Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.5.2
VII.3.5.2 Externe aansprakelijkheid
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242824:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1094-1095; Handboek 2013/262, p. 570; Huizink, TvJ 2018, afl. 6, p. 166; De Jong 2010, p. 65; en Strik 2010, p. 148.
Rb. Amsterdam 21 april 2010, JOR 2011/1 m.nt. Bier (Kemp q.q./Vezass Holding).
HR 16 september 2005, NJ 2006, 311 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2006/52 m.nt. Kortmann (De Bont/Bannenberg q.q.). Doorgaans zal slechts een beperkte groep crediteuren van de vennootschap schade hebben geleden door de misleidende financiële informatie. De curator kan enkel een vordering instellen namens de gezamenlijke crediteuren en niet namens een beperkt aantal crediteuren. Idem Bier in haar noot onder Rb. Amsterdam 21 april 2010, JOR 2011/1 (Kemp q.q./Vezass Holding).
Onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1095; en Handboek 2013/262, p. 570-571. Zie ook Rb. ‘s-Gravenhage 9 mei 1973, rol nr. 642/717, kenbaar uit Beckman 1994, p. 132, waarin deze situatie zich voordeed.
Het gros van de auteurs meent dat alle aandeelhouders tot de in art. 2:139/249 BW bedoelde ‘derden’ behoren. Zie onder anderen Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/573; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.15, p. 1095; Handboek 2013/262, p. 570-571; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:139 BW, aant. 8.1; De Jong 2010, p. 65; en Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:139 BW, aant. 3. Zie twijfelend: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 470.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 28 oktober 2015, JOR 2015/330 m.nt. Verboom (Landis).
De regeling van art. 2:139/249 BW betreft een vorm van externe aansprakelijkheid. De wet legt op de niet-uitvoerende bestuurder een hoofdelijke aansprakelijkheid jegens ‘derden’ die door de misleidende financiële informatie schade hebben geleden. Wie zijn nu die claimgerechtigde derden? Te denken valt aan de crediteuren van de vennootschap. De vennootschap zelf behoort niet tot de kring van derden. Daar is geen twijfel over mogelijk.1 Dit brengt mee dat de curator in geval van faillissement geen vordering uit hoofde van art. 2:139/249 BW kan instellen. Ook niet namens de schuldeisers van de vennootschap, aldus de Rechtbank Amsterdam in Kemp q.q./Vezass Holding.2 Ik kan mij in dit oordeel vinden. Uit het arrest De Bont/Bannenberg q.q. volgt immers dat de curator bij een zodanige actie niet enkel voor bepaalde schuldeisers mag optreden.3
Heeft de niet-uitvoerende bestuurder ook wat te vrezen van misleide aandeelhouders? Het is de vraag of aandeelhouders onder de term ‘derden’ in de zin van art. 2:139/249 BW vallen. Duidelijk is dat degenen die buiten de vennootschap stonden en op basis van misleidende financiële informatie aandeelhouder zijn geworden, kwalificeren als ‘derden’.4 In de literatuur bestaat echter discussie over het antwoord op de vraag of ook aandeelhouders die ten tijde van de misleiding al aandelen hadden, de bestuurders kunnen aanspreken uit hoofde van art. 2:139/249 BW.5 Aangezien de regeling geen onderscheid maakt tussen ‘zuiver externe derden’ en ‘interne derden’, ben ik van mening dat alle aandeelhouders als ‘derden’ in de zin van art. 2:139/249 BW kwalificeren. Steun voor mijn standpunt vind ik in de rechtspraak.6 Dit betekent dat ook aandeelhouders die bijvoorbeeld hun aandelen op basis van de misleidende financiële informatie hebben verkocht, hun dientengevolge geleden schade kunnen verhalen op de bestuurders.