Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.5.4.4.a
5.5.4.4.a De vorm en de termijnen van de oproeping
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649871:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de toelichting op de wijziging van art. 2:115 lid 2 BW naar aanleiding van de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn (Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr. 3 (MvT), p. 25.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 34, onder b; Peters & Eikelboom 2017, p. 502; Nowak in punt 12 van zijn noot onder Rb. Amsterdam (vzr) 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5845, JOR 2017/260, m.nt. Nowak (Elliott/AkzoNobel).
Dumoulin 1999, p. 199 met verdere verwijzingen naar o.a. de parlementaire stukken.
Het eerste aspect betreft de vorm en de termijnen voor de oproeping. In art. 2:111/221 lid 1 BW is bepaald dat de voorzieningenrechter bij het verlenen van de machtiging tot bijeenroeping de vorm en de termijnen voor de oproeping vaststelt. Of de voorzieningenrechter bij het vaststellen van de oproepingstermijn kan afwijken van de minimale wettelijke oproepingstermijn, is afhankelijk van het type vennootschap. Blijkens de aanhef van art. 2:115 lid 1/225 BW is bij NV’s en BV’s zonder notering (of met een notering aan een ander systeem dan een gereglementeerde markt) afwijking van de wettelijke minimale oproepingstermijn mogelijk. Zijn van de NV of BV (certificaten van) aandelen aan een gereglementeerde markt genoteerd, dan geschiedt op grond van art. 2:115 lid 2 (jo art. 2:187) BW de oproeping niet later dan op de 42ste dag vóór die van de vergadering. De voorzieningenrechter kan van deze minimale oproepingstermijn niet afwijken. De in art. 2:115 lid 1 BW opgenomen zinsnede “behoudens het bepaalde bij de tweede zin van het eerste lid van artikel 111 van dit Boek” ontbreekt immers in art. 2:115 lid 2 BW.1 Het betoog van sommige juridische auteurs dat voor de voorzieningenrechter als ondergrens niet de in art. 2:115 lid 2 BW opgenomen oproepingstermijn van 42 dagen geldt, maar de door de Aandeelhoudersrichtlijn gestelde minimumtermijn van 21 dagen,2 volg ik dan ook niet. De tekst van art. 2:115 lid 2 BW en de toelichting daarop is duidelijk: bij het vaststellen van de termijn voor de oproeping moet de voorzieningenrechter de minimale oproepingstermijn van 42 dagen in acht nemen.
Dat de voorzieningenrechter de vorm voor de oproeping vaststelt, wil zeggen dat hij bepaalt hoe moet worden opgeroepen. Hij kan daarbij niet afwijken van een voorschrift als art. 2:113 lid 2 BW, dat dwingendrechtelijk bepaalt dat bij een niet-beursgenoteerde NV de oproeping geschiedt door aankondiging in een landelijk verspreid dagblad. Wel kan hij bepalen in welk dagblad de oproeping moet worden aangekondigd. Voorts kan hij de gemachtigden verplichten om in aanvulling op de aankondiging in het dagblad de oproeping ook op andere wijze (bijvoorbeeld via de website) aan te kondigen.3