Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.8.2.4
9.8.2.4 De ontwikkeling van borgtocht in het Nederlandse recht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648721:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Loeff 1891, p. 228-229.
Zie Van Boom 1999, p. 10 en de daar aangehaalde literatuur.
Voor een andere opvatting zie bijvoorbeeld Van Hugenpoth tot den Beerenclaauw, 1890, p. 40. Zie voorts Asser/Kleijn 5-IV 1988, nrs. 188-189 en Bergervoet 2014, par. 2.4.1.
Een schuld gaat een bepaalde partij aan, wanneer een partij draagplichtig is. Gedacht kan worden aan een schuld in verband met een aan beide schuldenaren geleverde prestatie, een prestatie waar beide schuldenaren van profiteren. Een ander voorbeeld is een schuld die voortvloeit uit een door twee partijen gezamenlijk gepleegde onrechtmatige daad.
Koops 2010, p. 265.
Diephuis 1890, p. 330-331; Van Hugenpoth tot den Beerenclauw 1890, p. 19 en Opzoomer 1894, p. 135, nr. 3.
Diephuis 1890, p. 330-331 en Van Hugenpoth tot den Beerenclauw 1890, p. 19.
Opzoomer 1894, p. 135, nr. 3.
HR 21 februari 1913, NJ 1913/577.
HR 21 februari 1913, NJ 1913/577, p. 578.
Het antwoord is ook van groot praktisch nut omdat de bepalingen inzake de interne verhouding tussen de schuldenaren verschillen bij hoofdelijkheid en borgtocht. In HR 21 februari 1913 ging het over de vraag of een door de schuldeiser aan een der borgen gedane kwijtschelding van een gedeelte van de schuld ook leidde tot de vermindering van hetgeen van de andere borg kon worden gevorderd.
De literatuur was verdeeld kritisch over het arrest, maar over het algemeen konden de meeste auteurs zich vinden in het oordeel dat sprake was van borgtocht waarbij de borg afstand had gedaan van een aantal van de aan hem toekomende rechten. Zie Scholten 1917 en Asser/Kamphuisen 3-III 1960, p. 813 en Asser/Kleijn 5-IV 1988, nr. 191.
HR 21 februari 1913, NJ 1913/577.
De bestudering van de ontwikkeling van borgtocht in het Nederlandse recht is interessant wanneer wordt bedacht dat het groepsregime, dat thans is opgenomen in artikel 2:403 BW, werd geïntroduceerd toen het OBW nog gold. Bij de introductie van het groepsregime had de wetgever niet de keuze uit de rechtsfiguren borgtocht of hoofdelijkheid zoals we die nu kennen. Voor wat betreft hoofdelijkheid en borgtocht had de wetgever de keuze uit de rechtsfiguren hoofdelijkheid en borgtocht zoals die toen golden. In voorgaande paragraaf is de regeling van borgtocht reeds aangehaald:
Artikel 2288 Code Civil
Celui qui se rend caution d’une obligation se soumet envers le créancier à satisfaire à cette obligation, si le débiteur n’y satisfait pas lui-même.
De regeling van borgtocht die is opgenomen in het OBW luidt als volgt:
Artikel 1857 OBW
Borgtogt is eene overeenkomst waarbij een derde zich ten behoeve van den schuldeischer verbindt om aan de verbindtenis van den schuldenaar te voldoen indien deze niet zelf daaraan voldoet.
De regeling van borgtocht in het OBW is een nagenoeg identieke kopie van de regeling van borgtocht in de Code Civil. En net als in de Code Civil was de scheidslijn tussen borgtocht en hoofdelijkheid moeilijk vast te stellen en beslist niet duidelijk. In artikel 1857 OBW lijkt het subsidiaire karakter een vast onderdeel te zijn van de rechtsfiguur borgtocht. Dit vloeit naar mijn idee voort uit “indien deze niet zelf daaraan voldoet.” Het subsidiaire karakter van de borgtocht was in het OBW bovendien ook geregeld in artikel 1868 OBW en hoewel daarbij bij het aangaan van de borgtocht van kon worden afgeweken, maakte subsidiariteit onderdeel uit van de standaardborgtocht zoals die in de wet was geregeld. Misschien werd dit subsidiaire karakter, wat de consoliderende rechtspersoon een sterk verweermiddel zou geven, niet wenselijk geacht in het kader van de groepsvrijstellingsregeling en is mogelijk daarom niet voor borgtocht gekozen. Aangezien overwegingen voor de keuze van hoofdelijkheid en voor het niet kiezen van borgtocht in de parlementaire geschiedenis ontbreken, zullen we dit nooit weten.
Het afhankelijke karakter van borgtocht was reeds terug te vinden in het OBW, waarin is aangegeven dat een borgtocht niet kan bestaan zonder hoofdverbintenis. Een uitzondering daarop was echter wel mogelijk. Voor verbintenissen die vernietigd konden worden, kon de verbintenis van de borg blijven bestaan ook na de vernietiging van de hoofdverbintenis:
Artikel 1858 OBW
Geene borgtogt kan bestaan, of er moet een wettige hoofdverbintenis zijn. Men kan zich niettemin borg stellen voor eene verbintenis, al mogt die ook kunnen vernietigd worden door eene exceptie, welke alleen den verbondene in persoon betreft, bij voorbeeld in geval van minderjarigheid.
Het tweede deel van artikel 1858 OBW doet denken aan een karaktertrek van hoofdelijkheid, waarbij de hoofdelijk verbonden schuldenaren een zelfstandige verbintenis hebben die niet afhankelijk is van de andere hoofdelijke verbintenis. Het subsidiaire karakter van de borgtocht was in het OBW geregeld in artikel 1868 OBW:
Artikel 1868 OBW
De borg is jegens den schuldeiser niet tot betaling gehouden, dan bij gebreke van den schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten uitgewonnen worden.
De bescherming die de borg onder het OBW geniet uit hoofde van zijn subsidiaire positie, is erg sterk. Niet voldoende is dat de hoofdschuldenaar eerst is aangesproken. Het OBW schrijft voor dat de goederen van de hoofdschuldenaar eerst daadwerkelijk moeten zijn uitgewonnen. Dit past bij de borgstelling die wordt gedaan uit onbaatzuchtigheid. Op de sterke subsidiaire positie moet wel enige nuancering worden aangebracht. De borg die niet aangesproken wenste te worden voordat de hoofdschuldenaar was uitgewonnen, diende wel actie te ondernemen. In artikel 1870 en 1871 OBW was namelijk het navolgende bepaald:
Artikel 1870 OBW
De schuldeischer is niet verpligt den hoofdschuldenaar eerst uit te winnen, dan wanneer de borg, op de eerste geregtelijke tegen hem gerigte aanspraak, zulks vordert.
Artikel 1871 OBW
De borg die de uitwinning van den hoofdschuldenaar vordert moet aan den schuldeischer de goederen van denzelven aanwijzen, en de noodige penningen voorschieten om de uitwinning te bewerkstelligen.
Hij kan geene aanwijzing doen van goederen, waarover geschil in regtenbestaat, noch van dezoodanige welke voor de schuld zijn gehypothekeerd, en waarvan de schuldenaar niet meer in het bezit is, noch eindelijk van goederen buiten het koningrijk gelegen.
Daarnaast was de subsidiaire positie van de borg onder het OBW niet absoluut. Net als in de Code Civil kon hiervan worden afgeweken. Artikel 1869 OBW luidt als volgt:
Artikel 1869 OBW
De borg kan niet vorderen dat des schuldenaars goederen vooraf uitgewonnen worden:
Wanneer hij van het voorrecht tot uitwinning heeft afstand gedaan;
Wanneer hij zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar verbonden heeft; in welk geval de gevolgen van deszelfs verbintenis geregeld worden naar de beginselen welke ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld;
Indien de schuldenaar eene exceptie kan in het midden brengen, welke hem alleen en persoonlijk betreft;
Indien de schuldenaar zich in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen bevindt;
Ingeval van geregtelijke borgtogt.
Uiteraard werd in de praktijk geregeld gebruikgemaakt van de mogelijkheid om subsidiariteit uit te sluiten. Indien afstand werd gedaan van het voorrecht tot uitwinning, was de borg, evenals bij hoofdelijkheid, direct aansprakelijk. Een andere overeenkomst tussen borgstelling en hoofdelijkheid was het uitgangspunt dat een borg – evenals een hoofdelijk schuldenaar – was gehouden de gehele vordering te voldoen wanneer hij door de schuldeiser werd aangesproken. Dat gold eveneens wanneer meerdere partijen zich tot borg hadden gesteld ten aanzien van dezelfde schuld:
Artikel 1873 OBW
Wanneer verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de gehele schuld verbonden.
Tegen een vordering om de gehele vordering te voldoen – terwijl er meerdere borgen waren ten aanzien van dezelfde schuld – kon een borg wel opkomen, voor zover hij geen afstand had gedaan van zijn recht tot schuldsplitsing:
Artikel 1874 OBW
Niettemin kan elk hunner, zoo hij geen afstand heeft gedaan van het voorregt van schuldsplitsing, op de eerste geregtelijke aanspraak, vorderen dat de schuldeischer zijne schuldvordering alvorens verdeele, en dezelve vermindere tot het aandeel van elken deugdelijk verbonden borg.
Indien, ten tijde dat een der borgen de schuldsplitsing heeft doen uitspreken, een of meerdere medeborgen onvermogend zijn, is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor de onvermogenden te voldoen; maar hij is niet aansprakelijk, indien derzelver onvermogen na de schuldsplitsing is opgekomen.
Eind 20e eeuw deed Loeff onderzoek naar hoofdelijkheid in het OBW. Hij heeft bepleit dat de borg en de hoofdschuldenaar zich tot elkaar verhouden als hoofdelijk schuldenaren.1 Loeff heeft voldoende aanleiding gezien om de borg als een (correaal) medeschuldenaar van de hoofdschuldenaar te kwalificeren.
Zoals hiervoor reeds uiteen werd gezet, ziet correaliteit op een sterke mate van juridische lotsverbondenheid van schuldenaren. Een kenmerk van correaliteit is dat de schuldenaren gezamenlijk zijn verbonden tot het voldoen van dezelfde schuld. Tegenover correaliteit stond solidariteit, waarbij de positie van iedere gebonden schuldenaar meer zelfstandig is. Het idee dat het Romeinse recht twee verschillende vormen van hoofdelijkheid kende, is ontstaan omdat de Romeinsrechtelijke teksten op sommige plaatsen spreken van una eademque obligatio – wat duidt op het bestaan van één verplichting (obligatio) tot welke verplichting meerdere schuldenaren zijn verbonden – terwijl op andere plaatsen wordt gesproken van plures obligationes – wat duidt op het bestaan van meerdere verplichtingen, iedere schuldenaar heeft jegens de schuldeiser een eigen verplichting die valt te onderscheiden van de verplichtingen die de andere schuldenaren hebben. Een sterke mate van juridische lotsverbondenheid kan duiden op een band tussen schuldenaren die past bij de (gezamenlijke) hoofdelijke gebondenheid.
Overigens bleek uit het OBW niet zonder meer dat de daarin opgenomen rechtsfiguur hoofdelijkheid een correaal karakter had. De meningen daarover waren dan ook verdeeld.2 Wordt uitgegaan van een vorm van hoofdelijkheid met een meer solidair karakter, dan is het onderkennen van correaal karakter bij borgtocht niet eens nodig om de borgtocht als een species van hoofdelijkheid te kunnen beschouwen. De visie van Loeff die verschillende correale elementen van de borgtocht had vastgesteld en concludeerde dat de rechtsfiguur borgtocht een vorm van hoofdelijkheid was, was niet de heersende opvatting.3
Naast het feit dat het OBW geen duidelijke afbakening aanbracht tussen de rechtsfiguren hoofdelijkheid en borgtocht en dat op basis van de wet niet zonder meer de conclusie kon worden getrokken dat borgtocht geen vorm van hoofdelijkheid was, kende het OBW ook nog een tweetal rechtsfiguren die overlap vertoonden met zowel borgtocht als hoofdelijkheid. Artikel 1331 OBW bevatte een regeling waarbij een partij die een persoonlijke zekerheid verschafte extern als hoofdelijk schuldenaar had te gelden, terwijl hij in de interne rechtsverhouding als borg had te gelden:
Art. 1331 OBW
Indien de zaak waarvoor verscheidene personen zich als hoofdelijke mede schuldenaren hebben verbonden slechts een van hen aangaat zijn zij wel ieder voor het geheel aan den schuldeischer verbonden maar onder elkander worden zij beschouwd als borgen voor dengenen wien de zaak betreft en moeten dienvolgens door denzelven worden schadeloos gesteld.
Deze rechtsfiguur levert een hybride variant op die het midden houdt tussen hoofdelijkheid en borgtocht. In de externe verhouding is sprake van hoofdelijkheid terwijl intern sprake is van borgtocht. Deze rechtsfiguur was van toepassing op situaties waarin partijen zich uit eigen beweging jegens een schuldenaar hoofdelijk hadden verbonden, terwijl de zaak slechts één van hen aangaat.4De facto is er dan sprake van een zekerheidsstelling en dus niet een situatie waarvoor hoofdelijkheid eigenlijk is bedoeld. Hoofdelijkheid was ook onder het OBW bedoeld voor een situatie waarin meerdere schuldenaren gehouden kunnen worden een schuld te voldoen ten aanzien van een zaak die hen allen aan gaat:
Artikel 1316 OBW
Er heeft hoofdelijke verbindtenis van de zijde der schuldenaren plaats, wanneer zij allen verpligt zijn tot eene en dezelfde zaak, zoo dat elk hunner voor het geheel kan worden aangesproken, en de voldoening, door een van hen geschied, de overige schuldenaars ten aanzien van den schuldeischer bevrijdt.
In hun externe verhouding met de schuldeiser zijn de schuldenaren volgens de regels van hoofdelijkheid gebonden maar intern wordt de hoofdelijkheid geconverteerd naar borgtocht. Dat in de externe verhouding de regels van hoofdelijkheid moeten worden gevolgd, is verklaarbaar. Zou de afgesproken hoofdelijkheid worden geconverteerd naar borgtocht, dan zou de schuldeiser ernstig worden benadeeld, omdat de borg een sterke bescherming genoot die aan de schuldeiser kon worden tegengeworpen, zoals het recht van uitwinning (subsidiariteit). Dat hadden partijen waarschijnlijk niet bedoeld en beoogd toen de zekerheidsverschaffer jegens de schuldeiser verklaarde hoofdelijk gebonden te zullen zijn voor een schuld van een derde. Deze rechtsfiguur, waarbij een onbenoemde zekerheidsverschaffer zichzelf tot hoofdelijk schuldenaar heeft verklaard, lijkt op haar beurt weer sterk op de rechtsfiguur waarbij een borg zich als hoofdelijk schuldenaar had verbonden. In het reeds hiervoor geciteerde artikel 1869 OBW wordt onder 2° aangegeven dat een borg zich kan verbinden als hoofdelijk schuldenaar. De rechtsfiguur waarbij een borg zich verbindt tot hoofdelijk schuldenaar wordt ook wel aangeduid als ‘hoofdelijke borgtocht’. De hoofdelijke borgtocht, waarbij onder meer afstand werd gedaan van het recht op uitwinning, was in de praktijk de meest voorkomende borgtochtvariant. In zijn onderzoek concludeert Koops het volgende:5
“Borgen verbonden zich ‘als borg en hoofdelijk medeschuldenaar’ of ‘onder afstand van alle voorrechten’. Een dergelijk beding kwam voor in nagenoeg alle akten van borgtocht. Hoewel men nooit zover is gegaan om er een bestendig gebruikelijk beding in te zien, dat kon worden ingelezen waar het was weggelaten, kan zonder meer worden vastgesteld dat borgen naar de normale vorm op gelijke voet met de hoofdschuldenaar tot betaling aangesproken konden worden.”
Wanneer een borg verklaarde zich hoofdelijk te verbinden, was de vraag wat nu precies de status was van deze borg. Was er nog steeds sprake van een borg (die slechts afstand had gedaan van een aantal rechten die een reguliere borg toekwamen)? Of viel een borg, die zich hoofdelijk had verbonden, niet meer te kwalificeren als borg en was hij verworden tot een hoofdelijk schuldenaar? De meningen daarover liepen uiteen. Ten aanzien van de interne verhouding waren de auteurs het er in het algemeen over eens dat de regels van borgtocht van toepassing waren.6 Ten aanzien van de externe verhouding werd enerzijds betoogd dat het nog steeds om borgtocht ging en de borg slechts afstand had gedaan van een aantal hem toekomende rechten.7 Anderzijds werd betoogd dat de ‘hoofdelijke borg’ had te gelden als een hoofdelijk schuldenaar en dat hij op gelijke voet met de hoofdschuldenaar was gebonden.8 De Hoge Raad moest uiteindelijk een oordeel vellen over de vraag of de ‘hoofdelijke borgtocht’ kwalificeerde als een vorm van hoofdelijkheid of als een vorm van borgtocht.9 De Hoge Raad overwoog daaromtrent het volgende:10
“Ten aanzien van dit middel worde vooropgesteld dat, waar vaststaat, dat eischer en de medeverweerder zich voor en met Franciskus Raaijmakers hebben gesteld als borgen en hoofdelijke schuldenaren, deze vóór alles het karakter van borgen behouden, zodat de op borgtocht betrekkelijke wetsbepalingen op hen toepasselijk geacht moeten worden. Immers, ook art. 1869 2°. B. W. onderstelt dat de borg, die zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar verbindt zijne hoedanigheid van borg niet prijs geeft, daar de bewoordingen van voormeld artikel slechts beoogen aan te duiden dat de aldus verbonden borg is verstoken van de exceptiën van schuldsplitsing en uitwinning, maar niet, dat hij in alle opzichten gelijk te stellen is met hoofdelijke schuldenaren.”
De Hoge Raad oordeelde dat in het geval van een zekerheidstelling, waarbij weliswaar was gekozen voor de term ‘als borgen en hoofdelijk schuldenaren’, vóór alles het karakter van borgstelling op deze juridische relatie behouden bleef en de bepalingen van borgtocht van toepassing waren.11 De Hoge Raad heeft zijn betoog gebaseerd op artikel 1869 onder 2° OBW. De beslissing is duidelijk al heeft de Hoge Raad geen uitgebreide dogmatische beschouwing gegeven ten aanzien van de fundamentele vraag wanneer een verbintenis heeft te gelden als borgtocht en wanneer als hoofdelijkheid.12
Geconstateerd kan worden dat het OBW veel flexibiliteit bood ten aanzien van de mogelijkheden om de borgtocht te laten aansluiten bij de wensen van de gebruikers. Uit de geschiedenis blijkt dat er in de praktijk een sterke behoefte bestond aan hybride varianten van hoofdelijkheid en borgtocht. In de praktijk werden de termen ‘hoofdelijkheid’ en ‘borgtocht’ door elkaar en in combinatie met elkaar gebruikt. De in de praktijk meest gebruikte zekerheid was de ‘hoofdelijke borgtocht’, waarvan de Hoge Raad had aangegeven dat deze zekerheidsstelling het karakter van borgtocht had en de bepalingen van borgtocht van toepassing waren. Door de uitsluiting van de voornaamste rechten die een borg te zijner bescherming toekwamen, verschilde de praktische consequenties van de hoofdelijke borgtocht wezenlijk van de reguliere borgtocht. De reguliere borgtocht was ontwikkeld als een zekerheid die uit onbaatzuchtigheid werd aangegaan. Het was daarom van wezenlijk belang dat de term ‘hoofdelijk’ werd gebezigd om te voorkomen dat een borgtocht tot stand werd gebracht waarbij de borg een zeer sterke bescherming genoot.
De groepsvrijstelling is ingevoerd toen het OBW geldend recht was. Gezien het feit dat het OBW geen duidelijke scheidslijn trok tussen hoofdelijkheid enerzijds en borgtocht anderzijds en de wet ruimte bood voor hybride varianten die aansloten bij de behoefte van de praktijk, was de keuze voor hoofdelijkheid of borgtocht wellicht niet zo zwart-wit als thans het geval is onder het huidige recht. Hoewel er met de uitspraak van de Hoge Raad uit 191313 een onderscheid werd gemaakt tussen hoofdelijkheid en borgtocht, bestonden er verschillende varianten die overlap vertoonden met beide rechtsfiguren. Wellicht dat ten tijde van de invoering van de groepsvrijstellingsregeling de reguliere borgtocht schuldeisers niet de gewenste bescherming bood. De consoliderende rechtspersoon zou als reguliere borg te veel bescherming toekomen. Het opnemen van de term borgstelling zou niet tot de gewenste bescherming leiden. Het opnemen van de term ‘hoofdelijk’ was nodig om te voorkomen dat aan de consoliderende rechtspersoon de sterke bescherming van de reguliere borg zou toekomen. Aangezien er met een 403-verklaring sprake was van een zekerheidsstelling voor de schuld van een derde, zou sowieso toch al sprake zijn van een zekerheid die het karakter had van een borgtocht en waarop de bepalingen van borgtocht van toepassing waren. Hoofdelijkheid werd echter in de wettelijke regeling van de groepsvrijstelling opgenomen om aan te geven dat het om een hoofdelijke borgtocht moest gaan. De term ‘hoofdelijk borg’ zag op een rechtsfiguur die in de praktijk was ontwikkeld, deze rechtsfiguur was niet in de wet verankerd. Zodoende resteerde de keuze voor hoofdelijkheid. Wellicht maak ik mij met deze gedachtegang schuldig aan een onjuiste herschrijving van de geschiedenis. Maar uit de parlementaire geschiedenis van de groepsvrijstellingsregeling volgt niet dat een bewuste keuze is gemaakt voor hoofdelijkheid. Tevens volgt daaruit niet dat bewust niet is gekozen voor borgtocht.
Bij het opstellen van de groepsvrijstellingsregeling kon niet worden voorzien dat hoofdelijkheid en borgtocht strikter van elkaar gescheiden zouden worden bij de invoering van een nieuw Burgerlijk Wetboek. Borgtocht wordt nu gezien als een species van hoofdelijkheid en van borgtocht is sprake wanneer zekerheid wordt verstrekt voor de schuld van een derde. Ruimte om op maat gemaakte varianten van hoofdelijkheid en borgtocht te creëren was er na de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek niet meer. De bedoeling van de wetgever is dat sprake is van hoofdelijkheid of borgtocht, maar niet van iets daar tussenin. De Hoge Raad houdt na 1992 dan ook strikt de hand aan de afbakening van hoofdelijkheid en borgtocht zodat er voor hybride varianten inderdaad niet zoveel ruimte meer bestaat.