Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.6:7.1.6 Tussenconclusie
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.1.6
7.1.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617868:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8789, NJ 2008/591. Deze herzieningszaken waren het gevolg van de ontdekking dat structureel door een bepaald geurproefteam de geldende protocollen waren geschonden, zodat de door dit team uitgevoerde geurproeven voor het bewijs van onwaarde waren, terwijl deze in een flink aantal zaken wel waren gebruikt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat binnen de strafrechtelijke keten de zittingsrechter in het algemeen bij uitstek degene is die gevolgen kan verbinden aan vormfouten in het voorbereidend onderzoek, met uitzondering van vormfouten die van invloed kunnen zijn op de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen waarop in paragraaf 7.3 wordt ingegaan. In procedures die voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting hun beslag kunnen krijgen, zoals de 552a-procedure of de procedure strekkende tot uitlevering ter strafvervolging, is de ruimte voor toetsing en redres beperkt. Dat geldt ook voor de procedures die kunnen plaatsvinden na het onderzoek ter terechtzitting, zoals een ontnemingsprocedure of een WOTSprocedure.
De rechtspraak van de Hoge Raad getuigt ervan dat voorkomen moet worden dat in de voorafgaande procedures wordt vooruitgelopen – zowel inhoudelijk met een oordeel dat later in de weg zit, als procedureel met een tijdrovende ‘eerste ronde’ in een aan de terechtzitting voorafgaande procedure – op het beter geïnformeerde en meer genuanceerde oordeel van de zittingsrechter, terwijl in de procedures daarna een herhaling van zetten moet worden vermeden. De beoogde concentratie bij de zittingsrechter is begrijpelijk en alleszins te billijken, zeker in het licht van de mogelijkheid van herziening in geval later ernstige vormfouten aan het licht komen, welke mogelijkheid bijvoorbeeld in de zogenaamde Geurproefzaken is benut.1 In de procedure bij de zittingsrechter is de toegang tot de voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden optimaal en hij beschikt over een genuanceerd reactiearsenaal. In andere procedures zijn vaak wel bepaalde trekken herkenbaar van de toetsing die de zittingsrechter uitvoert, maar is de toetsing inhoudelijk beperkt tot enkele aspecten van een zaak, terwijl schakeringen in de voor toepassing in aanmerking komende rechtsgevolgen meestal ontbreken. Een belangenafweging aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de procedure ‘as a whole’ is in de voorfase ook niet mogelijk. Minder fundamentele vormfouten kunnen in deze andere procedures meestal nergens toe leiden. Voor de procedures met een internationaal aspect houdt dat mede verband met het vertrouwen in de buitenlandse rechtspleging waarop de aan dergelijke procedures ten grondslag liggende verdragsrelaties zijn gebaseerd.