Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/2.2.1
2.2.1 Toegang tot het recht is toegang tot advocaten
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS597283:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het betreft een impliciet recht, dat afgeleid is van het recht op een eerlijk proces: Vande Lanotte & Haeck 2005, p. 90.
De geldigheid van arbitrale bedingen of bindend-adviesclausules in het algemeen wordt geaccepteerd. Bax 2000, p. 216.
Smits 1996, p. 34-6, Vande Lanotte & Haeck 2005, p. 92-3, Kuijer 2004.
Vande Lanotte & Haeck 2005, p. 95-7. Volgens art. 13 EVRM (recht op een daadwerkelijke rechtshulp) heeft bij schending van een van de verdragsrechten een ieder recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Voor een beroep op art. 13 moet er met andere woorden een `arguable claim' bestaan ten aanzien van een ander artikel uit het EVRM (EHRM 27 april 1988, A.131, Boyle en Rice tegen het Verenigd Koninkrijk) Wel hebben de Lid-Staten in deze een zekere beoordelingsmarge (EHRM 27 augustus 1997, NJ 1999, 463). Zie voorts EHRM 27 augustus 1997, NJ 1999, 464. Volgens de annotator J.C.J. Dute volgt uit deze uitspraak van het Europese Hof in twee Zweedse zaken dat het voor een effectieve rechtsbescherming niet noodzakelijk is dat de betrokkene ook vooraf zich tot de rechter kan wenden om de toelaatbaarheid van de medische gegevensverstrekking aan de rechter voor te leggen.
De twee basis (tegenovergestelde) consolidatieregimes die bij de aanpak van massaschade gehanteerd worden zijn `opt in' en `opt out'. Bij `opt in' onderwerpt de benadeelde zich aan de procesdwang. Bij `opt out' wordt hij daaraan onderworpen. Een uitgebreide uitleg van de regimes vindt respectievelijk plaats in hoofdstukken 3 en 4.
Ik prefereer om van 'keuzevrijheid' in plaats van 'partijautonomie' te spreken, omdat het laatste begrip een heel specifieke betekenis heeft in de Nederlandse dogmatiek en hier derhalve voor verwarring zou kunnen zorgen.
Illustratief hiervoor is het advies van de Raad van State over wetsvoorstel 29 414 (Collectieve afwikkeling massaschade): Kamerstukken II, 29 414, 2003-2004, nr. 4.
De eerste en oudste denkgolf over het concept van toegang tot het recht is te herleiden tot de verplichting van elke overheid en elke staat om te zorgen voor een effectieve rechtsbescherming van burgers, door onder meer een effectieve toegang tot een overheidsrechter te waarborgen. Deze verplichting is neergelegd in nationale en in Europese wetgeving, respectievelijk in art. 17 GW en 6 en 13 EVRM.1 Overigens blijken deze rechten minder absoluut te zijn dan op het eerste gezicht lijkt. Zo is het omstreden of art. 17 GW doorwerkt in private rechtsverhoudingen ofwel horizontale werking heeft2 en hebben de lidstaten bij de invulling van het recht uit art. 6 EVRM een zekere beoordelingsvrijheid.3 Soortgelijke kanttekeningen worden ook bij art. 13 EVRM geplaatst. De directe werking daarvan is lange tijd een punt van discussie geweest.4 In de context van massaschade wordt door sommigen aan deze artikelen extra veel gewicht toegekend, omdat de afwikkeling onvermijdelijk tot enige vorm van 'consolidatiedwang' of van 'gedwongen samenwerking' in het proces leidt, ook al kent de mate van dwang verschillende gradaties.5 Hoewel 'consolidatiedwang' zich dus op verschillende manieren kan manifesteren, impliceert deze dwang steeds een zekere beperking van de `keuzevrijheid'6 van de betrokkenen, waardoor een vorm van 'collectiviteit' wordt gecreëerd. Dat wordt met name bij `opt out' als problematisch ervaren en wordt door sommigen zelfs als een (onaanvaardbare) inbreuk op iemands recht op de toegang tot het recht7 aangemerkt.
Ook de verplichting van de staat om te zorgen dat tevens adequate rechtsbijstand aanwezig is via een van overheidswege gefinancierd stelsel van rechtshulp, wordt tot de eerste golf gerekend (legal aid-benadering). Toegang tot het recht staat hier gelijk aan toegang tot advocaten.