Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.4.3.2.4
4.2.6.4.3.2.4 Rechten van gebruik en bewoning
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291433:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 614.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 613-614.
Resolutie Staatssecretaris van Financiën van 8 september 1980, nr. 280-12233, V-N 1980/2035, 20, ingetrokken bij besluit Staatssecretaris van Financiën 14 juli 2009, CPP2008/137M, V-N 2009/39.23.
De beperkte zakelijke rechten van gebruik en bewoning zijn een species van het recht van vruchtgebruik. De regels voor het recht van vruchtgebruik (zie paragraaf 4.2.6.4.3.2.3) zijn daarom van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan niet is afgeweken.1 Het recht van gebruik op een onroerend goed geeft de rechthebbende de bevoegdheid het onroerend goed te gebruiken en daarvan de vruchten te trekken die hij voor zich en zijn gezin behoeft.2 Het recht van bewoning is naar zijn aard beperkter en geeft de beperkt gerechtigde de bevoegdheid om een woning (eventueel met zijn gezin) te bewonen.3 Hierbij moet bedacht worden dat het recht van bewoning juridisch gezien niet wordt gevestigd op de woning, maar op de eigendom van de grond waarop de woning staat of op een beperkt recht, zoals een erfpacht- of opstalrecht, dat betrekking heeft op grond waarop een woning staat. Een recht van bewoning wordt meestal samen met het recht van gebruik gevestigd, zodat niet alleen het recht wordt verkregen om een woning te bewonen, maar bijvoorbeeld ook het recht om de daarbij behorende tuin, garage en/of de aanwezige inboedel van het huis te gebruiken.4 Net als voor het recht van vruchtgebruik is het mogelijk dat voor het recht van gebruik en/of bewoning een vergoeding ineens en/of een periodieke vergoeding wordt bedongen. Het verschil met het recht van vruchtgebruik is dat de rechten van gebruik en bewoning niet kunnen worden vervreemd of bezwaard, terwijl de zaak waarop het recht betrekking heeft ook niet door een ander dan de rechthebbende en zijn gezin mag worden gebruikt of bewoond.5 Deze beperkte zakelijke rechten zijn dus strikt persoonlijk en kunnen, anders dan het recht van vruchtgebruik, ook niet ten behoeve van een rechtspersoon worden gevestigd.6
Vanwege het strikt persoonlijke karakter van de rechten van gebruik en bewoning kan naar mijn mening niet gezegd worden dat de rechthebbende de macht verkrijgt om als eigenaar over het onderliggende onroerend goed te beschikken. De rechthebbende beschikt immers niet over de bevoegdheden die een eigenaar kenmerken. Een kwalificatie van de overdracht van de rechten van gebruik en bewoning als een levering acht ik daarom in strijd met (het doel van) art. 15 lid 2, onderdeel b jo. art. 14 lid 1 Btw-richtlijn. Onder vigeur van het tot 31 maart 1995, 18.00 uur geldende art. 3 lid 2 Wet OB heeft de Staatssecretaris van Financiën dit miskend door het tegen vergoeding vestigen van een (kortlopend) recht van gebruik en bewoning om voorlopige leegstand te voorkomen als een levering aan te merken.7 Omdat het uitgesloten lijkt dat de rechthebbende kan voldoen aan de sinds 31 maart 1995, 18.00 uur geldende ‘vergoedingsvoorwaarde’ van art. 3 lid 2 Wet OB (zie paragraaf 4.2.6.6), zal van een resultaat dat in strijd is met art. 15 lid 2, onderdeel b jo. art. 14 lid 1 Btw-richtlijn geen sprake meer zijn.