Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.3.2
2.3.2 De Hoge Raad gaat om
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583935:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Ook Van Schellen 1985a, nr. 6 en 7 wijst hierop.
HR 3 februari 1927, NJ 1927/636 m.nt. E.M. Meijers (Haagsche Post/Ligterink).
Aan het geringe verschil in formulering van het criterium in Haagsche Post/Ligterink en Staatsspoorwegen/Smit ga ik hier gemakshalve voorbij.
In die zin ook Schut 1963, p. 86.
HR 18 november 1927,NJ 1928/123 m.nt. E.M. Meijers (Kaufmann’s Huidenhandel/Kalker Norden). In deze zaak gebruikte de Hoge Raad het criterium om een schadebeperkingsplicht aan te nemen. Meijers schrijft: “De hier gegeven beslissing zal het rechtsgevoel van velen onbevredigd laten. Zij is ook m.i. onjuist.” Vgl. ook Bloembergen 1965, nr. 275 die de “omweg” van het adequatiecriterium in het kader van de schadebeperkingsplicht “gewrongen en weinig verhelderend” acht. Overigens gebeurde dit niet alleen in Nederland; Green 1927, p. 3 schrijft: “The attempt which common law courts have made to resolve every major problem of legal liability in tort into terms of causal relation marks the most glaring and persistent fallacy in tort law.”.
Zie voor een overzicht van rechtspraak Schut 1963, p. 86.
Vgl. ook Meijers 1935, p. 554 die over deze maatstaf schrijft: “Dit wijst op een waarschijnlijkheid, die niet zooveel onder de 50 pCt. ligt.”
Zo betoogden ook Meijers 1935, p. 554, 570 en Vigelius 1935, p. 845, 852. Zie over dit vereiste nader § 2.5.4.
In dezelfde zin Van Schellen 1985a, nr. 8 t/m 12.
Ook omdat een beschrijvingsprobleem ontstaat: moet ook worden voorzien dat de invaliditeit ontstaat door een tweede mislukte operatie, of is voldoende dat te voorzien is dat de aanrijding tot invaliditeit leidt? Zie hierover nader § 4.3.2.
49. Na dit voorspel in de literatuur begon de Hoge Raad in 1927 met het gebruiken van het criterium, en varianten daarop, of de schade het redelijkerwijze te verwachten gevolg is van de onrechtmatige daad of de wanprestatie.
50. Aanvankelijk gebruikte de Hoge Raad dit criterium om de grenzen van aansprakelijkheid te verruimen. Op die manier ontkwam hij aan de onbillijk scherpe begrenzing waartoe het vereiste van een rechtstreeks gevolg leidde.1
Het eerste arrest waarin dit gebeurde is Haagsche Post/Ligterink.2 Het weekblad de Haagsche Post had een open brief gepubliceerd van een bankier met alarmerende berichten over een beursgenoteerde N.V. Het weekblad plaatste hierbij bovendien een artikel, onder de kop “Circa vijftig miljoen verkapte verliezen. Schromelijk gemanipuleerde balansen”, waarin de inhoud van de brief werd onderschreven en de indruk werd gewekt dat meer en uitvoeriger onthullingen zouden volgen. De hoofdredactie van de Haagsche Post wist echter dat de inhoud van de brief en de publicatie onjuist was. Nadat de beurskoers van aandelen in de N.V. aanzienlijk was gedaald, besloot een aandeelhouder, Ligterink, om zijn aandelen te verkopen teneinde verdere schade te voorkomen. Toen vervolgens aan het licht kwam dat de publicatie onjuist was, herstelde de beurskoers zich. Ten gevolge van de publicaties had Ligterink zijn aandelen te goedkoop verkocht en aldus schade geleden. De rechtbank wees Ligterinks vordering jegens de Haagsche Post af: Ligterink had toch immers zélf zijn aandelen verkocht, waardoor geen sprake was van het vereiste rechtstreekse causale verband. De Hoge Raad vernietigde en oordeelde dat indien de schade “het redelijkerwijze te verwachten gevolg” is van de onrechtmatige daad, deze schade geldt als “het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg” en dan voor vergoeding in aanmerking komt.
In hetzelfde jaar oordeelde de Hoge Raad in het arrest Staatsspoorwegen/Smit3 dat indien de schade “het naar ervaringsregelen als niet onwaarschijnlijk te verwachten” gevolg is van de wanprestatie, de schade tevens geldt als een “onmiddellijk gevolg” van de wanprestatie. In deze zaak lag in de causale keten tussen de wanprestatie en de schade van de gelaedeerde (Smit) een vrijwillige gedraging van een derde (Machiels). Bij strikte toepassing van de voorwaarde van het onmiddellijk gevolg, had hierdoor geen verplichting tot vergoeding van die schade aangenomen kunnen worden.
51. De Hoge Raad gebruikte in deze twee zaken het criterium van redelijkerwijs te verwachten gevolg als voldoende voorwaarde: als de veroorzaakte schade redelijkerwijs voorzienbaar is, dan geldt de schade ook als het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van de onrechtmatige daad of van de wanprestatie en is aan het causaliteitsvereiste voldaan.4 Hoewel hiermee aansprekende resultaten werden bereikt, was de redeneerwijze gekunsteld: twee duidelijk verschillende criteria – het redelijkerwijs te verwachten gevolg enerzijds en rechtstreeks gevolg anderzijds – werden aan elkaar gelijkgesteld.5
Vervolgens ging de Hoge Raad het criterium ook gebruiken als noodzakelijke voorwaarde voor aansprakelijkheid. In 1927 eerst in het geval van wanprestatie, in Kaufmann’s Huidenhandel/Kalker Norden,6 en in 1929, in Intercueros/De Twentsche Bank,7 ook bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad oordeelde dat slechts als de schade het “naar ervaringsregelen te verwachten” gevolg is van de onrechtmatige daad of van de wanprestatie, zij ook het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg daarvan is. In latere arresten laat de Hoge Raad in het geval van onrechtmatige daad de voorwaarde van rechtstreeks en onmiddellijk gevolg gewoon weg.8
52. Voor het geval van tekortschieten in de nakoming van een verbintenis ontstond zo een merkwaardige constellatie van beperkingen van de omvang van de schadevergoedingsverplichting. In het geval van ongekwalificeerd tekortschieten was deze verplichting op grond van art. 1283 (oud) BW begrensd tot schade die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voorzienbaar was of had kunnen worden voorzien, en op grond van art. 1284 (oud BW) gold bovendien, vanwege de besproken jurisprudentie, de begrenzing tot schade die het redelijkerwijs te verwachten gevolg was van het tekortschieten. In het geval van arglistig tekortschieten gold alleen deze laatste voorwaarde. Meijers sprak niet ten onrechte van een:
“wel zeer subtiel stelsel, hetwelk ook niet in de bedoeling van de ontwerpers van dit onderscheid [tussen de regeling voor de situatie van ongekwalificeerd tekortschieten en de regeling voor de situatie arglistig tekortschieten] gelegen heeft.”9
53. Niet geheel duidelijk is wat de oorsprong van de door de Hoge Raad gebruikte formule van het redelijkerwijs of naar ervaringsregels te verwachten gevolg is. Scholten had verdedigd beslissend te maken of de onrechtmatige daad de mogelijkheid van het gevolg objectief heeft vergroot, Simons of de mogelijkheid bestond dat de schade zou ontstaan, was te voorzien of te duchten, en Zevenbergen of de schade kon worden voorzien. In Haagsche Post/Ligterink beoogde de Hoge Raad als gezegd de grenzen voor aansprakelijkheid te verruimen. Het spreekt op het eerste gezicht aan om de schadevergoedingsverplichting zich in ieder geval te laten uitstrekken tot de veroorzaakte schade die het redelijkerwijs te verwachten gevolg van een onrechtmatige daad of wanprestatie is, ook als niet kan worden gezegd dat die schade het rechtstreekse gevolg daarvan is. Waar de Hoge Raad in de latere arresten het criterium gebruikte om aansprakelijkheid te begrenzen, lijkt hij een aanzienlijk strengere maatstaf te hanteren dan Scholten, en ook een scherper criterium te gebruiken dan Simons. In de door de Hoge Raad gehanteerde term ‘verwachten’ ligt immers besloten dat er een behoorlijke kans was dat het gevolg ook zou intreden,10 terwijl Scholten en Simons dat niet lijken te verlangen. Het criterium van de Hoge Raad lijkt wel enigszins op dat van Zevenbergen.
Men zou overigens ook kunnen zeggen dat de Hoge Raad met dit criterium in wezen het in art. 1401 (oud) BW besloten liggende vereiste van schuld aan de schade, zowel voor onrechtmatige daad als wanprestatie, toepaste.11
In § 2.3.3 bespreek ik nader dat dit criterium van de Hoge Raad aanmerkelijk strenger was dan hetgeen door de Duitse adequatietheoretici was verdedigd en ook aanmerkelijk strenger was dan de adequatiecriteria die door het Reichsgericht en later door het Bundesgerichtshof gehanteerd werden.
54. Dat het criterium van de Hoge Raad minder gelukkig was om aansprakelijkheid mee af te grenzen, bleek vrijwel dadelijk:
Ik geef twee voorbeelden. (1) In Dubbele operatie12 veroorzaakte Teunissen op onrechtmatige wijze een aanrijding waarbij Nieuwveld voor 50% invalide geraakte. Na een operatie en massagetherapie werd het invaliditeitspercentage verminderd tot 15%. Teneinde het invaliditeitspercentage nog verder terug te brengen, besloot Nieuwveld een tweede operatie te laten plaatsvinden. Die operatie mislukte waardoor zijn invaliditeit weer tot 50% vermeerderde. Was Teunissen ook aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de invaliditeit die door het mislukken van de tweede operatie is ontstaan? Het hof oordeelde van wel, en de Hoge Raad liet dat arrest in stand. (2) In de zaak Haringstal13 parkeerde De Soet zijn auto op het Valkenboschplein in Den Haag op twaalf meter afstand van een haringkraam en liet de sleutel in het contactslot zitten met het portier onafgesloten. Gedurende de enkele minuten waarin De Soet een paar haringen koopt, maakte een minderjarige joy rider zich van zijn auto meester. In de buurt van Utrecht schoot deze joy rider met de auto door de middenberm en kwam in botsing met een tegenligger, een personenauto. Eén van de inzittenden van deze personenauto liep hierdoor zwaar lichamelijk letsel op. Het hof oordeelde dat het handelen van De Soet in strijd was met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, oordeelde het causale verband tussen de normschendende gedraging en de schade aanwezig en oordeelde De Soet aansprakelijk voor de schade. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.
Was nu redelijkerwijs te verwachten dat Teunissen, na zijn bijna volledig herstel, zou besluiten tot een operatie en die operatie zou mislukken, met aanzienlijke invaliditeit tot gevolg? Was het redelijkerwijs te verwachten dat, met het enkele minuten onbeheerd achterlaten van een auto met de sleutel in het contactslot, een joy rider zich van de auto meester zou maken en in de buurt van Utrecht een ernstig verkeersongeval zou veroorzaken? Enigszins afhankelijk van de mate van waarschijnlijkheid die men in de voorwaarde van het redelijkerwijs te verwachten gevolg leest, laat zich dit naar ik meen minder goed volhouden.14 In ieder geval lijkt het criterium niet bepaald behulpzaam te zijn in deze gevallen.15