Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.2.4:5.8.9.2.4 Schuldeisers met vorderingen uit de oprichtingsfase
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.9.2.4
5.8.9.2.4 Schuldeisers met vorderingen uit de oprichtingsfase
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648888:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Haag, 5 september 2017, JOR 2018/2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In artikel 2:203 BW is een regeling opgenomen die het mogelijk maakt om reeds in naam van een nog op te richten BV te handelen. In artikel 2:203 BW is onder meer het volgende bepaald:
“1. Uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, ontstaan slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt of ingevolge lid 4 wordt verbonden.
(...)
4. De oprichters kunnen de vennootschap in de akte van oprichting slechts verbinden door het uitgeven van aandelen, het aanvaarden van stortingen daarop, het aanstellen van bestuurders, het benoemen van commissarissen, het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 204 lid 1 en het betalen van kosten die met de oprichting verband houden. Indien een oprichter hierbij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht, zijn de artikelen 9 en 248 van overeenkomstige toepassing.”
Wanneer er namens een BV in oprichting wordt gehandeld, deze rechtshandelingen door de eenmaal opgerichte BV worden bekrachtigd en deze eenmaal opgerichte BV wordt vrijgesteld op basis van artikel 2:403 BW, kan de vraag opkomen of schuldeisers, die een vordering hebben die voortvloeien uit een rechtshandeling die is verricht voor de oprichting, een beroep kunnen doen op deze later afgegeven 403-verklaring.
Het gerechtshof ’s-Gravenhage mocht zich (in een hoger beroep op een vonnis gewezen in kortgeding) uitlaten over de vraag of een schuldeiser die in de voorfase met een nog op te richten BV had gecontracteerd, een beroep kon doen op de 403-verklaring.1 Het hof heeft geoordeeld dat er inderdaad sprake is van een vordering op de moedervennootschap, aangezien de bekrachtiging die door de BV bij of na oprichting geschiedt, een rechtshandeling is. Uit die bekrachtiging vloeit de gebondenheid van de BV en daarmee de schuld voor de BV voort. Dat de in de oprichtingsfase verrichte rechtshandeling niet door, maar slechts in naam van de BV geschiedde, doet daar niet aan af. Volgens het hof is het de bekrachtigingshandeling van (het bestuur van) Safety-Bell na haar oprichting, waaruit de schuld voor de opgerichte BV is ‘voortgevloeid’. De relevante passages luiden als volgt:
“4.4. Het hof overweegt over dit geschilpunt als volgt. Partijen verschillen over de inhoud van de 403-verklaring, zodat deze moet worden uitgelegd. Bij de uitleg moet in het oog worden gehouden dat het gaat om een niet tot een bepaalde partij gerichte, eenzijdige rechtshandeling, waaruit rechtstreekse aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (in casu: Hillson Holding) tegenover crediteuren van een verbonden vennootschap ontstaat (HR 28 juni 2002 («JOR» 2002/136, m.nt. Bartman; red.), ECLI:NL:HR:2002:AE4663, Akzo/ING). Een dergelijke verklaring wordt uitgelegd naar objectieve maatstaven (HR 20 maart 2015 («JOR» 2015/140, m.nt. Josephus Jitta; red.), ECLI:NL:HR:2015:661 SNS REAAL, r.o. 4.34.2) Daarbij komt het vooral aan op de uitleg van de tekst van de aansprakelijkheidsverklaring. Het wettelijk kader, en de daarin gestelde eisen aan de aansprakelijkheidsverklaring in artikel 2:403 BW, kunnen bij die uitleg ook een rol spelen.
4.5. Naar het oordeel van het hof is Hillson Holding hoofdelijk verbonden voor de schuld aan [verkoper] uit hoofde van de koopovereenkomst met Safety-Bell. De bekrachtiging door Safety-Bell, kort na haar oprichting, van een namens haar in het oprichtingsstadium gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als ‘de rechtshandeling’ waaruit voor Safety-Bell een schuld jegens [verkoper] voortvloeide. Tot aan de bekrachtiging doo Safety-Bell bestond de koopovereenkomst tussen [verkoper] en de namens Safety-Bell-in oprichting handelende persoon; dat was (de rechtsvoorganger van) Hillson Holding. Zij was, in die hoedanigheid, voorwaardelijk gebonden totdat Safety-Bell de rechtshandeling zou bekrachtigen (zie artikel 2:203 lid 2 BW). Het is de bekrachtigingshandeling van (het bestuur van) Safety-Bell, na haar oprichting, waaruit de schuld voor de opgerichte BV is ‘voortgevloeid’. Dat het gevolg van de bekrachtiging was dat Safety-Bell met terugwerkende kracht in de positie trad van de ‘handelende persoon’ (Hillson Holding) als wederpartij bij de koopovereenkomst, doet er niet aan af dat het de bekrachtigingshandeling van Safety-Bell was die schuld van Safety-Bell, als koper, tegenover [verkoper], als verkoper, heeft doen ontstaan.”