Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.4.5
7.4.5 Bescherming van crediteuren
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180145:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kenbaar uit: J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 26 en de daar vermelde literatuur.
Wet van den 23sten Maart 1826, inhoudende den tweeden titel van het eerste boek van het Wetboek van Koophandel, Stb. 1826, 18. Artikel 4 van het Eerste Boek, Tweede Titel WvK is artikel 9 WvK.
C. Knapper Kz., Leerboek van het boekhouden, Arnhem: J. Rinkes Jr. 1900, vijfde herziene druk, p. 1.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 1, J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 26.
De gedachte dat het verplicht voeren van een administratie er niet (alleen) is voor het belang van de koopman maar ook voor het waken voor de belangen van derden, de schuldeisers – welk belang bij het faillissement van de koopman nadrukkelijk aan de orde is – zou al in de vijftiende eeuw door de grondlegger van het dubbel boekhouden, Luca Pacioli, zijn geuit.1
Bij de inwerkingtreding van artikel 6 WvK in 1838 bepaalde het toenmalige artikel 9 WvK dat:2
“Een koopman in staat van faillissement gerakende, en bevonden wordende zich naar het voorschrift der drie voorafgaande artikelen niet gedragen te hebben, wordt vermoed door zijne eigene schuld in verval van zaken gekomen te zijn.”
Het boekhouden volgens de in 1838 nog gedetailleerde voorschriften was voor de koopman een “dure”3 verplichting om de nadelige gevolgen van het niet-juist boekhouden te voorkomen. Met de drie voorafgaande artikelen in artikel 9 WvK werden gedoeld op de boekhoudplicht, de plicht een staat en een balans op te maken binnen zes maanden na het einde van het jaar en de plicht om de brieven te bewaren. Wanneer de koopman een van deze verplichtingen verzuimde, ontstond in geval van faillissement de aansprakelijkheid van de koopman. Op deze wijze werd gepoogd de koopman zich de belangen van zijn schuldeisers te laten aantrekken.
Ook bij de wijziging van artikel 6 WvK in 1922 werd de bescherming van crediteuren door de minister als een belangrijke reden genoemd voor de wettelijke verplichting tot het voeren van een administratie:4
“Het belang van het houden van aanteekening van den vermogenstoestand doet zich natuurlijk vooral gelden in geval van faillissement.”
De achterliggende gedachte was dat zonder een adequate administratie de mogelijkheid bestond dat de vermogenstoestand slechter zou worden zonder dat de koopman dat zou hoeven te merken. De belangen van de schuldeisers zouden daardoor geschaad kunnen worden.5
Dat deze reden voor het voeren van een administratie niets aan belang heeft ingeboet, blijkt wel uit het feit dat het belang van crediteuren bij de invoering van artikel 2:138 lid 2/2:248 lid 2 BW voorop heeft gestaan. De wetgever achtte het nodig dat de curator effectiever kon optreden tegen de gevolgen van het geconstateerde misbruik van rechtspersonen als gevolg waarvan crediteuren met onverhaalbare vorderingen op de desbetreffende rechtspersonen achterbleven. De minister van Justitie vond dat crediteuren (waaronder personeel) tegen dit misbruik moesten worden beschermd.