Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.5.1
VII.3.5.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242753:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover § VII.3.5.4.
Zie over de reikwijdte van decharge § VII.6.4.
Voor een analyse van de aansprakelijkheid van commissarissen ex art. 2:150/260 BW verwijs ik naar Bras 2006, p. 73-86. Zie voor een recent voorbeeld Rb. Amsterdam 30 september 2015, JOR 2016/182 m.nt. Van Bekkum (Fairstar/Dockwise).
Kamerstukken II 1967/68, 9595, 3, p. 22 (MvT).
Zie Wet op de jaarrekening van ondernemingen van 10 september 1970, Stb. 1970, 414.
Zie Kamerstukken II 1979/80, 15 304, 6, p. 38 (MvA): “Omdat over de tussentijdse cijfers geen accountantsverslag wordt opgemaakt, ontbreekt het voornaamste hulpmiddel voor de commissarissen bij het uitoefenen van hun toezicht. Daarom kan ook hun aansprakelijkheid niet, zoals voor de jaarrekening, worden verzwaard. Het jaarverslag komt geheel voor verantwoordelijkheid van het bestuur; de raad van commissarissen kan een eigen verslag uitbrengen, maar kan niet altijd een doorslaggevende invloed uitoefenen op de inhoud van het bestuursverslag. De wet behoort hen daarvoor dus niet aansprakelijk te stellen.” In de literatuur wordt wel bepleit de aansprakelijkheid van commissarissen uit te breiden, zie bijvoorbeeld Huizink, TvJ 2018, afl. 6, p. 165.
Dit neemt niet weg dat derden commissarissen onder omstandigheden met succes kunnen aanspreken op grond van onrechtmatige daad.
Idem Croiset van Uchelen, TOP 2014/242.
Uit art. 2:139/249 BW vloeit een hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders jegens derden voort wanneer door de jaarrekening, tussentijdse cijfers of het bestuursverslag een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap wordt gegeven. Omdat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, rust de aansprakelijkheid van art. 2:139/249 BW hoofdelijk op hem zodra vaststaat dat derden schade hebben geleden door de misleidende financiële stukken of cijfers. Althans, in beginsel. De niet-uitvoerende bestuurder heeft namelijk de mogelijkheid zich van aansprakelijkheid te disculperen. Hij behoort daartoe aan te tonen dat hem ter zake geen verwijt treft.1 Een beroep op een verleende decharge baat de niet-uitvoerende bestuurder niet, aangezien de aansprakelijkheid voor misleidende cijfers extern van aard is.2
De aansprakelijkheid voor misleidende cijfers treft op grond van art. 2:150/260 BW ook de commissarissen van de vennootschap.3 In het verleden rustte de aansprakelijkheid slechts op de commissarissen die belast waren met het houden van toezicht op het opmaken van de jaarrekening.4 Toenmalig Minister van Justitie Polak meende echter dat het houden van toezicht op de jaarrekening een onderdeel is van de gezamenlijke taak van de commissarissen.5 Sinds 1971 vallen daarom alle commissarissen onder de reikwijdte van de regeling.6
De regeling voor commissarissen is vrijwel identiek aan art. 2:139/249 BW. Hetgeen ik in het vervolg van deze paragraaf schrijf, geldt dus eveneens voor commissarissen. Er bestaan niettemin twee noemenswaardige verschillen. In de eerste plaats ziet de disculpatiemogelijkheid van art. 2:150/260 BW uitdrukkelijk op het ‘toezicht’ van de commissarissen. Een ander belangrijk verschil is dat commissarissen op grond van art. 2:150/260 BW slechts aansprakelijk kunnen zijn voor een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap in de jaarrekening.7 Zijn de tussentijdse cijfers of het bestuursverslag misleidend, dan gaan zij vrijuit.8 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder in vergelijking met de commissaris per definitie meer risico loopt.9