De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.3.a:VII.4.2.3.a Inleiding
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.3.a
VII.4.2.3.a Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242856:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243 m.nt. Willems (Fortis).
Ik wijs erop dat de rechtbank dit vonnis wees vóór de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013. Mijns inziens is de uitspraak hierdoor niet minder relevant. Ik kom hier in § VII.4.2.3.d op terug.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De jurisprudentie inzake de aansprakelijkheid van de ‘gewone bestuurder’ van de vennootschap is omvangrijk. Over de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder is daarentegen tot op heden slechts één vonnis gewezen, te weten het vonnis van de Rechtbank Utrecht in de zaak Fortis.1 In deze zaak stond onder meer de vraag centraal of de voormalige voorzitter van Fortis – een niet-uitvoerend bestuurder – aansprakelijk is jegens beleggers op grond van art. 6:162 BW. Interessant is te bezien in hoeverre de rechtbank rekenschap geeft van de bijzondere positie van de niet-uitvoerende bestuurder.2
Na de overname van ABN AMRO in 2007 kwam Fortis in financieel zwaar weer terecht. Ondanks dat de markt reeds in januari 2008 haar zorgen uitte over de financiële positie van Fortis, bleef laatstgenoemde positieve berichten afgeven. Pas op 26 juni 2008 meldde Fortis in een persbericht dat zij (aanvullende) maatregelen moest nemen om haar solvabiliteit te versterken. Als gevolg van dit persbericht zagen beleggers de waarde van hun aandelen in Fortis met zo’n 19% dalen. Uiteindelijk werd Fortis in oktober 2008 genationaliseerd. Een groep gedupeerde beleggers spande vervolgens een zaak aan bij de Rechtbank Utrecht. De gedupeerde beleggers vorderden in de eerste plaats een verklaring voor recht dat Fortis en drie van haar functionarissen – onder wie niet-uitvoerend bestuurder Lippens – onrechtmatig jegens hen hadden gehandeld. Daarnaast vorderden zij schadevergoeding van Fortis en de drie functionarissen op grond van art. 6:162 BW. De gedupeerde beleggers legden aan hun vorderingen onder meer ten grondslag dat Fortis c.s. handelden in strijd met het verbod op marktmanipulatie (art. 5:58 lid 1 aanhef en onder d (oud) Wft) en de verplichting om koersgevoelige informatie onverwijld openbaar te maken (art. 5:59 (oud) Wft).