Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 7.1.0:7.1.0
Vormfouten (SteR nr. 19) 7.1.0
7.1.0
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS615546:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stb. 1996, 522.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het op 2 november 1996 in werking getreden1art. 359a Sv luidt als volgt:
De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.’
De meeste rechtspraak over deze bepaling heeft betrekking op gewone strafzaken die zijn behandeld door rechtbank, hof en Hoge Raad. In dit boek zijn die zaken dan ook het meest vertegenwoordigd. Art. 359a Sv kan echter ook in andere procedures direct of indirect een rol spelen.