Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.3
2.3 Het criminal charge-begrip en de afbakening tussen bestraffende en herstelsancties in Nederland
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248).
Wet tot invoering van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete in de financiële wetgeving (Stb. 1999, 509).
Kamerstukken 112002/03, 28 870, nr. 3, p. 49. Zie voor een kritiek op deze gedachtegang Noordam, `De Wet werk en bijstand, een introductie', SMA 2004/5, p. 223-224.
CRvB 30 juni 2004, RSV 2004/274; 6 december 2005, RSV 2006/57 en 19 december 2006, RSV 2007/107 en 7 september 2009, RSV 2009/302. In de laatstgenoemde uitspraak werd onomwonden geoordeeld dat dat deze maatregel een criminal charge behelsde.
Kamerstukken 112002/03, 28 870, nr. 3, p. 48 en Kamerstukken 12003/04, 28 870 en 28 960, B, p. 59.
CRvB 31 december 2007, RSV 2008/66.
Zie de noot van Nacinovic bij CRvB 29 juli 2008, JWWB 2008/264 en mijn noot bij CRvB 31 december 2007, RSV 2008/66.
CRvB 14 februari 2001, USZ 2001/97; 16 mei 2001, AB 2003/17 en 19 maart 2003, 00/4466 WW (niet gepubliceerd).
CRvB 2 december 2005, JB 2006/43.
Zie haar noot onder CRvB 2 december, JB 2006/43. Dat de betrokken studente door haar GBA-adres te wijzigen de kans liep dat zij na verloop van vier jaar niet meer in aanmerking kwam voor woonruimte op Terschelling kan — anders dan Albers stelt — geen legitieme reden opleveren om het GBA-adres niet te wijzigen. Het als woonachtig in het ouderlijk huis ingeschreven blijven staan op Terschelling zonder er te wonen, teneinde ook na vier jaar op het eiland terug te kunnen keren, is immers ook een vorm van regelontduiking.
Zie Stijnen, `Evenredigheidstoetsing door de bestuursrechter', NJB 2003/37. In zoverre kan de plaatsing van een rechtvaardigingsgrond in titel 5.1. (Algemene bepalingen inzake handhaving) en de schulduitsluitingsgrond in titel 5.4.1. (Algemene bepalingen inzake de bestuurlijke boete) van de Awb enigszins misleidend zijn. Niet alleen bij maatregelen in de sociale zekerheid, maar ook in het ruimtelijke bestuursrecht kan het ontbreken van verwijtbaarheid een rol spelen. Zo kan opgewekt vertrouwen de handhaving onevenredig maken in de zin van art. 3:4 lid 2 Awb. Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 april 2006, JB 2006/175. Een tegenvoorbeeld is ABRvS 11 september 2002, AB 2003/106. Nu niet voor elke herstelsanctie schuld een rol speelt is de zojuist genoemde indeling in de Awb op zich wel juist.
Ondermeer CRvB 22 februari 2006, LJN AV2476 en 22 februari 2006, AB 2006/215.
CRvB 28 oktober 2009, RSV 2010/2 en 18 november 2009, USZ 2010/1.
Onder meer ABRvS 4 juni 1996, JB 1996/172; 2 mei 2000, AB 2000/267 en 15 februari 2001, JB 2001/88. De Afdeling spreekt hier niet over een criminal charge, maar gewoonweg over sanctie of punitieve sanctie. Met Van de Griend — zie haar verhandeling Het oogmerk als ijkpunt. Bestuurlijke sancties in bestuursrechtspraak en wetgevingsadvisering (2003), p. 24 en onderaan p. 64 - meen ik dat hieruit zeker niet kan worden afgeleid dat de Afdeling van oordeel was dat geen sprake was van een criminal charge. In ABRvS 30 januari 2008, JB 2008/58 (Euro Aktief) overwoog de Afdeling: 'De aan Euro Aktief opgelegde boete is aan te merken als een punitieve sanctie, waarop artikel 6 van het EVRM van toepassing is.'
Zie vooral ABRvS 4 juni 1996, JB 1996/172.
ABRvS 2 november 2005, JB 2006/11. Deze uitspraak is in lijn met de noot van Schreuder-Vlasblom bij ABRvS 2 mei 2000, AB 2000/267.
Vzr CBb 12 augustus 2005, LJN AU0983.
Zie ABRvS 30 november 2005, AB 2006/270; 3 mei 2006, AB 2006/392; 5 juli 2006, AB 2006/394; 15 oktober 2008, JB 2008/259 en 28 oktober 2009, JB 2009/268.
Vz ABRvS 29 april 1998, JB 1998/161; ABRvS 26 augustus 1999, LJNAB2255; 15 januari 2001, VR 2002/6; 7 april 2004, LJN A07139 en 23 november 2005, LJN AU6691.
ABRvS 8 februari 2000, JB 2000/91 en 20 maart 2002, LJN AE0380.
Rb Amsterdam 24 november 2006, LJN AZ4479.
ABRvS 18 juli 2007, AB 2007/349.
Zie ook de noot van Barkhuysen en Den Ouden bij ABRvS 18 juli 2007, AB 2007/349.
ABRvS 30 maart 2001, AB 2001/189.
EHRM 13 december 2005, AB 2006/285.
Gelet op ABRvS 1 juni 2005, AB 2005/247; 28 september 2005, AB 2005/437; 16 november 2005, AB 2005/438 en 15 maart 2006, JB 2006/141 hanteert de Afdeling voor de burger aanzienlijk gunstiger bewijsregels bij kostenverhaal bestuursdwang inzake huisvuil dan de kentekenaansprakelijkheid die volgt uit de Wet Mulder (HR 15 juli 1993, NJ 1994/177), door tegenbewijs toe te laten tegen het vermoeden dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid de overtreder is en daarbij al gauw aan te nemen dat dit tegenbewijs is geleverd.
CRvB 18 februari 2003, RSV 2003/115 en 30 maart 2004, AB 2004/307.
Zie bijvoorbeeld art. 481 Wte 1995.
Onder meer ABRvS 19 september 1996, JB 1996/215 en CBb 4 september 2003, AB 2004/14.
Anders Hartmann en Van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht (1998), p. 88-90.
HR 20 maart 2007, AB 2007/249 en ABRvS 24 december 2003, AB 2004/117. Zie voorts CRvB 26 juni 1997, RSV 1997/195 en Hof Arnhem 22 juni 2004, JB 2004/307.
Het betoog van Hartmann en Van Russen Groen op p. 90 van het eerste deel van hun dissertatie dat de verbeurte en inning slechts kan geschieden indien na overtreding naar aanleiding waarvan de dwangsom is opgelegd, een tweede overtreding heeft plaatsgevonden gaat ook niet altijd op. Indien de last het ongedaan maken van de overtreding behelst, levert het niet nakomen van de last geen nieuwe overtreding op, maar een voorwaarde voor verbeurte van de dwangsom. Indien de last ziet op het staken of niet herhalen van de overtreding (waarop Hartmann en Van Russen Groen blijkbaar hun pijlen richten) dan heeft de lastoplegging zelf in feite slechts de functie van een schriftelijke reminder dat de wet in een concreet geval moet worden nageleefd. Het koppelen van een dwangsom aan die last is dan in de visie van Hartmann en Van Russen Groen vergelijkbaar met een voorwaardelijke boete. In die gedachtegang is dan niet slechts de verbeurte (en de inning) punitief, maar reeds de dwangsom zelf.
Wel werd in ABRvS 8 september 2010, AB 2010/307 overwogen: 'Ingevolge artikel 5:21 van de Awb, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2009, wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Dit brengt met zich dat de toepassing van bestuursdwang er in een geval als het onderhavige slechts toe mag strekken overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid , van deze wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande uitoefening van deze bevoegdheid zou tot gevolg hebben dat de sanctie niet enkel meer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt.'
EHRM 6 juni 2000, JB 2000/266. Zie voorts HR 22 december 2009, JB 2010/41 en ABRvS 25 oktober 2007, AB 2008/142.
Vz ABRvS 26 juni 2009, 1.11(1 BJ1118. Zie ook ABRvS 24 februari 2010, LJNBL5572 waarin het preventieve karakter wordt benadrukt en wordt geoordeeld dat de burgemeester een zekere 'beoordelingsvrijheid' toekomt bij de invulling van het begrip noodzakelijk als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM.
Zie daarover ook Rogier, 'Nieuwe bevoegdheden van de burgemeester. Sancties, bevelen en andere maatregelen', NTB 2010/45, p. 309-314.
Michiels en De Waard, Rechterlijke toetsing van bestuurlijke punitieve sancties (2007), p. 27-30.
Zie in die zin ook onderdeel 5 van de noot van Vermeer bij ABRvS 3 mei 2006, AB 2006/392 (De Danssalon).
Zie daarover ook Rogier, 'Nieuwe bevoegdheden van de burgemeester. Sancties, bevelen en andere maatregelen', NTB 2010/45, p. 309-314.
In ABRvS 15 oktober 2008,JB 2008/259 was sprake van een tijdelijke intrekking van een exploitatievergunning en het bevel tot tijdelijke sluiting van de horeca-inrichting wegens een steekincident. Dit incident leverde respectievelijk nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en schending van de openbare orde op als bedoeld in de APV. De Afdeling sprak hier van een sanctie. In ABRvS 23 september 2009, AB 2010/70 betrof het de intrekking van een vergunning omdat de horeca-exploitant was veroordeeld wegens handel in verdovende middelen. Dit leverde slecht levensgedrag op als bedoeld in de APV. Deze intrekking werd als een reparatoire sanctie geduid. In ABRvS 3 februari 2010, JB 2010/67 lijkt beter aangesloten te worden bij de wetende dogmatiek. Hier werden de weigering en de intrekking van de vergunning onder toepassing van de in art. 3 Wet Bibob aangeduid als maatregelen (die niet zijn gericht op leedtoevoeging).
Zie niet alleen art. 5:4 Awb, maar ook CRvB 6 december 2005, RSV 2006/57 en Vzr Rb Rotterdam 6 juli 2009, JOR 2009/233.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 84-85.
Art. 17p Wet MOT en art. 18oWid. Bij de samenvoeging van die wetten tot Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme is de publicatie van een sanctie overigens geschrapt. Die zou in dit kader weinig toegevoegde waarde hebben, aldus Kamerstukken II 2007/08, 31 237 en 31 238, nr. 6, p. 34.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 420.
Michiels, Naming en shaming in het markttoezichf , NTB 2007/16.
Doorenbos gaat verder en acht de publicatie van een sanctie of van een overtreding een bestraffende sanctie onder meer omdat de publicatie in feite strekt tot (emstige en onherstelbare) reputatieschade. Zie Doorenbos, Naming and shaming (2007), p. 87-91.
Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 302 en 419.
Hof Amsterdam 9 februari 2006, JOR 2006/104; Rb Rotterdam 24 april 2006, JOR 2006/185 en Vrz Rb Rotterdam 3 september 2008, RF 2008/94 (Numico). Het CBb liep met een grote boog om deze kwestie heen in zijn uitspraak van 26 juni 2007, JOR 2007/207. In Rb Rotterdam 8 april 2010, JOR 2010/158 werd overigens uitdrukkelijk in het midden gelaten of de vroegtijdige publicatie van een boete uit hoofde van de Wft zelf een punitieve sanctie behelsde. Geoordeeld werd dat de voorzieningenprocedure die de belanghebbende had kunnen doorlopen voldeed aan art. 6 lid 1 EVRM.
EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila).
HR 18 oktober 1995, BNB 1996/38. Hier kan zeker kritiek op worden geleverd. Dat de naheffing is gebaseerd op een kostenraming lijkt me geen criterium. De opbrengst van boeten zal veelal minder bedragen dan de kosten die zijn gemoeid met toezicht. Zie voorts Hartmann en Van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht (1998), p. 83-97.
HR 25 juni 1997, BNB 1997/275 en CRvB 14 november 2002, RSV 2003/28.
HR 28 januari 1998, RSV 1998/175 en CRvB 26 juni 1997, RSV 1997/195.
CRvB 5 januari 2006, RSV 2006/106 en Hof Leeuwarden 9 december 2005, 1JN: AU8061. Zie ook HR 28 januari 1998, RSV 1998/175.
Zie nogmaals Hartmann en Van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht (1998), p. 83-85.
Ik wijs op Den Houdijker, 'Rechtsbescherming bij bestuurlijke punitieve sancties: een bron van spanning?', in: Bestuurlijke punitieve sancties (2006), de noot van Barkhuysen en Van Emmerik bij EHRM 13 december 2005, AB 2006/285 en de noot van Somsen bij CBb 12 september 2006, JOR 2007/14.
EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila).
Nogmaals wijs ik op de door de CRvB niet geaccepteerde omzetting van de boete als bedoeld in art. 14a Abw in een herstelsanctie als bedoeld in art. 18 WWB (ondermeer CRvB 30 juni 2004, RSV 2004/274). Denk ook aan de vordering in verband met bezit OV-kaart wegens meerinkomen als bedoeld in art. 26 lid 6, onderdeel b, WSF, want de hoogte van de vordering was oorspronkelijk niet aan de kosten van de OV-kaart gekoppeld (CRvB 7 februari 2003, RSV 2003/90). Ook hier is de gedachte 'eens een straf altijd een straf' (wat op zich ook duidelijk één van de gedachten was die ten grondslag liggen aan het eiztiirk-arrest). Denk voorts aan strafkortingen die in feite buiten de originaire rechtsbetrekking liggen (ABRvS 20 november 2002, JB 2003/18 en J73 2003/19). Ten slotte wijs ik op EHRM 23 september 1998, NJCM-Bulletin 2000/4 (Malige), waarin puntenaftrek van het rijbewijs na een verkeersovertreding als bestraffing werd gekwalificeerd.
Tuchtrecht kan wel betrekking hebben op burgerlijke rechten en plichten (bijvoorbeeld EHRM 10 februari 1983, NJ 1987/315). Verder kunnen militair tuchtrecht en het tuchtrecht met betrekking tot de strafexecutie zelf onder omstandigheden overigens wel een strafvervolging opleveren (zie bijvoorbeeld EHRM 26 februari 2002, EHRC 2002/31 en 9 oktober 2001, EHRC 2003,90).
Laten we nu kijken naar de kwalificatie van sancties in de Nederlandse context. Hoewel dit hoofdstuk vooral ziet op de verdragswaarborgen zoals die zijn vormgegeven door het Europees Hof voor de rechten van de Mens, zie ik aanleiding op deze plaats ook de Nederlandse jurisprudentie te bespreken met betrekking tot de kwalificatie van sancties.
Net zoals de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in beweging is kan worden geconstateerd dat er naar nationaal recht ook enige paradigma-wisselingen hebben plaatsgevonden. Onder invloed van de jurisprudentie van het EHRM heeft de wetgever in de tweede helft van de jaren negentig van de twintigste eeuw in de sociale zekerheid de boete ingevoerd vanuit de notie dat een strafkorting op de uitkering vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht een criminal charge opleverde.1 Voorts werd bij de invoering van (een last onder dwangsom en) de boete in het financieel toezicht uitdrukkelijk stilgestaan bij de mensenrechten-verdragen. Zo werd rechtspraak in twee instanties ingevoerd en werd voorts een afzonderlijke last- en boetefunctionaris geïntroduceerd.2 Ook in de Vierde Tranche gaat de regering er van uit dat de bestuurlijke boete altijd een criminal charge is. Met de WWB is in 2004 de korting op de bijstand geherintroduceerd als ware het een preventieve maatregel, ook indien het gaat om een zogenoemde strafkorting wegens inlichtingenverzuim.3 De Centrale Raad van Beroep merkte die maatregel niettemin aan als een penalty met het oog op de vergelijking of sprake was van een gunstiger sanctie als bedoeld in art. 15 lid 1 IVBPR.4 De maatregel wegens het zich ernstig misdragen jegens het college als bedoeld in art. 18 lid 2 WWB werd door de Centrale Raad eveneens — anders dan de wetgever had beoogd5 — als punitief bestempeld.6 Het betrof hier namelijk een norm die zich in feite tot een ieder zou kunnen richten en niet alleen tot de bijstandscliënt. De norm zelf hield inhoudelijk gezien dus geen verband met de bijstandsrelatie, zij het dat die relatie wel een bijkomende voorwaarde vormde om tot overtreding te kunnen komen.7
De Centrale Raad van Beroep is overigens wel geneigd de bedoeling van de wetgever te volgen met betrekking tot de vraag of een korting op een aanspraak al dan niet op leedtoevoeging is gericht. De zojuist genoemde voorbeelden waarin de CRvB de wetgever niet volgde was enerzijds de specifieke situatie dat een boete werd omgezet in een maatregel en anderzijds de situatie dat een nieuwe verbodsnorm tot het zich ernstig misdragen werd ingevoerd, welk handelen ook een commuun delict oplevert. Eerder werd een maatregel — ook in verband met het niet nakomen van de inlichtingenplicht — als overwegend reparatoir aangemerkt. Dat de gedragingen inmiddels met de invoering van de Wet boeten boetewaardig waren geworden en de boete materieel gunstiger uitpakte dan de oude maatregel maakte daarbij niet uit.8 Ook bij de omzetting van de beurs voor een uitwonende student in een beurs voor een inwonende student, indien bij GBA-controle is gebleken dat het verstrekte adres afwijkt van het GBA-adres en de student na daartoe te zijn aangeschreven niet binnen vier weken het GBA-adres in overeenstemming heeft gebracht met het woonadres, is geoordeeld dat het niet gaat om een bestraffende sanctie.
Gelet op de wetsgeschiedenis overwoog de CRvB: 'Naar het oordeel van de Raad moet de (thans) in artikel 1.5 van de WSF 2000 neergelegde regeling mitsdien aldus worden verstaan dat het materiële recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende, anders dan voorheen, mede afhankelijk is gesteld van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende studerende aan appellante als woonadres heeft opgegeven overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de GBA, met dien verstande dat uitwonende studerenden worden geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan indien zij een gebleken afwijking na bekendmaking ervan aan hen binnen vier weken ongedaan maken of laten maken. Verder geldt de voorwaarde van met elkaar overeenkomende adresregistraties niet indien de uitwonende studerende van de afwijking tussen beide woonadresregistraties redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.9
Of dit nu zo ernstig is als Albers10 doet voorkomen betwijfel ik. Daar waar de wetgever kiest om een maatregel of korting op aanspraken in te voeren wordt veelal net als in het voorbeeld hierboven — een afstemmingsbepaling opgenomen en wordt tenminste enige verwijtbaarheid als voorwaarde voor sanctieoplegging gesteld. In dit verband wijs ik op de maatregelen die volgen uit de Wet boeten. Die maatregelen kennen in veel gevallen hetzelfde materiële toetsingskader als de met die wetgeving ingevoerde boeten.11 Tekenend is dat de Centrale Raad van Beroep in het midden heeft gelaten of de loonsanctie als bedoeld in art. 71a WAO bestraffend is: het beleid een loondoorbetalingsverplichting van 4 maanden op te leggen in verband met het ontbreken van een (volledig) reïntegratieverslag is hoe dan ook in strijd met art. 71a lid 9 WAO, dat eist dat het loondoorbetalingstijdvak wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.12 De daarvoor in de plaats gekomen loonssanctie als bedoeld in art. 25 lid 9 Wet WIA maakt wel een directe koppeling tussen het tijdvak waarin de werkgever in verzuim is voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten en de duur van de loonssanctie, hetgeen voor de Centrale Raad aanleiding vormt die loonsanctie uitdrukkelijk als herstelsanctie aan te merken.13
Ook de rechter kan in de loop der tijd anders tegen een sanctie aan gaan kijken zonder dat (gewijzigde) wetgeving daartoe aanleiding geeft. Een bekend voorbeeld is de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid. De Afdeling, die de intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid voordien als een punitieve sanctie had beschouwd,14 onder meer resulterend in een volle evenredigheidstoets van de duur van de intrekking aan de hand van art. 3:4 lid 2 Awb,15 kwam eind 2005 tot de slotsom dat het hier een bestuurlijke keuringsbevoegdheid betrof en dat de intrekking (overwegend) was gericht op herstel. De Afdeling overwoog onder meer:
`Appellant is niet tegengeworpen de overtreding van normen die aan allen of aan bepaalde groepen zijn gesteld ter voorkoming van onaanvaardbare aantasting van het algemeen belang en van de rechten en belangen van anderen. Door het vragen om en aanvaarden van erkenning als keuringsinstantie heeft appellant een publieke taak op zich genomen ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid die hem ook uitsluitend met het oog daarop is toegekend. Voor de uitvoering van die taak is appellant de bevoegdheid toegekend om keuringsbesluiten te nemen. Bij het toezicht op de aanwending van die bevoegdheid staat centraal de beoordeling of hij op de voorgeschreven wijze en met correcte toepassing van de aan voertuigen gestelde technische eisen de juiste keuringsbesluiten heeft genomen. Daarom heeft appellant met de aanvaarding van voormelde publieke taak een risico genomen van verlies van de keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen beperkt is. Met het intrekken van de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen is blijkens de wetsgeschiedenis (in het bijzonder de memorie van toelichting Kamerstukken II 1975-1976, 14 020, nr. 3, bladzijde 40) beoogd het blijvend of tijdelijk ontnemen van de bestuursbevoegdheid tot het afgeven van keuringsbesluiten, in geval aanwending van die bevoegdheid niet voldoet aan de daaraan gestelde normen, waardoor het algemeen belang van de verkeersveiligheid niet wordt gediend. Dat met de intrekking afschrikking door middel van leedtoevoeging is beoogd, blijkt niet; de tekortkomingen zijn naar nationaal recht ook niet als strafbaar feit gekwalificeerd. De ernst van het effect van de maatregel op de bedrijfsvoering is op zichzelf niet bepalend voor het al dan niet punitieve karakter van de maatregel.'16
De vraag is of deze benadering over de hele linie zal worden toegepast. Zo oordeelde de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ook in 2005 nog dat de schorsing van erkenning van een onderneming als monsternemer Meststoffenwet voor de duur van zes weken gelet op het tijdsverloop tussen de gestelde overtreding en de oplegging op leedtoevoeging was gericht.17
Ten aanzien van vergunningen was het onderscheid tussen een tijdelijke en een definitieve intrekking c.q. sluiting volgens de Afdeling soms maatgevend voor de vraag of sprake is van een punitieve sanctie. De gedachte was hier dat een tijdelijke intrekking, hoewel die minder belastend is dan een gehele intrekking, anders dan een gehele intrekking niet zozeer op herstel maar op leedtoevoeging is gericht. Ik heb sterk de indruk dat de Afdeling van dit onderscheid af wil en dergelijke maatregelen toch vooral als reparatoir wil aanmerken.18 In rijbewijszaken — zowel de zogeheten educatieve maatregel als de ongeldigverklaring — is van oudsher volgens de Afdeling geen sprake van een criminal charge.19De Afdeling hangt die maatregelen op aan de oordeelsvorming van het CBR inzake de geschiktheid tot rijden en uitdrukkelijk niet rechtstreeks aan een overtreding. Hier komt het hierna te bespreken onderscheid dat in de literatuur wordt gemaakt tussen sancties en maatregelen in beeld. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling levert de (bijna) volledige intrekking en terugvordering van subsidie, ook indien er bij juiste melding wel een (groter) deel van de subsidie zou zijn verleend, geen bestraffende sanctie op, omdat het geven van de relevante inlichtingen onderdeel uitmaken van de subsidievoorwaarden.20 De rechtbank Amsterdam21 heeft tegen die Afdelingslijn in geoordeeld dat een intrekking en terugvordering van subsidie onder omstandigheden wel een criminal charge oplevert. Daarvan was in dit geval volgens de rechtbank sprake om de volgende redenen: indien sprake zou zijn geweest van een jaarlijkse bijdrage in plaats van een eenmalige subsidie zou volgens de regeling het niet melden van de eigendomsoverdracht met een boete zijn bestraft; de overtreding van de subsidievoorwaarde heeft een equivalent in het strafrecht (art. 227b en 447d Sr); een toelichting bij de regeling ontbreekt, maar de zin van de betreffende bepaling kan slechts worden gevonden in de afschrikwekkende werking die ervan uitgaat; de oplegging van een financiële verplichting valt wat betreft zijn effect niet te onderscheiden van de geldboete; en tenslotte is de zwaarte van de sanctie zeer significant (bij melding was de herziening en terugvordering van de subsidie beperkt gebleven tot 20%, nu moest 75% worden terugbetaald). De rechtbank haalde hier zeker valide argumenten aan, maar de Afdeling ging er niet in mee. Zij herhaalde in haar uitspraak van 18 juli 2007 kortweg dat het terugvorderingsbesluit een reparatoir karakter heeft nu het zijn grond vindt in het feit dat niet is voldaan aan de voor het toekennen van de subsidie verbonden voorwaarde dat de gesubsidieerde die gegevens verstrekt, die nodig zijn voor een juiste toepassing van de regeling.22 In feite komt de Afdelingslijn er op neer dat binnen een subsidierelatie nimmer sprake is van een bestraffende sanctie zolang er niet boven op hetgeen wordt teruggevorderd een bedrag wordt gevorderd.23
Het intrekken van vergunningen, ook al is dit tijdelijk, heeft onmiskenbaar een herstelfunctie, vooral ook omdat de vergunningverlening vaak derden rechtstreeks in hun belang raakt. Men kan dit zien als verlies aan rechtsbescherming, maar die was buiten de volle evenredigheidstoets — in die zaken toch al niet conform de toetsing van bestuurlijke boetes. Zo werd bijvoorbeeld bij bestuurlijke leedtoevoeging in de vorm van een tijdelijke intrekking van de marktstandplaats wegens wangedrag naast een strafrechtelijke vervolging geen dubbele bestraffing aangenomen door de Afdeling.24 Zie in vergelijkbare zin Nilsson waar de intrekking van het rijbewijs volgde na een strafrechtelijke veroordeling, hetgeen volgens het EHRM niet in strijd was met de ne bis in idem-regel.25 Voorts zijn de verschillen in bewijslast bij bestraffende en herstelsancties vaak minimaal,26 terwijl ook de bewijsgaring, en meer in het bijzonder het nemo tenetur-beginsel dat bij strafvervolging geldt, evenmin veel gewicht in de schaal lijkt te leggen.27 Daar waar bijvoorbeeld eerder in het financieel toezichtrecht een strenge functiescheiding gold tussen toezicht (opsporing) en het boetetraject, gold die functiescheiding evenzeer voor lastoplegging, zo volgde uit de Wet IDBB,28 terwijl een dergelijke sanctie in de wet (art. 5:31d Awb) en de jurisprudentie als een typische herstelsanctie wordt beschouwd.29 Met betrekking tot de laatstgenoemde sanctie merk ik nog op dat het verbeuren en de inning van verbeurde dwangsommen niet los kan worden gezien van de last onder dwangsomoplegging zelf.30 Nu de sanctie wordt opgelegd uit een oogpunt van herstel en niet uit een oogpunt van leedtoevoeging, delen de consequenties die daaruit voortvloeien in die kwalificatie.31 De geldschuld is van rechtswege ontstaan door het niet nakomen van de last. De inning zelf vormt dan ook geen zelfstandige sanctie.32 Net als de last onder dwangsom vormt ook de last onder bestuursdwang naar Nederlands recht een herstelsanctie (art. 5:21 Awb).33 Dat geldt dan ook voor het kostenverhaal (art. 5:25 Awb).
In de vorige paragraaf werd er op gewezen dat een vrijheidsbeperkende maatregel, die eruit bestaat dat de betrokkene zich gedurende een bepaalde periode niet in een bepaald gebied mag ophouden geen strafvervolging oplevert.34 Het ligt in de rede om een huisverbod op grond van de Wet tijdelijk huisverbod aan een persoon waarvan een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat als een op preventie gerichte maatregel te benaderen en niet als een bestraffende sanctie.35 Ook hier wordt in verregaande mate inbreuk gemaakt op in art. 8 EVRM neergelegde rechten, maar daaruit volgt nog niet dat sprake is van leedtoevoeging, temeer niet nu het niet gaat om een reactie op een (specifieke) overtreding.36 Het gaat hier ook niet om een zuiver retrospectieve toetsing, want de bestuursrechter kan bij de verlengingsbeslissing acht slaan op de huidige feiten en omstandigheden die al dan niet maken dat sprake is van een voortdurende dreiging, waarbij met name ook de daadwerkelijk op gang gekomen hulpverlening van belang kan worden geacht.37
Daar waar in het algemeen wel overeenstemming bestaat dat de intrekking van een vergunning in beginsel geen criminal charge oplevert, kan nog worden getwist over de vraag of een dergelijk besluit een op herstel gerichte sanctie oplevert of dat in het geheel geen sprake is van een sanctie. Volgens art. 5:2 lid 1, onderdeel a, Awb is sprake van een sanctie indien wegens een overtreding door het bestuursorgaan een verplichting wordt opgelegd of een aanspraak wordt onthouden. Sluit dit met de Vierde tranche gecodificeerde sanctiebegrip aan bij de bestaande opvattingen in de literatuur? Ook volgens Michiels en De Waard is van een sanctie geen sprake indien de vergunningintrekking plaats heeft om een andere reden dan het hebben begaan van een overtreding. Zo achten zij zowel de intrekking voor onbepaalde tijd van het verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, louter omdat de vuurwapens niet langer aan betrokkene kunnen worden toevertrouwd, als de intrekking voor onbepaalde tijd van een horecavergunning op grond van ernstig gevaar voor misbruik als bedoeld in art. 3 van de Wet Bibob geen sanctie.38 Het bestuurlijk oordeel dat noopt tot vergunningintrekking zal echter wel steeds zijn gestoeld op de constatering en waardering van eerdere overtredingen, met dien verstande dat die overtredingen zich niet noodzakelijkerwijs hoeven af te spelen binnen het handhavingsdomein van het betrokken bestuursorgaan. Daar sancties een reactie op een overtreding vormen, zijn die in beginsel zelf niet normstellend.39 Voor maatregelen die geen sancties vormen kan dat anders liggen. Zo zal de intrekking van een horecavergunning door de burgemeester uit een oogpunt van openbare orde zelf normstellend zijn in die zin dat het café zijn deuren zal moeten sluiten. De belastende beschikking is hier het resultaat van een feitenwaardering door het bestuursorgaan waarbij het beoordelingruimte toekomt.40 Eerst indien de activiteiten zonder vergunning worden voortgezet zal dan sprake zijn van een overtreding en kan een herstelsanctie zoals een last onder dwangsom worden ingezet. In de jurisprudentie wordt dit onderscheid tussen herstelsancties en andere maatregelen niet altijd scherp gemaakt.41 Het onderscheid heeft niettemin theoretisch en ook praktisch belang, omdat bij sancties — zowel herstelsancties als bestraffende sancties — het legaliteitsbeginsel er aan in de weg zal staan dat het bestuursorgaan beoordelingsruimte toekomt ter zake van de feitenkwalificatie.42
Een aanwijzing als bedoeld in art. 1:75 Wft is geen sanctie. Niet alleen omdat de aanwijzing op de voet van het tweede lid geen reactie is op een overtreding, maar ook omdat art. 5:2 lid 2 Awb de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen uitsluit van het sanctiebegrip. In dit verband kan worden gewezen op de wetsgeschiedenis van dit tweede lid:
`Een aantal bestuursrechtelijke wetten geeft aan een bestuursorgaan de bevoegdheid om een burger of een onderneming de verplichting op te leggen bepaalde handelingen ter naleving van wettelijke voorschriften te verrichten. Men spreekt dan wel van een zelfstandige of enkelvoudige last. Bekende voorbeelden zijn de aanschrijving tot woningverbetering ingevolge artikel 14 Woningwet, de eis tot naleving ingevolge artikel 27 Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de bindende aanwijzing van de directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie ingevolge artikel 5a Elektriciteistwet 1998. Tegen het niet uitvoeren van een dergelijke last kan veelal met bestuurlijke sancties worden opgetreden. In veel gevallen wordt echter ook de last zelf opgelegd naar aanleiding van een overtreding. De wetgever heeft het in deze gevallen echter wenselijk geacht, dat het bestuur eerst nader zou concretiseren welke verplichtingen voor de burger uit de overtreden norm voortvloeien, alvorens naleving van die verplichtingen daadwerkelijk door het bestuur kan worden afgedwongen. Gelet hierop is het niet wenselijk ook de enkelvoudige last zelf als een bestuurlijke sanctie aan te merken. Nu de omschrijving van het eerste lid daaromtrent enige twijfel zou kunnen doen rijzen, is in het tweede lid uitdrukkelijk bepaald dat een enkelvoudige last geen bestuurlijke sanctie is.43
Welk karakter heeft de openbaarmaking van een door het bestuur geconstateerde overtreding of van een last of een bestuurlijke boete? Tot voor kort ging de wetgever er van uit dat de publicatie van een overtreding door de toezichthouder op leedtoevoeging was gericht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de in art. 48t van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 opgenomen una via-bepaling. Ook onder de Wet melding ongebruikelijke transacties en onder de Wet identificatie bij dienstverlening kwamen dergelijke una via-bepalingen voor.44 De Wft-wetgever is echter omgegaan: niet langer is de publicatie van een overtreding, van een last onder dwangsom of van een bestuurlijke boete een punitieve sanctie.45 Michiels46 betoogt dat de publicatie weliswaar niet voldoet aan het sanctiebegrip in art. 5:2 lid 1, onderdeel a, Awb (het betreft immers geen opgelegde verplichting of het onthouden van een aanspraak), maar dat het niettemin een sanctie is omdat het gaat om een reactie op een overtreding. Bovendien gaat het volgens Michiels in elk geval om een bestraffende sanctie indien de publicatie een bestuurlijke boete betreft.47 Hier kan men twijfelen. Het doel van de publicatie van overtredingen en van sancties is het waarschuwen van de consumenten en/of de betreffende markt en dus preventie.48 Bovendien kan men zich afvragen wat de meerwaarde is om de publicatie in strijd met de tekst van art. 5:2 Awb als sanctie te kwalificeren en niet als een maatregel, waarbij ik opmerk dat gelet op de aard van de rechtshandeling beoordelingsruimte hoe dan ook geen rol speelt: er is sprake van een openbaar te maken overtreding of van een te publiceren sanctie of niet. In de jurisprudentie wordt vooralsnog aangenomen dat publicatie niet is gericht op leedtoevoeging.49 Het strafrecht voorziet in openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak als bijkomende straf (art. 9 lid 1, onderdeel b, onder 3, Sr en art. 7, onderdeel g, WED). Naar nationaal recht is dan wel sprake van bestraffing.
Welke fiscale maatregelen kwalificeren als een criminal charge? Met Jussila50 is duidelijk dat fiscale boetes als zodanig kwalificeren. In hoofdstuk 1 zagen we dat de naheffingsaanslag met kostenopslag, anders dan de Mulder-boete, niet is geduid als bestuurlijke boete, maar als het zuiver in rekening brengen van kosten die gemoeid zijn met de naheffing.51 Voor zover de bestuurder van een onderneming ingevolge de Wet bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor belasting- premieverhoging is wel sprake van een criminal charge.52De toepassing van het hoge anoniementarief is een maatregel die niet op leedtoevoeging is gericht,53 met als gevolg dat daarnaast een boete kan worden opgelegd wegens het niet in de loonadministratie opnemen van de sofi-nummers van werknemers.54
Bestraffende bestuurlijke sancties zijn vooral boeten. De bestuurlijke boete heeft — anders dan andere bestuurlijke sancties en maatregelen — twee duidelijke kenmerken die het een bestraffend karakter geven. Ten eerste valt de boeteoplegging buiten de originaire rechtsbetrekking55 tussen het bestuur en de overtreder en ten tweede heeft de boete onmiskenbaar het oogmerk van leedtoevoeging. Uit verschillende hoek wordt het centraal stellen van het oogmerk bekritiseerd.56 De in bepaalde gevallen wellicht te terughoudend uitgevoerde evenredigheidstoets bij herstelsancties acht ik onvoldoende reden om het oogmerkcriterium in te ruilen voor het zwaartecriterium. Dit laatste ketst ook af op het Jussila-arrest. 57 In beginsel zou hier toch de terughoudende toets aan het in art. 3:4 lid 2 Awb en andere wettelijke bepalingen besloten liggende evenredigheidsbeginsel voldoende soelaas moeten bieden. Immers, naarmate een herstelmaatregel meer ingrijpend uitpakt voor de overtreder, zal eerder sprake zijn van nadelige gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, tenzij ook de met het besluit te dienen doelen in gelijke verhouding zwaarwegender zijn. Door de hoofdregel te aanvaarden dat door de wetgever als zodanig gekwalificeerde boeten bestraffend zijn als bedoeld in art. 6 EVRM en andere sancties — enige uitzonderingen daargelaten58 — niet, wordt het woud aan bestuurlijke sancties wat betreft de kwalificatie althans minder schimmig en kan met betrekking tot het als bestraffende bestuursrecht aangemerkte deel van het bestuursrecht meer indringend bekeken worden in hoeverre strafrechtelijke leerstukken zich lenen voor toepassing in dat bestuursrecht. Dit lijkt ook de inzet van de Vierde tranche, die zich immers wat betreft leedtoevoeging in beginsel59 beperkt tot de bestuurlijke boete. Ook het tuchtrecht, waaronder het ambtenarentuchtrecht — hoe interessant ook — zal ik met het oog hierop verder buiten beschouwing laten.60