossingen van de Commissie de gelaedeerden het bewijs van verboden hardcore restricties in handen zullen krijgen. Zelfs de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten lukt het vaak niet om tijdens een onderzoek verboden hardcore restricties aan te tonen (zonder hulp van 'verklikkers' die een beroep doen op de clementieregeling), terwijl zij over veel meer onderzoeksbevoegdheden beschikken om bewijs te verzamelen.2
Uit het rechtsvergelijkende onderzoek behorende bij het Groenboek blijkt dat de rechter in alle EU lidstaten ten minste enige bevoegdheden heeft om aan partijen en mogelijke derden opdracht te geven documenten op tafel te leggen. Het belangrijkste verschil tussen de common law traditie en de continentale (civil law) traditie is gelegen in het feit dat in de common law landen disclosure grotendeels door de partijen zelf wordt geregeld met een minimale controle door de rechter. In de continentale traditie speelt de rechter vaak een grotere rol bij de bewijsvergaring dan in de common law traditie.3 In de continentale traditie is disclosure veel minder gebruikelijk en is de partij die een beroep doet op openbaarmaking veelal afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de wederpartij.