Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.3.4
6.3.4 Ontwerpbegrotingsplan
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7 lid 1 en 2 Verordening (EU) 473/2013.
De commissie voor de Rijksuitgaven is echter van mening dat ook als de Commissie tot een negatief oordeel zou komen over het Ontwerpbegrotingsplan dit geen effect hoeft te hebben op de verdere begrotingsbehandeling – met andere woorden dat het niet hoeft te leiden tot wijzigingen in de begroting – omdat de Commissieopinie niet bindend is. Dat de aanbeveling niet bindend is wil echter niet zeggen dat er geen juridische en praktische effecten vanuit gaan (zie ook paragraaf 4.2.4.1). Zie bijvoorbeeld ook het geval waarin Portugal onder druk van de Commissie de ontwerpbegroting op het laatste moment heeft aangepast. Zie paragraaf 4.3.4.2.
De betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over de begroting wordt overigens verder onder druk gezet als de Commissie oordeelt dat het Ontwerpbegrotingsplan niet in lijn is met de Europese begrotingsregels. De Commissie kan dan aan de Nederlandse regering verzoeken binnen drie weken een gewijzigd ontwerpbegrotingsvoorstel in te dienen bij de Commissie dat wel in lijn is met de Europese begrotingsregels.1 Mocht dit het geval zijn dan zou er binnen drie weken een gewijzigd begrotingsvoorstel moeten worden opgesteld door de regering en desgewenst worden behandeld door het parlement.2 Ook hier kan de tijdsdruk afbreuk doen aan de informatiepositie van het parlement en met name aan de allocatiefunctie van het budgetrecht van de Tweede Kamer. Hoewel het parlement de mogelijkheid heeft om, nadat de Commissie het nieuwe begrotingsplan heeft beoordeeld, de begroting vast te stellen en daarbij dus af te wijken van het Ontwerpbegrotingsplan, speelt ook hier de tijdsdruk een grote rol. Het parlement heeft immers maar een paar weken om de gewijzigde ontwerpbegroting vast te stellen voor 1 januari.