Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.4.3
1.4.3 Hoofdzaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644963:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dernburg, Pandekten I (1902), §209, p. 487.
D. 41, 1, 26, 1 (Paulus); D. 6, 1, 23, 5 (Paulus); Inst.. 2, 1, 26; D. 34, 2, 19, 13-16 en 20 (Ulpianus). Baron (1896) §139, p. 263 en Puchta (1863), p. 250.
D. 6, 1, 23, 3 (Paulus); Inst. 2, 1, 33. Zie ook: Baron (1896), p. 263.
Inst. 2, 1, 26: “Si tamen alienam purpuram quis intexuit suo vestimento, licet pretiosior est purpura, accessionis vice cedit vestimento (…).”
D. 34, 2, 19, 13-16 (Ulpianus).
D. 34, 2, 19, 13 (Ulpianus): “Perveniamus et ad gemmas inclusas argento auroque. Et ait Sabinus auro argentove cedere: ei enim cedit, cuius maior est species. Quod recte expressit: semper enim cum quaerimus, quid cui cedat, illud spectamus, quid cuius rei ornandae causa adhibetur, ut accessio cedat principali. Cedent igitur gemmae, fialis vel lancibus inclusae, auro argentove.”
D. 10, 4, 6 (Paulus). Voor de edelsteen die in een ring was gezet gold dezelfde regel, althans voor zover de edelsteen de ring moest opsieren. Als de ring de edelsteen opsierde, dan was hij een bestanddeel van de edelsteen geworden, zie D. 34, 2, 15-16 (Ulpianus).
D. 6, 1, 61(Julianus). Als echter iemand met andermans materialen een schip had gebouwd, werd de bouwer eigenaar van het schip. Dit heeft niets met natrekking maar met zaaksvorming te maken: D. 41, 1, 26 (Paulus).
D. 10, 4, 6 (Paulus).
Inst. 2, 1, 33; D. 41, 1, 9, 2 (Gaius).
Inst. 2, 1, 34: “Si quis in aliena tabula pinxerit, quidam putant tabulam picturae cedere: aliis videtur pictura, qualiscumque sit, tabulae cedere. sed nobis videtur melius esse, tabulam picturae cedere: ridiculum est enim picturam Apellis vel Parrhasii in accessionem vilissimae tabulae cedere.”
Zie §1.10.
Verschillende criteria konden doorslaggevend zijn om een zaak als hoofdzaak aan te merken. Over het algemeen was de zaak die de fysieke basis vormde van de verbonden zaken de hoofdzaak.1 Bijvoorbeeld indien de andere onderdelen (de bestanddelen) ondergeschikt waren2 of zonder welke die bestanddelen niet konden bestaan.3 Ook de naam of de omvang van de zaak kon deze zaak als hoofdzaak aanwijzen.
“Als iemand andermans purperdraad in zijn eigen kleding heeft ingeweven volgt het purper, hoewel het veel kostbaarder is, niettemin bij wijze van natrekking het kledingstuk (…).”4
Van belang was vooral om te bekijken welke functie de zaak vervulde. Zo werd een zaak die bijvoorbeeld ter versiering verbonden was met een andere zaak, nagetrokken door laatstgenoemde zaak.5 Ook als de decoratieve zaak veel waardevoller was.
“Laten wij het nu ook eens hebben over in zilver en goud gevatte edelstenen. Sabinus zegt hierover dat deze het goud of zilver volgen: een zaak volgt namelijk die welke groter van vorm is. Hij heeft dit juist omschreven. Wanneer wij ons afvragen wat waaraan ondergeschikt is, moeten wij immers steeds kijken wat voor de versiering van welk object wordt gebruikt, in die zin dat de bijzaak de hoofdzaak volgt. Dus volgen edelstenen die op drinkschalen of borden zijn gemonteerd het goud of het zilver.”6
De edelsteen werd, nadat hij ter versiering in het goud was gezet, onderdeel van het goud.7 De planken van een schip waren onderdeel van de kiel,8 net als het medaillon dat in een kandelaar is gezet.9 Het perkament werd ook beschouwd als hoofdzaak; een dichter die op andermans perkament in goud een gedicht schreef, werd geen eigenaar van het perkament.10 Bij een schildering op een paneel waren de meningen over de natrekking verdeeld. Justinianus was duidelijk:
“Als iemand op andermans paneel een schildering heeft gemaakt, volgt naar de mening van sommigen het paneel de schildering. Anderen zijn van oordeel dat een schildering van welke kwaliteit dan ook het paneel volgt. Naar Ons oordeel is het het beste dat het paneel de schildering volgt; het zou immers belachelijk zijn dat een schilderij van Apelles of Parrhasius door natrekking een volstrekt waardeloos paneel zou volgen (…).”11
De schildering trok het paneel na. Hier leek het argument van waarde wel een doorslaggevende reden te zijn voor het feit dat de schildering het paneel natrok. Zou de schilderkunst in het oude Rome op een hoger voetstuk hebben gestaan dan de dichtkunst? In ieder geval is duidelijk dat het geven van een algemene regel voor de bepaling van een hoofdzaak moeilijk, zo niet onmogelijk is. Het antwoord hangt in ieder afzonderlijk geval van de feiten af. Hoe het ook zij, de eigenaar van de hoofdzaak was ook eigenaar van de bestanddelen (onderdelen) van die hoofdzaak. Althans, zolang de verbinding voortduurde.12