Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.4.3
IV.3.4.3 A) ‘Normale aansprakelijkheidsregels zijn te streng’
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460149:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is erop gewezen dat kan worden betwijfeld of de ernstig verwijt-doctrine daadwerkelijk leidt tot een hogere aansprakelijkheidsdrempel. Westenbroek 2018a, par. 7.5, Westenbroek 2017, par. 10.8, voetnoot 339; Karapetian 2019, par. 2.7. Ik meen dat die drempel toch hoger is, vanwege het signaal dat de ernstig verwijt-maatstaf afgeeft aan rechters, en vanwege de dogmatische obstakels die deze lastig toepasbare en onduidelijke maatstaf oplevert voor de aansprakelijkheid van bestuurders. De bedoeling van het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel is bovendien expliciet benoemd door de Hoge Raad in o.a. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2. De ernstig verwijt-maatstaf levert bovendien een aanvullend, constitutief aansprakelijkheidscriterium op die bij toepassing van de ‘gewone regels voor onrechtmatige daad’ er niet was geweest. Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), waarin het enkele vervullen van aansprakelijkheidsvereisten van artikelen 3 en artikelen 7 (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 kennelijk niet voldoende werd geacht; daarnaast was voor persoonlijke aansprakelijkheid van de trust-bestuurder een ernstig verwijt zijdens de bestuurder vereist.
Zie bijvoorbeeld Olden 2013, nr. 2; Raaijmakers 2013. Ook Timmerman impliceert dat bestuurders zonder de ernstig verwijt-toets moeten vrezen voor persoonlijke aansprakelijkheid: Timmerman 2019, p. 246.
Gedragingen die die buiten een sport- en spel situatie onvoorzichtig en daarom onrechtmatig zouden zijn geweest, moeten in de context van de sport of het spel toch worden getolereerd. Zie o.a. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/59.
Daarvoor geldt de algemene norm van een ‘redelijk handelende en redelijke bekwame beroepsgenoot’, en per beroepsgroep wordt deze norm nader ingevuld. Huijgen, in: GS Onrechtmatige daad VI.2.1.5. Karapetian 2019, p. 41.
Zie ook wat ik hierover schrijf in par. IV.4.4.3 ‘Maatwerk’.
Zie bijvoorbeeld HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5154, NJ 2006/312, m.nt. Schilfgaarde (Ontvanger/S), r.o. 3.4.3. In de annotatie ontleedt Van Schilfgaarde het arrest op basis van de normale aansprakelijkheidsvoorwaarden van artikel 6:162 BW. Zie hieromtrent uitvoeriger par. IV.2.3.
Bartman 2014.
Zie hieromtrent o.a. Weterings 2010, p. 161-171; Borrius 2017. Hammerstein schrijft ook het bange bestuurdersargument ook af, omdat “uit onderzoek niet [blijkt] dat bestuurders zich laten leiden door angst voor persoonlijke aansprakelijkheid. Zij lopen toch al geen groot risico omdat de schade meestal betaald wordt door anderen, zoals de verzekeraar.” Hammerstein 2021, p. 365.
Voor een overzicht van auteurs die deze stelling innemen, zie Van Bekkum & Kreileman 2019, voetnoot 3.
Pham 2017, p. 83. Van Bekkum & Kreileman 2019 constateren dat in de periode 2003-2017 het aantal rechtszaken tegen bestuurders niet wezenlijk gestegen is (constant minder dan 80 gepubliceerde uitspraken per jaar, met enkele uitschieters rond 2013). De auteurs concluderen desalniettemin dat de hogere aansprakelijkheidsdrempel gerechtvaardigd is, waarover kritisch Westenbroek 2019a, par. 4-5 en voetnoot 19.
Bovendien is niet gezegd dat bestuurders ook relatief vaker aansprakelijk worden gesteld. Aldus ook Westenbroek 2019, par. 3 onder verwijzing naar Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/90.
Dat bestuurders niet lichtzinnig aansprakelijk worden gesteld, blijkt ook uit het onderzoek van Pham: “One striking empirical finding of this research is the large number of ‘subjective bad faith’ cases”. Pham 2017a, p. 84; Pham 2017b, p. 474.
Zie o.a. Kroeze 2005, m.n. par. 8.2 en Keijzer 2017, p. 137 die spreekt van ‘regulatoire overreacties’.
Zie in dit verband ook de voorbeelden van Westenbroek 2019, par. 4. Kroeze 2005, par. 8.1 wijst erop dat veel regelgeving is opgesteld naar aanleiding van een schandaal, en in voetnoot 38 erkent hij dan ook dat de meeste reacties ‘op zichzelf beschouwd niet te ver gaan’. Hij vreest echter dat door de combinatie van reacties de wetgever dan ‘op alle niveaus en bloc’ reageert op misstanden.
Zie daaromtrent wat ik schrijf over het drijversbegrip, in par. III.5.4.
De eerste aanname die schuilgaat achter de angst voor bange bestuurders, is dat de gewone regels van de onrechtmatige daad ervoor zouden zorgen dat bonafide bestuurders niet naar behoren hun taak kunnen vervullen. Er is immers geen reden voor een afwijkend, restrictiever aansprakelijkheidsregime, als de gewone aansprakelijkheidsregels adequaat zijn.
Bij het analyseren van deze aanname ga ik ervan uit dat de ernstig verwijt-maatstaf een hogere aansprakelijkheidsdrempel oplevert dan op basis van de gewone regels van de onrechtmatige daad het geval zou zijn.1
Kroeze begint zijn oratie met een wijsheid van Johann Gottfried Seume: “wie niets vreest, kan gemakkelijk een schurk worden. Maar wie teveel vreest wordt zeker een slaaf ”. Hebben bestuurders te veel te vrezen? Bepaalde aanhangers van het bange bestuurders-argument roepen het beeld op dat de gewone regels van de onrechtmatige daad een te streng keurslijf vormen voor bestuurders, en dat bonafide bestuurders te snel aansprakelijk kunnen worden gesteld.2 Het is echter de vraag of dit zo is en bestuurders daarom daadwerkelijk bang zouden moeten zijn voor de ‘gewone’ onrechtmatige daad. De vereisten van artikel 6:162 BW zijn namelijk dusdanig flexibel, dat voor elk gevalstype een passende aansprakelijkheidsdrempel kan worden gevonden.
Er zijn tal van toepassingen van de onrechtmatige daad waarin aansprakelijkheid wordt beoordeeld rekening houdend met alle specifieke omstandigheden van het geval. Kijk bijvoorbeeld naar sport- en spelsituaties3 of beroepsaansprakelijkheid;4 ook daar kan de beoordeling van de aansprakelijkheid van de betrokkenen verlopen via de ‘gewone regels van de onrechtmatige daad’. Bij bestuurders zou dat niet anders hoeven te zijn. Zo kan bijvoorbeeld een bestuurder de nodige beleidsruimte worden gegund bij de vraag wat maatschappelijk betamelijk is in de zin van art. 6:162 lid 2 BW.5 Bij het vaststellen van schuld kan voorts rekening worden gehouden met de taak en hoedanigheid van de bestuurder en de aanwezigheid (of juist afwezigheid) van kennis (lid 3). In de omvangsfase kan de (on)voorzienbaarheid van schade worden meegewogen (art. 6:98 BW), enzovoorts.6 Vóór de invoering van de ernstig verwijtmaatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in 2006 werd artikel 6:162 BW nog ongeclausuleerd toegepast, en dat ging prima.7
Daarbovenop worden bestuurders nog op verschillende wijzen beschermd tegen de financiële gevolgen van persoonlijke aansprakelijkheid. Bartman wijst erop dat het principe van rechtspersoonlijkheid op zichzelf al functioneert als een schild tegen persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders.8 Verder zijn bestuurders in de regel ondergeschikten in de zin van artikel 6:170 BW, waardoor ze bij eventuele aansprakelijkheid de rekening kunnen leggen bij de werkgever (doorgaans de vennootschap).9 Ten slotte kan een bestuurder zich ook verzekeren voor bestuursfouten.10
Waar komen dan de zorgen met betrekking tot excessieve aansprakelijkheid vandaan? Sommige auteurs beweren dat bestuurders steeds vaker aansprakelijk worden gesteld.11 Uit empirisch onderzoek blijkt echter dat het aantal (gepubliceerde) rechtszaken tegen bestuurders nauwelijks is gewijzigd.12 Maar ook al zouden er meer rechtszaken worden aangespannen tegen bestuurders, quod non, dan is dat op zichzelf natuurlijk geen reden om bestuurders aanvullend te beschermen tegen aansprakelijkheid.13 Het zou immers kunnen dat bestuurders zich vaker hebben misdragen14 of dat crediteuren er sneller voor kiezen om naar de rechter te stappen. Een toename van rechtszaken tegen bestuurders rechtvaardigt op zichzelf dus niet het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel, net zoals een toename in verkeersboetes ook geen reden is voor het verhogen van de maximumsnelheid.
Ook de toegenomen regeldruk wordt aangewezen als een bedreiging voor bestuurders.15 Maar de introductie van nieuwe regels betekent natuurlijk niet dat een bestuur nu ‘te veel te vrezen heeft’ en daarom een ‘slaaf ’ wordt. De toegenomen regeldruk kan ook een uiting zijn van het eerste deel van het Seumes citaat: “wie niets vreest, kan gemakkelijk een schurk worden”. Veel regels, zoals de misbruikwetgeving en de regeling voor bestuurdersaansprakelijkheid in de Mededingingswet, zijn juist ingevoerd naar aanleiding van wangedrag van bestuurders.16 Ook heeft de wetgever welbewust ook natuurlijke personen met een leidinggevende functie normadressaat gemaakt van onder meer milieuvergunningen.17 Kennelijk vond de wetgever dat bestuurders in bepaalde opzichten ‘meer te vrezen’ moeten hebben, of – intrinsieker uitgedrukt – verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van bepaalde verplichtingen. Het handelen in strijd met wettelijke verplichtingen kan ook een onrechtmatige daad opleveren.18 Als de rechter vervolgens voor bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad een algemene verzwaarde maatstaf toepast, dan wordt de (via democratische weg vastgestelde) balans verstoord.
Kortom, niets wijst erop dat de toepassing van de gewone onrechtmatigedaadsregels zouden leiden tot excessieve bestuurdersaansprakelijkheid.