Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.4.2
6.2.4.2 Aangrijpingspunt en omstandigheden voor vertrouwen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661552:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
In casuspositie 4 was sprake van een disclaimer die aan toepassing van het vertrouwensbeginsel in de weg stond.
De aanpassing van de invulling van het dispositievereiste in HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10 is niet van een zodanige aard dat dit leidt tot een aanzienlijke verschuiving, nu het vereiste als zodanig niet wordt losgelaten. Toekomstige rechtspraak zal moeten worden afgewacht voor zijn concrete uitwerking in andere gevallen (paragraaf 4.3.4).
Bax 1995, p. 126-127.
Het aangrijpingspunt voor vertrouwen verschilt sterk in de verschillende perspectieven. In het juridisch perspectief mag de burger pas in juridische zin vertrouwen op de voorlichtende uiting wanneer de burger voldoet aan (i) het dispositievereiste én (ii) niet-kenbaarheidsvereiste. Pas na vervulling van beide voorwaarden, kan een burger dus in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen aan voorlichting (zie casusposities 3 en 7). De hierboven besproken casusposities laten zien dat daaraan meestal niet wordt voldaan (zie casuspositie 1, 2, 5 en 6).1 Sterker nog, het jurisprudentieonderzoek uit Deel I van het onderzoek onderbouwt de impressie dat het maar zelden voorkomt dat een belastingplichtige bij voorlichting aan beide voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel voldoet: tussen 1979 en 2020 in slechts zo’n 5% van de gevallen uit de gepubliceerde rechtspraak (paragraaf 4.3.2.5, Annex I).2 Aan toetsing van het niet-kenbaarheidsvereiste werd in veel gevallen niet eens toegekomen (paragraaf 4.3.3.2). Dit laatste vereiste vormt in ieder geval niet de horde waarover belastingplichtigen in de rechtspraak struikelen (paragraaf 4.3.3). Gebondenheid van de Belastingdienst aan door voorlichting gewekte verwachtingen is in de rechtspraak al met al de uitzondering.
In het burgerperspectief daarentegen ligt het aangrijpingspunt voor commitment aan communicatieve verwachtingen bij het gebruik van het instrument taal en door het communicatieve doel dat taalgebruikers hebben (paragraaf 5.7). Het fundamentele uitgangspunt is coöperatie (coöperatieprincipe), de wederzijdse aanname dat taalgebruikers zich houden aan de stelregels van communicatie (communicatiemaximes). Dat betekent dat de Belastingdienst zich niet kan onttrekken aan de communicatieve inhoud van de uiting, net zo min als de burger die inhoud naar zich mag toe redeneren. Dit brengt mee dat de Belastingdienst (zender) zich verbindt, door te communiceren met taal, aan wat de burger (ontvanger) daarvan – gezien hoe talige communicatie werkt – mag verwachten (en vice versa). Als een taalgebruiker zich niet houdt aan de communicatieprincipes, komt – in de woorden van Bax – ‘de communicatie op losse schroeven te staan, en komt de interactieve basis van het verbaal communiceren te vervallen.’3 Schending van communicatieve verwachtingen kan er dus toe leiden dat voor de betrokken taalgebruikers uiteindelijk het nut van communicatie vervalt.
Voor wat betreft de betekenis van een voorlichtende uiting is duidelijk geworden dat die niet een kwestie is van het in- en uitpakken van de boodschap, maar dat het een vorm van samenwerking tussen zender en ontvanger is (paragraaf 5.5). Dat betekent dat de ontvanger (burger) erop rekent dat de zender (Belastingdienst) zijn uiting zodanig vormgeeft, dat de door de zender bedoelde betekenis de meest voor de hand liggende interpretatie bij de ontvanger is (zie casuspositie 1, 5, 6). Als er miscommunicatie ontstaat, is vanuit communicatief oogpunt de vraag of zender en ontvanger hebben gehandeld zoals van hen als taalgebruikers, gegeven de situatie, mag worden verwacht (paragraaf 5.6). Wanneer de zender een fout (zoals een vergissing) maakt in de inhoud van zijn uiting (zie casuspositie 2, 3) is duidelijk wie dat valt aan te rekenen. Dan zal de ontvanger hem daarvoor verantwoordelijk houden. Soms blijkt de zender (Belastingdienst) niet voldoende precies te hebben geformuleerd om de ontvanger op het juiste been te zetten en kan de zender een verwijt worden gemaakt (zie casuspositie 1, 5, 6, 7). Dat werkt ook omgekeerd: als de zender gegeven de situatie zijn uiting adequaat vormgeeft, maar de ontvanger gaat niet adequaat te werk bij zijn interpretatie, kan juist de ontvanger verantwoordelijk worden gehouden. Zo kan voorkomen dat de burger slordig leest en informatie mist of beter had moeten weten, zoals het (niet-succesvolle) verwijt aan de campingexploitant en de burger die zijn lijfrente had afgekocht dat zij de onjuistheid hadden moeten onderkennen (casuspositie 3, 7). Soms twijfelen burgers over de juistheid van hun interpretatie, zoals aan bod kwam de co-ouder die zijn begrip bij de BelastingTelefoon verifieert (casuspositie 6) en de campingexploitant die zijn toegepaste berekening voorlegt voordat hij aangifte doet (casuspositie 3). Wanneer dergelijke interactionele controle er niet toe leidt dat de interpretatie van de burger door de zender wordt ‘gecorrigeerd’, versterkt dat in communicatief opzicht de communicatieve verwachtingen (zoals in casuspositie 1, 3, 6). Burgers rekenen dus op communicatieve gebondenheid, tenzij er reden is voor het tegendeel, zoals bij een voorbehoud (paragraaf 6.2.4.3).
Uit het bovenstaande volgt dat voor het antwoord op de vraag of burgers mogen vertrouwen op voorlichting, de omstandigheden van het geval van belang zijn. In het juridisch perspectief is dat beperkt tot (exact) twee ‘voorgeselecteerde’ omstandigheden (disponeren en kenbaarheid van de onjuistheid). In het burgerperspectief daarentegen geldt geen beperking maar is communicatieve gebondenheid afhankelijk van de omstandigheden van de communicatieve situatie, zoals de uiting, de context, talige en niet-talige informatie, etc. (paragraaf 5.5, 7.4).
Uit de confrontatie van de perspectieven blijkt dus dat het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen vanuit juridisch en communicatief oogpunt een ander aangrijpingspunt kent. De Belastingdienst is op een ander moment en onder andere omstandigheden aan zijn uiting gebonden. Dat verschil vormt in de casusposities een oorzaak voor de discrepantie tussen de communicatieve verwachtingen over de gebondenheid van de Belastingdienst en de juridische gebondenheid aan verwachtingen. De belangenafweging die in het juridisch perspectief achter de binding van de Belastingdienst schuilgaat, waarbij bescherming van door voorlichting gewekte verwachtingen een gunstigere wetstoepassing betekent dan bij een strikte toepassing van de wet, blijft in de communicatieve benadering buiten beeld. Zo bezien is verklaarbaar dat het juridisch perspectief hogere eisen stelt aan gebondenheid, want met wetstoepassing zijn meerdere rechtsstatelijke belangen gediend (paragraaf 4.2.3.4). In het burgerperspectief is de belangenafweging niet – althans niet in deze vorm – aan de orde. Het commitment tussen taalgebruikers is een kwestie tussen de communicatiepartners; de wetgever en andere belastingplichtigen verdwijnen daarbij naar de achtergrond (paragraaf 6.3).