Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.3.2:3.3.2 Bedrijfsmatige particuliere opsporing: particuliere recherchebureaus
Startinformatie in het strafproces 2014/3.3.2
3.3.2 Bedrijfsmatige particuliere opsporing: particuliere recherchebureaus
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stcrt. 2010, 4863. Deze regeling is laatstelijk op 3 juni 2013 op enkele kleine punten gewijzigd, zie Stcrt. 2013, 14956.
Zie hiervoor P. Klerks, ‘Terughoudend toezicht op omvangrijke private recherche’, Tijdschrift voor Veiligheid 2008-4, p. 9-19.
Zie Kamerstukken II 1993-1994, 23 478, nr. 3 (MvT) en P. Klerks, ‘Terughoudend toezicht op omvangrijke private recherche’, Tijdschrift voor Veiligheid 2008-4, p. 9-19.
J. Bos, S. Dekkers & G.H.J. Homburg, Evaluatie privacygedragscode particuliere recherchebureaus, Amsterdam: Regioplan 2007.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wijze waarop particuliere recherchebureaus hun informatie vergaren, wordt nader genormeerd door de eerder genoemde en door de bedrijfsgroep zelf geconcipieerde privacygedragscode. In dit kader moet wel worden aangetekend dat op grond van art. 23a van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus elk recherchebureau verplicht is een identiek aan de in de bijlage bij die regeling opgenomen gedragscode vast te stellen.1 In de privacygedragscode worden normen gecreëerd waaraan ieder particulier recherchebureau zich moet houden. Zo wordt gesteld dat zij zich dienen te onthouden van het onrechtmatig vergaren van persoonsgegevens. Verder worden een aantal methoden van gegevensvergaring (zoals het betreden van niet openbare plaatsen, de observatie en het interviewen van betrokkenen) besproken en aangegeven hoe een particulier recherchebureau hiermee moet omgaan.
Het werk van de particuliere rechercheur lijkt aldus op papier goed genormeerd. Deze normering geldt echter niet voor iedere particuliere rechercheur. Zo valt onder meer de bedrijfsrecherche niet onder de werking van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de daarvan afgeleide regeling.2 Dit is opmerkelijk als wordt bedacht dat de wetgever deze wet onder andere heeft gecreëerd om normering aan te brengen voor die recherchebureaus die privacyschendende handelingen verrichten en is gebleken dat de bedrijfsrecherche juist ook dat soort rechercheactiviteiten ontplooit.3 Hoe dan ook, deze bedrijfstak is hierdoor niet gehouden een privacygedragscode vast te stellen.
Uit de praktijk blijkt dat de particuliere recherchebureaus de in de privacygedragscode gecreëerde normen niet (volledig) nakomen.4 Een gebrek aan controle op de naleving van de gedragscode wordt als voornaamste reden hiervoor gegeven. Het gebrek aan interne controle toont de noodzaak aan van externe toetsing, onder meer door politie en OM, van de wijze waarop particuliere rechercheurs hun gegevens hebben vergaard in het geval dat soort informatie voor de start van een strafrechtelijk onderzoek wordt gebruikt. Niet kan worden vertrouwd op dan wel worden teruggevallen op de controle die binnen de sector zelf plaatsvindt. In het verlengde hiervan kan worden gesteld dat met de in de gedragscode gecreëerde normering, geen nadere controle plaatsvindt van het gebruik van door particuliere rechercheurs verkregen gegevens als startinformatie voor een strafrechtelijk onderzoek.