De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.1:8.6.1 Inleiding
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.1
8.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652138:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2005 (r.o. 3.8), NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge; JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de Laurus-beschikking van de Hoge Raad volgt dat de civiele rechter op het enquêtedossier een bewijsvermoeden kan gronden voor zover de betreffende bestuurders en commissarissen zijn verschenen in de tweede fase van de enquêteprocedure. De rechter kan voorshands bewezen achten dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.1
Na een korte uiteenzetting van de in de literatuur onderscheiden soorten bewijsvermoedens (par. 8.6.2), duid ik de betekenis en reikwijdte van het in Laurus aangenomen bewijsvermoeden in par. 8.6.3. Hierna beschrijf ik de betekenis van de vaststelling van verantwoordelijkheid voor het wanbeleid of onjuist beleid voor het aannemen van een bewijsvermoeden (par. 8.6.4) en de wijze waarop in de lagere jurisprudentie wordt omgegaan met het bewijsvermoeden uit Laurus (par. 8.6.5). In par. 8.6.6 bespreek ik tot slot in hoeverre ruimte bestaat om aan het bewijsvermoeden uit Laurus te ontkomen door strategische procesvoering.