Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.4
3.4.4 Omvang betalingsvordering behoeft voor opeisbaarheid niet vast te staan
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950359:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-I 2020/272. Zie ook Dammingh & Klomp 2014, p. 35.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 458.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Uit de overwegingen van de Hoge Raad volgt dat een afzonderlijke schadestaatprocedure niet behoeft te leiden tot verwerping van het opschortingsverweer. Zie anders Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3664, r.o. 5.41.
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie ook HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4. Zie § 7.2.2.
Voor opeisbaarheid van een vordering behoeft de omvang daarvan nog niet vast te staan.1 Zo is een schadevergoedingsvordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade wordt geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Daarvoor behoeft de omvang van de schade niet vast te staan.2 Dit heeft de Hoge Raad bevestigd in het arrest Ammerlaan/Enthoven. Zakelijk weergegeven vorderde Ammerlaan in conventie onder meer betaling van schadevergoeding wegens wanprestatie van Enthoven onder de tussen partijen bestaande koopovereenkomst, nader op te maken bij staat. In verband met deze schadevergoedingsvordering voerde Ammerlaan in reconventie een opschortingsverweer tegen de door Enthoven gevorderde betaling van openstaande facturen onder dezelfde overeenkomst, zodat zij de nog openstaande factuurbedragen te zijner tijd zou kunnen verrekenen met haar vordering tot schadevergoeding. Het hof onderschreef het oordeel van de rechtbank dat Ammerlaan niet opschortingsbevoegd was, omdat zij geen opeisbare vordering op Enthoven had. De Hoge Raad begreep dit oordeel alzo dat het door Ammerlaan ingeroepen opschortingsrecht geen stand kon houden, omdat de omvang van de door Ammerlaan geleden schade voorshands niet vaststond, nu zij berekening daarvan volgens de schadestaatprocedure vorderde. Dat oordeel casseerde de Hoge Raad, omdat het op een onjuiste rechtsopvatting berustte:
“Het feit dat de omvang van een vordering voorshands nog niet vaststaat, brengt niet mee dat die vordering nog niet opeisbaar is. Ook indien de omvang van een vordering tot schadevergoeding pas in een later stadium komt vast te staan – bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat, een procedure voor een buitenlandse rechter of een arbitraal geding – is die vordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan.”3
In het arrest Euretco/Naeije was het door de Hoge Raad in Ammerlaan/Enthoven nog bij wijze van voorbeeld genoemde geval aan de orde dat de omvang van de vordering in een arbitraal geding zou komen vast te staan. Zakelijk weergegeven ging het om het volgende. Euretco had aandelen in MKB gekocht van Naeije. Partijen waren een zogenoemde ‘balansgarantie’ overeengekomen. Voorts hadden partijen afgesproken dat als de balansgarantie zou blijken te zijn geschonden, de daaruit voortvloeiende correctie van de koopprijs van de aandelen zo nodig in een arbitrageprocedure zou worden bepaald. Euretco meende dat de balansgarantie was geschonden, dat daarom de koopsom naar beneden moest worden gecorrigeerd en dat Naeije uit hoofde van wanprestatie gehouden was tot schadevergoeding. In verband met deze vorderingen voerde zij een opschortingsverweer tegen een vordering van Naeije tot rentebetaling. In een overweging ten overvloede ging de Hoge Raad in op de vraag of de vordering tot correctie van de koopprijs nog niet opeisbaar zou zijn zolang de procedure tot vaststelling daarvan niet zou zijn doorlopen. De Hoge Raad beantwoorde die vraag die ontkennend:
“de opeisbaarheid van de (uit de gestelde wanprestatie van Naeije voortvloeiende) vordering van Euretco wordt immers niet weggenomen doordat in de aanpassingsclausule een bepaalde procedure is voorgeschreven (eerst een due diligence rapport, dan onderling overleg, en daarna zo nodig een arbitrageprocedure) waarlangs haar aanspraak op prijsvermindering moet worden gerealiseerd. Ook de omstandigheid dat de door Euretco gestelde wanprestatie ter zake van de balansgarantie en de daaruit voortvloeiende verplichting tot aanpassing van de koopsom (en eventueel tot schadevergoeding) door Naeije werden betwist, en derhalve nog niet vaststonden op het moment dat de rentebetalingen werden opgeschort (en Naeije tot ontbinding overging), staat er op zichzelf niet aan in de weg dat Euretco op dat moment wel reeds een opeisbare tegenvordering had; vgl. HR 21 september 2007, LJN BA9610, NJ 2009/50 (rov. 4.6).”4
Dat de omvang van de vordering niet behoeft vast te staan voor de opeisbaarheid daarvan, betekent niet dat de schuldenaar zich wat betreft deze omvang in stilzwijgen kan hullen. Hij zal de vordering en de omvang daarvan voldoende moeten onderbouwen, zodat de rechter zich zo nodig een voorshands oordeel kan vormen.5