Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.2.1
5.2.1 Bepaling toepasselijk recht
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85884:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 153.
Vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 16 (MvT); Asser/Vonken 10-I 2018/112; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 164 en 198. Vide ook Kuypers, op. cit., p. 388. Het ius civile bestaat uit formeel recht en materieel recht. Tot dat eerste behoort het procesrecht en het internationaal privaatrecht. Zoals gezegd, valt het procesrecht, in ieder geval het formele deel daarvan, onder de lex fori. Daar de lex causae zich beperkt tot het materiële recht, vallen de IPR-regels daarbuiten.
Vide, met voorbeelden, Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 195 et seq.
Kuypers, op. cit., p. 393.
P. Vlas, IPR en BW (Monografieën BW, deel A27), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 2 en 4.
Ofschoon het formele IPR niet in Boek 10 BW is geregeld, hebben sommige bepalingen daarvan toch (mede) betrekking op materie die tot het procesrecht kan worden gerekend; vide Vlas 2015, op. cit., p. 2.
Vide ook Vlas 2015, l.s.c.
Vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 8 (MvT): ‘Dit komt de duidelijkheid voor de wetstoepasser ten goede, waarbij dient te worden bedacht dat de bepaling in de door de Staatscommissie voorgestelde formulering weliswaar is gericht tot de rechter, maar dat, zoals de Staatscommissie in par. 30 van haar rapport ook opmerkt, toepassing van het conflictenrecht door andere wetstoepassers, zoals de notaris of de ambtenaar van de burgerlijke stand, niet moet worden uitgesloten. Om buiten twijfel te stellen dat de onderhavige bepaling ook dan toepassing dient te vinden, is de voorkeur gegeven aan een iets gewijzigde formulering.’ (curs. RPJ)
A.P.M.J. Vonken, in: T&C Burgerlijk Wetboek Boek 10, art. 10:2 BW, aant. 1.
Vide Tijssens, op. cit., p. 35-36 (en voetnoten 3 en 8) met verwijzingen aldaar; Asser/Vonken 10-I 2018/38; Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 165; voetnoot 272 supra. Ik laat hier rusten het door eerstgenoemde gemaakte onderscheid tussen formeel procesrecht en materieel procesrecht. De vraag die gesteld kan worden, is of onder de lex fori processus ook regels van materieel procesrecht vallen of dat die worden beheerst door het aangewezen materiële recht. Tijssens, op. cit., p. 40 concludeerde dat ‘regels van materieel procesrecht moeten worden gekwalificeerd als materieel recht en dus niet onder de reikwijdte vallen van de lex fori regit processum-regel’. Vide ook Asser/Vonken 10-I 2018/ 39; Strikwerda en Schaafsma, loc. cit. Vide ter illustratie rb. Amsterdam 18 april 2018, JOR 2018/ 201, m.nt. D.F.H. Stein, r.o. 4.17 (Trafigura), waarin de rechtbank overwoog dat ‘[d]e vraag of een (rechts)persoon als eiser ontvankelijk is in een procedure in Nederland wordt beheerst door regels van Nederlands burgerlijk procesrecht. De vraag of de Stichting als 305a-organisatie (haar “eerste hoedanigheid”) ontvankelijk is, moet derhalve op de voet van artikel 10:3 BW (ook) worden beoordeeld naar Nederlands recht (de lex fori processus)’. Vide tevens S.J. Schaafsma, IPR en EPR. Over wisselwerking, eenheid en verscheidenheid (oratie Leiden), Leiden: University Press, Leiden 2014, p. 7, die opmerkte dat ‘[p]rocesrecht blijft nationaal recht, de lex fori processus’.
Vide ook Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 11 (MvT); A.P.M.J. Vonken, in: T&C Burgerlijk Wetboek Boek 10, art. 10:3 BW, aant. 1; Asser/Vonken 10-I 2018/38.
Volgens Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 13 (MvT) wordt met renvoi gedoeld ‘op de praktijk die hierop neerkomt dat men mede het internationaal privaatrecht van het door de verwijzingsregel van het forum aangewezen rechtsstelsel toepast’.
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 164 en 198.
Vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 17 (MvT).
Ibid.
Ook ten aanzien van het onderhavige artikel geldt dat het ambtshalve behoort te worden toegepast; vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 18 (MvT). Vide ook voetnoot 302 supra.
Vide ook Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 18 (MvT): ‘De formulering van het artikel is neutraal, dat wil zeggen dat, ongeacht welk recht door de verwijzingsregel wordt aangewezen – ook als dit de lex fori is [curs. RPJ] – dit recht door deze bepaling opzijgezet kan worden ten gunste van een ander recht waarmee de veel nauwere band bestaat.’
Vide (uitvoerig) Asser/Vonken 10-I 2018/432et seq. en de verwijzingen (inter alia gelijk- en andersluidende opvattingen) aldaar, waaraan ik toevoeg M.H.J. van Rest, ‘Ondernemingskamer en buitenlandse of binnenlandse vennootschap’, TOP 2017/236, afl. 3, die kritiek heeft op de argumenten van de voorstanders van een correctie op basis van art. 10:8, eerste lid, BW, en waarbij ik aanteken dat de verwijzing naar Van Solinge kennelijk moet zijn: G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, art. 10:119 BW, aant. 8b. Naar de opvatting van Asser/Vonken 10-I 2018/433 kan de exceptieclausule van art. 10:8, eerste lid, BW niet als correctiemechanisme worden gehanteerd om het ex capiteart. 10:118 BW aangewezen incorporatierecht terzijde te stellen, waartoe redengevend is dat de art. 10:8, eerste lid, BW-exceptieclausule – uitsluitend – is gericht op het opsporen van het op de rechtsverhouding sterkst verbonden recht, en niet het verwijzingsresultaat mag corrigeren van op een andere grondslag berustende verwijzingsregels. In de doctrine wordt vrij algemeen aangenomen, zo vervolgde deze auteur, dat de incorporatieleer niet is gebaseerd op dit ‘sterkste verbondenheid’-criterium, maar een andere, specifieke grondslag heeft. Een ander argument dat in dit verband tegen terzijdestelling van het aangewezen incorporatierecht op grond van art. 10:8, eerste lid, BW wordt gebruikt, is dat (i) krachtens art. 10:8, tweede lid, BW de algemene exceptieclausule als hier bedoeld niet van toepassing is in geval van een geldige rechtskeuze van partijen, (ii) de keuze van de oprichters van de corporatie voor het incorporatierecht kan worden gezien als een vorm van rechtskeuze (zij zijn bevoegd om zelf de plaats (lees: het land) van oprichting van de corporatie te kiezen en daarmee het toepasselijke (incorporatie)recht, het recht in overeenstemming waarmee die corporatie wordt opgericht) en (iii) de rechtskeuze onder (ii) kan worden gelijkgesteld aan de rechtskeuze als genoemd onder (i). Vide voor dit argument en andere argumenten Asser/Vonken (supra). Hieruit vloeit voort dat het bepaalde in art. 10:8, eerste lid, BW ook niet kan worden gebruikt om, zoals Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/43 hebben verdedigd, het Nederlandse enquêterecht op een buitenlandse rechtspersoon toe te passen wanneer deze rechtspersoon een veel sterkere band met Nederland heeft dan met een ander land (lees: het land waar zich de statutaire zetel van de rechtspersoon bevindt), nu dat recht een onderwerp is dat wordt beheerst door het toepasselijke (Nederlandse) incorporatierecht; videAsser/Vonken 10-I 2018/435. De twee hieroven besproken argumenten zijn herhaald in A.P.M.J. Vonken en L.A.H.T. Vonken, ‘Een bespiegeling over de exceptieclausule van art. 10:8 BW, toegespitst op de incorporatieleer’, Ondernemingsrecht 2019/95, p. 532-541 (vide o.a. p. 541).
VideAsser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/2; P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Internationaal rechtspersonenrecht, aant. 2; Vlas 2017, op. cit., p. 32 (nr. 28); G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1b. Volgens Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 431 gaat het bij de bepaling van de werkelijke zetel om ‘de staat waar het hoofdbestuur (het centrum van bestuursactiviteiten) of de hoofdvestiging (het centrum van bedrijfsactiviteiten) van de corporatie zich bevindt’. Anders: Vlas 2017, loc. cit., naar wiens mening dat laatste in het stelsel van de werkelijke zetel niet als aanknopingspunt wordt gehanteerd. In Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 3 en 6 (MvT) wordt gesproken van ‘hoofdkantoor’ respectievelijk ‘hoofdbestuur’ als plaats waar de werkelijke zetel is gevestigd. Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 368 spreken van ‘hoofdbestuur’.
Naar het oordeel van het Bundesgerichtshof (i) blijft het stelsel van de werkelijke zetel van toepassing op een vennootschap die is opgericht conform het recht van een derde land met werkelijke zetel in Duitsland, en (ii) moet, naar aanleiding van de jurisprudentie van het Hof van Justitie, voor vennootschappen die zijn opgericht naar het recht van een lidstaat, aansluiting wor- den gezocht bij het incorporatiestelsel; vide Vlas 2017, op. cit., p. 113 (nr. 148) en de door hem aangehaalde uitspraak van het eerstgenoemde hof. Vide ook Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432.
Italië huldigt het stelsel van de werkelijke zetel ten aanzien van buitenlandse rechtspersonen die aldaar hun bestuurscentrum of hun exploitatiecentrum hebben. Vide Vlas 2017, p. op. cit., 115 (nr. 150); M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:118 BW, aant. C.1.1.
Buijn en Storm, op. cit. p. 1183 (voetnoot 2 en 3) hebben Letland ingedeeld bij zowel het incorporatiestelsel als bij het stelsel van de werkelijke zetel. Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432 heeft Letland ingedeeld bij het incorporatiestelsel.
Buijn en Storm, op. cit., p. 1183 (voetnoot 2) en Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432 hebben Litouwen ingedeeld bij het incorporatiestelsel. Anders: Vlas 2017, op. cit., p. 117 (nr. 153), die van mening is dat Litouwen moet worden ingedeeld bij de landen die het stelsel van de werkelijke zetel aanhangen.
Vide Vlas 2017, op. cit., p. 110 et seq. (nr. 144-153); M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:118 BW, aant. C.1.1; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432; Buijn en Storm, op. cit., p. 1183 (voetnoot 3); G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1b.
Vide Buijn en Storm, op. cit., p. 1183; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/3; P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Internationaal rechtspersonenrecht, aant. 2; Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 16); G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1a; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118 BW, aant. 1a. Het door het incorporatiestelsel aangewezen recht beheerst de rechtspersoon in al zijn aspecten, namelijk van het bestaan, de oprichting, de inrichting en de interne structuur tot aan de ontbinding en het einde; vide Vlas voormeld.
VideAsser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/3; P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Internationaal rechtspersonenrecht, aant. 2; Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 16); G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1a. Vide echter ook Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 17), die de aanduiding van het incorporatiestelsel met de term ‘stelsel van de statutaire zetel’ minder gelukkig acht, omdat het in theorie mogelijk is dat een rechtspersoon die is opgericht overeenkomstig het recht van het ene land, zijn statutaire zetel conform dat recht in een ander land mag vestigen.
Vide Buijn en Storm, op. cit., p. 1183; P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Internationaal rechtspersonenrecht, aant. 2. Vide ook Asser/ Kramer & Verhagen 10-III 2015/3.
Tot 1 mei 2019 gold in België de leer van de werkelijke zetel (vide Vlas 2017, op. cit., p. 110-112), maar per die datum geldt de leer van de statutaire zetel; vide hierover Zilinsky 2019, op. cit., p. 514.
Italië huldigt ten aanzien van eigen rechtspersonen het incorporatiestelsel; vide Vlas 2017, op. cit., p. 115 (nr. 150); M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:118 BW, aant. C.1.
Volgens Vlas 2017, op. cit., p. 117 (nr. 153) huldigt Letland het stelsel van de werkelijke zetel. Vide ook voetnoot 316 supra.
Volgens Vlas 2017, l.s.c. huldigt Litouwen het stelsel van de werkelijke zetel. Vide ook voetnoot 317 supra.
Volgens Buijn en Storm, op. cit., p. 1183 (voetnoot 2) is het onzeker of Noorwegen het incorporatiestelsel huldigt.
Vide Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 432; Buijn en Storm, op. cit., p. 1183 (voetnoot 2); Vlas 2017, op. cit., p. 115 (nr. 150) en 117 et seq. (nr.153-158); M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:118 BW, aant. C.1; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1a.
Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 67 (MvT). Vide ook Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 4 en 15 (MvT).
Het begrip ‘corporatie’ is een ‘ruim te interpreteren verzamelbegrip voor die naar buiten tredende lichamen en samenwerkingsverbanden die door het recht als zodanig worden erkend, al dan niet als rechtspersoon’; vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 67 (MvT). Blijkens art. 10:117, aanhef en onderdeel a, BW wordt daaronder (mede) verstaan een vennootschap.
Vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 16 (MvT); Van Solinge 2006, op. cit., p. 224-225; Buijn en Storm, op. cit., p. 1183; Vlas 2017, op. cit., p. 42 (nr. 50) en 175 (nr. 243-244). In plaats van ‘incorporatiestatuut’ wordt ook wel gesproken van ‘rechtspersoonsstatuut’ of ‘vennootschapsstatuut’; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 5-6 en 17 (MvT); de noot, onder 3, van De Boer bij HR 13 november 2015, NJ 2016/425, m.nt. Th.M. de Boer en A.I.M. van Mierlo, JOR 2016/24, m.nt. A. Steneker (Yukos).
Er wordt gesproken van ‘staat’ en niet van ‘land’, omdat interregionale kwesties niet worden geregeld in titel 8 van Boek 10 BW; vide Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/21; Vlas 2017, op. cit., p. 43 (nr. 53).
Onder ‘zetel’ wordt verstaan de statutaire zetel; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 16-17 (MvT); Vlas 2017, op. cit., p. 42 (nr. 50). Vide ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/18 en 22; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118, aant. 2a. Die laatstbedoelde term wordt echter, behoudens art. 10:120 BW, als zodanig niet gebezigd, nu hij niet in alle rechtsstelsels bekend is; vide Vlas voornoemd. Vide ook Van Solinge voornoemd. Volgens de wetgever wordt met de term (statutaire) ‘zetel’ niet bedoeld ‘de in de statuten opgenomen zetel van de corporatie, maar de plaats die volgens het op de corporatie toepasselijke recht als plaats van vestiging in de statuten moet worden opgenomen’; vide Kamerstukken II 1994/ 95, 24141, 3, p. 17 (MvT). Vide ook Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 16 (MvT). Te dien aan- zien kunnen twee situaties worden onderscheiden: (i) de statuten vermelden een andere plaats van vestiging van de zetel dan die volgens het incorporatierecht in de statuten had moeten worden opgenomen en (ii) de statuten vermelden – overeenkomstig het incorporatierecht – een andere plaats van vestiging van de zetel dan die ligt op het grondgebied van de staat naar het recht van welke de corporatie is opgericht, op welke situatie art. 10:118 BW – strikt genomen – geen betrekking heeft, nu dat artikel uitgaat van de situatie waarin de (statutaire) zetel in de staat ligt volgens welks recht de corporatie is opgericht. Evenzo P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118 BW, aant. 3. Ik geef een voorbeeld van de situatie als bedoeld onder (i). Een corporatie die is opgericht naar het recht van staat A, heeft haar (statutaire) zetel in staat B. Alsdan geldt uitsluitend – overeenkomstig het incorporatierecht – staat A als vestigingsplaats van de zetel. Thans een voorbeeld van de situatie als bedoeld onder (ii). Een corporatie die is opgericht naar het recht van staat X, mag – overeenkomstig het incorporatierecht – haar (statutaire) zetel in een andere staat vestigen. Zij heeft in de statuten staat Y als vestigingsplaats van de zetel vermeld. Alsdan kan men tot de toepassing van twee rechtsstelsels komen, te weten het recht van vestiging van de (statutaire) zetel en het recht in overeenstemming waarmee de corporatie is opgericht. Mocht de situatie onder (ii) zich voordoen, dan zal de rechter met inachtneming van alle omstandigheden van het geval moeten beslissen wat het op de corporatie toepasselijke recht is; vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 68 (MvT). Vide in die richting ook Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 17 (MvT). Volgens Vlas 2017, l.s.c. ligt het voor de hand om in zulk een situatie aan te nemen dat het recht van de staat naar welks recht de corporatie is opgericht, doorslaggevend is, nu de (statutaire) zetel op grond daarvan elders zal zijn gevestigd. Daarbij aansluitend Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/23. Op dat spoor zit ook Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 68 (MvT). Vide ook Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 17). Overigens zij opgemerkt dat de twee bovengenoemde situaties nogal theoretisch zijn, nu in de regel de staat waarin de (statutaire) zetel van de corporatie is gevestigd, zal samenvallen met de staat naar het recht van welke de corporatie is opgericht; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 16-17 (MvT); Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 68 (MvT); Buijn en Storm, op. cit., p. 1186; Vlas 2017, op. cit., p. 26 (nr. 16-17) en 42 (nr. 50); M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:118 BW, aant. C.2; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, Inleidende opmerkingen, aant. 1a. Vide ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/19. Zo dient een naar het recht van Nederland opgerichte vennootschap haar (statutaire) zetel ook in die staat te hebben; vide art. 2:66 (177), derde lid, BW. Ik ga er daarom van uit dat als een rechtspersoon naar het recht van een vreemde staat is opgericht, hij op het grondgebied van deze zijn (statutaire) zetel heeft.
Daarmee heeft de wetgever buiten twijfel willen stellen dat – thans: art. 10:118 BW – ook ingeval een latere zetelverplaatsing (vide art. 10:120 BW) zijn gelding behoudt voor de periode tot aan die verplaatsing; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 17, in fine (MvT). Vóór de zetelverplaatsing wordt de corporatie dus beheerst door het recht van de staat overeenkomstig waarmee zij is opgericht. Vanaf de zetelverplaatsing beheerst in beginsel het recht van de staat van de nieuwe zetel de in art. 10:119 BW neergelegde onderwerpen; vide art. 10:120, tweede volzin, BW.
Vide Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/19; Rutgers en Zilinsky, op. cit., p. 64; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118, aant. 1a. Ingeval de zetel als bedoeld in art. 10:118 BW ontbreekt, geeft dat artikel een alternatieve aanknopingsfactor, te weten het ‘centrum van optreden naar buiten’. Vide ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/18; Vlas 2017, op. cit., p. 42-43 (nr. 51).
Vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 67 (MvT). Vide ook Buijn en Storm, op. cit., p. 1186; P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:118 BW, aant. 3.
Vide daaromtrent Asser/Vonken 10-I 2018/404-405.
Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 68 (MvT).
Vlas 2017, op. cit., p. 175 (nr. 243), die tevens opmerkte dat niet álle kwesties door het incorporatierecht worden beheerst. Vide ook Buijn en Storm, op. cit., p. 1184.
Buijn en Storm, op. cit., p. 1186.
Wet van 17 december 1997, houdende regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot corporaties (Wet conflictenrecht corporaties), Stb. 1997, 699. Deze wet trad in werking op 1 januari 1998; vide Stb. 1997, 743. Bij de Wet van 19 mei 2011 tot vaststelling en invoering van Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek (Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek) werd de Wet conflictenrecht corporaties ingetrokken; vide Stb. 2011, 272 (Artikel IV, aanhef en onderdeel i). De eerstbedoelde wet trad in werking op 1 januari 2012; vide Stb. 2011, 340.
Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 17 (MvT). Vide ook M.V. Polak, ‘Artikelen 71-76 IPR-schets: Corporaties’, WPNR 1993/6110, p. 758; Van Solinge en Bulten, op. cit., p. 128; Van Solinge 2006, op. cit., p. 225; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/735; Jager, op. cit., p. 49 (voetnoot 229); Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/42 en 43; Vlas 2017, op. cit., p. 175 (nr. 244); P. Vlas, in: GS Rechtspersonen, Internationaal rechtspersonenrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:119 BW, aant. 12; M.E. Koppenol-Laforce, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 10:119 BW, aant. C.3.1; G. van Solinge, in: T&C Ondernemingsrecht, Internationaal privaatrecht, Titel 8 Boek 10 BW, art. 10:119 BW, aant. 5a. Los van de opmerking van de minister van Justitie, kan er voor de stelling dat het enquêterecht binnen de reikwijdte van het corporatiestatuut valt, ook steun worden gevonden in art. 10:119, aanhef en onderdeel b, BW, waarin wordt gesproken van ‘het inwendig bestel van de corporatie en alle daarmee verband houdende onderwerpen [curs. RPJ]’. Met die laatste zinsnede wordt immers een zeer ruim terrein bestreken; vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 69 (MvT). Daarbij gaat het niet alleen om ‘vrijwel alle in Boek 2 [BW] geregelde onderwerpen van rechtspersonenrecht, maar ook om enkele daar niet geregelde maar wel nauw verwante onderwerpen’; vide Kamerstukken II 2009/10, 32137, 3, p. 69 (MvT). (In de memorie van toelichting bij art. 3 Wet conflictenrecht corporaties werd nog gesproken van ‘alle [curs. RPJ] in Boek 2 B.W. geregelde onderwerpen’; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 19. Een inhoudelijke wijziging in de zin van een beperking van de reikwijdte van art. 10:119, aanhef en onderdeel b, BW is echter door te spreken van ‘vrijwel alle’ in plaats van ‘alle’ naar mijn indruk niet beoogd.) Blijkens de memorie van toelichting bij de voorloper van art. 10:119 BW, te weten art. 3 WCC, kan men denken aan ‘de naam, registratieverplichtingen, doelomschrijving, duur, de vraag wie vennoten, leden of aandeelhouders kunnen zijn, hun rechten en verplichtingen, toelating van leden en beëindiging van hun lidmaatschap, kapitaal en vermogen, uitgifte van aandelen, inbreng op aandelen, soort en waarde van aandelen, inkoop van eigen aandelen, kapitaalvermindering, jaarrekening en jaarverslag, uitkering al dan niet van winst aan leden, vennoten en aandeelhouders, plaats en wijze van vergaderen door de algemene vergadering, bestuur en raad van toezicht, stemrechtovereenkomsten (voorzover [sic] dit onderwerp niet valt onder de regeling van het op verbintenissen uit overeenkomst toepasselijke recht), geschillenregelingen, uitkoopregelingen’; vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 19.
Wet van 17 december 1997, houdende regels met betrekking tot naar buitenlands recht opgerichte, rechtspersoonlijkheid bezittende kapitaalvennootschappen die hun werkzaamheid geheel of nagenoeg geheel in Nederland verrichten en geen werkelijke band hebben met de staat naar welks recht zij zijn opgericht (Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen); vide Stb. 1997, 697. Deze wet trad in werking op 1 januari 1998. Blijkens Kamerstukken II 2003/04, 29524, 3, p. 1 (MvT) heeft de WFBV een drieledig doel, namelijk (a) het oneigenlijk gebruik van buitenlandse vennootschappen te bestrijden, (b) het voorkomen van ontwijking van dwingende regels van Nederlands recht en (c) het beschermen van schuldeisers.
Vide Kamerstukken II 1994/95, 24141, 3, p. 21 (MvT).
Ibid.
Ibid.
Vide ook Kamerstukken II 1994/95, 24139, 3, p. 5 (MvT).
Vide ook Kamerstukken II 1994/95, 24139, 3, p. 3 (MvT).
Trb. 1992, 132. Bij de Europese Economische Ruimte horen alle lidstaten en drie niet-lidstaten, te weten IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.
Art. 1, tweede lid, WFBV werd in het leven geroepen bij de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen; vide Stb. 2005, 230. Deze wet trad in werking op 1 juni 2005; vide Stb. 2005, 263. Vide omtrent de aanleiding daartoe Kamerstukken II 29524, 3, p. 3-6 (MvT).
Vide Kamerstukken II 1994/95, 24139, 3, p. 4 (MvT); Kamerstukken II 1996/97, 24139, 6, p. 6-7 (NV); Kamerstukken I 1997/98, 24139 en 24141, 61a, p. 1-3 (MvA). Vide ook Stcrt. 1992, 227;Kamerstukken II 1992/93, 22400, 9, p. 6 (NEV); Handelingen II 1992/93, 65, p. 4669. Hoewel het enquêterecht – naar huidig recht – niet onder de werking van de WFBV valt, blijkt uit de eerstgenoemde Kamerstukken niet van een principiële afwijzing aan de kant van de wetgever. In deze richting ook hof Amsterdam (OK) 16 juli 2004, JOR 2004/230, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.2-3.5 (Citadel). Vide ook L. Timmerman en M.A. Verbrugh, ‘Het Nederlandse enquêterecht in een internationaliserend vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2009/35, p. 154. Desondanks acht ik, gelet op de uitlatingen van de minister van Justitie, de kans vrij klein, zo niet verwaarloosbaar, dat het enquêterecht in de toekomst alsnog – over de band van de WFBV – van toepassing wordt verklaard op formeel buitenlandse vennootschappen. In de Citadel-zaak lijkt de Ondernemingskamer, getuige haar woorden dat de toepassing van het enquêterecht ‘in een geval als het onderhavige (…) als wenselijk [curs. RPJ] kan worden beschouwd’, niet erg tevreden te zijn geweest met haar uit de wetsgeschiedenis getrokken conclusie dat naar huidig recht het enquêterecht niet kan worden toegepast op formeel buitenlandse vennootschappen zoals Citadel; vide hof Amsterdam (OK) 16 juli 2004, JOR 2004/230, m.nt. M.W. Josephus Jitta, r.o. 3.5 (Citadel). Vide ook § 5.2.2. Evenzo Josephus Jitta in zijn noot, onder 3, bij deze beschikking. Timmerman en Verbrugh, op. cit., p. 155. zitten op dezelfde lijn als de Ondernemingskamer: ‘Als laatste komt de wenselijkheid van een wettelijke toepassing van het enquêterecht op fbv’s aan de orde. We menen dat dit het geval is [curs. RPJ]. Bij een fbv uit een EU-lidstaat is het aantal instrumenten waarmee misbruik bestreden kan worden beperkt. Hierboven zijn slechts de aansprakelijkheidsbepalingen genoemd van art. 2:138 BW, art. 2:249 BW, art. 2:260 BW en art. 2:261 BW. Toepassing van het enquêterecht kan onder omstandigheden een nuttige aanvullende rol spelen.’ Bulten heeft deze wens onderschreven; vide C.D.J. Bulten, De vennootschap en de geconstrueerde werkelijkheid (oratie Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 25. Vide ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/43.
Ingeval een Nederlandse rechtbank op grond van art. 25 EEX-Vo II (forumkeuze) dan wel de Ondernemingskamer uit hoofde van art. 3, aanhef en onderdeel a, Rv of ingevolge art. 4, eerste lid, EEX-Vo II iunctoart. 63, eerste lid, onderdeel b of c, EEX-Vo II internationale bevoegdheid heeft ter zake van de kennisneming van een enquêteverzoek dat (mede) gericht is op een statutair op het grondgebied van een andere (lid)staat dan Nederland zetelende groepsmaatschappij, dan rijst vervolgens de vraag welk recht op die vennootschap moet worden toegepast. Wat is, anders gezegd, de lex societatis en hoe wordt die bepaald? Hierop zal in het navolgende worden ingegaan. Alvorens daartoe over te gaan, maak ik eerst een aantal preliminaire opmerkingen.
Allereerst een enkel woord over de in dit verband veelgebruikte IPR-terminologie, te beginnen met de lex causae, van welk genus de lex societatis, waaronder wordt verstaan het recht dat op een vennootschap van toepassing is, een species is. De lex causae is het door een conflictregel aangewezen toepasselijke recht,1 dat naar Nederlands IPR beperkt is tot het materiële privaatrecht,2 en dus niet het hele buitenlandse rechts(stelsel) inclusief de IPR-regels daarvan omvat, zodat renvoi problemen (herverwijzing, in de zin van terugverwijzing en verderverwijzing) zich niet voordoen (vide ook infra).3 Het toepasselijke recht kan vreemd recht zijn, maar de conflictregel kan ook het recht van de aangezochte rechter aanwijzen. Ter aan- duiding van het eigen recht daarvan wordt gesproken van de lex fori, in welk geval de lex causae en de lex fori samenvallen. Intermezzo: in het kader van een forumovereenkomst in de zin van (de voorloper van) art. 25 EEX-Vo II wordt de term lex fori ook wel gebruikt, waarmee dan wordt bedoeld de lex fori prorogati, i.e. de recht van de staat van de geprorogeerde rechter, de lex fori derogati, i.e. het recht van de staat van de gederogeerde rechter, de lex fori aditi, i.e. het recht van de staat waar de procedure aanhangig is, of een combinatie hiervan.4 Een conflictregel kan ook bepalen dat ten aanzien van een bepaald onderwerp, zoals procesrechtelijke kwesties, de lex fori van toepassing is (vide infra).
Overigens wijd ik nog een enkel woord aan het volgende. Boek 10 BW codificeert het commune Nederlandse conflictenrecht.5Art. 10:1 BW herinnert er echter aan dat de daarin opgenomen (materiële)6 IPR-regels, alsmede de in andere wettelijke regelingen vervatte IPR-regels, een lagere rang hebben door te bepalen dat de werking van voor Nederland bindende internationale en Unierechtelijke7 regelingen onverlet laten (deze hebben dus een hogere rang en derhalve voorrang).8 Voorts bepaalt art. 10:2 BW dat – kennelijk: (mede) de rechter –9de IPR-regels (lees: regels van conflictenrecht of verwijzingsregels)10 én het door deze (als toepasselijk) aangewezen recht – ambtshalve – dient toe te passen. Hiernaast wijst de art. 10:3 BW-conflictregel de lex fori processus, ook wel de lex fori regit processum genoemd, als toepasselijk recht aan, en wel aldus dat op de wijze van procederen – ten overstaan van de Nederlandse rechter – het Nederlandse (proces)recht van toepassing is,11 een en ander, zo voeg ik toe, met inachtneming van het bepaalde in art. 10:1 BW.12 Bovendien is renvoi13 in art. 10:5 BW uitgesloten; de verwijzing door een conflictregel naar buitenlands recht is beperkt tot het materiële privaatrecht daarvan.14 Verder stip ik de (algemene) exceptieclausule,15 een ‘correctiemogelijkheid’,16 in art. 10:8, eerste lid, BW aan.17 Deze houdt in dat het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, met dien verstande dat in het licht van alle omstandigheden van het geval de in die regel veronderstelde nauw band kennelijk slechts in zeer geringe mate bestaat en met een ander recht een veel nauwere band bestaat, in welk geval dat andere recht wordt toegepast.18 De vraag die dan opdoemt, is of met een beroep daarop het aangewezen incorporatierecht (vide infra) opzij kan worden gezet. De meerderheidsopvatting lijkt te zijn dat dat niet kan.19
Welnu, er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het stelsel van de werkelijke zetel (siège r éel) en het incorporatiestelsel. Het eerstbedoelde stelsel houdt in dat een rechtspersoon wordt beheerst door het recht van het land waarin hij zijn werkelijke zetel heeft, waaronder in dit verband wordt verstaan de plaats waar de bestuursactiviteiten worden verricht, de centrale bestuurszetel.20 (Een variant van) dit stelsel wordt gehuldigd in, onder andere, Duitsland,21 Estland, Frankrijk, Griekenland, Italië, 22 Letland, 23 Litouwen, 24 Luxemburg, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië en Spanje.25 Het laatstbedoelde stelsel houdt, strikt genomen, in dat een rechtspersoon wordt beheerst door het recht van het land volgens welk hij is opgericht (één vereiste; vide echter infra).26 Nu meestentijds in dat land conform het aldaar geldende incorporatierecht (imperatief of facultatief) zijn statutaire zetel is gevestigd, wordt dit stelsel ook wel de leer van de statutaire zetel (siège statutaire) genoemd.27 Daarbij doet niet ter zake waar de rechtspersoon zijn centrale bestuurszetel heeft, noch waar de feitelijke bedrijfsactiviteiten worden verricht.28 Naast Nederland wordt (een variant van) het incorporatiestelsel gehuldigd in, onder andere, België,29 Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Ierland, Italië,30 Letland, 31 Liechtenstein, Litouwen, 32 Noorwegen, 33 Rusland, Slowakije, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk, (diverse deelstaten van de) Verenigde Staten, Wit-Rusland, Zweden en Zwitserland.34
Zoals gezegd, huldigt Nederland het incorporatiestelsel. Dit volgt uit art. 10:118 BW.35 Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat een corporatie36 wordt beheerst door het recht – waarmee (kennelijk) wordt bedoeld: het rechtspersonenrecht, ook wel aangeduid als het ‘incorporatierecht’ of ‘corporatiesta- tuut’ –37van de staat38 (1) volgens welk zij is opgericht én (2) op het grond- gebied van welke zij ingevolge de oprichtingsakte haar zetel39 – ten tijde van de oprichting –40heeft (bijkomend vereiste; vide echter supra). 41 Zijn deze twee – voor de aanwijzing van het op de corporatie toepasselijke recht geldende – elementen42 vervuld, dan is daarmee het op de corporatie toepasselijke recht aan- gewezen, waarna de (relevante) inhoud daarvan dient te worden opgespoord en vast- gesteld,43 waarbij art. 10:119 BW een belangrijke rol speelt, dat de omvang/ reikwijdte van het incorporatierecht bepaalt.
Dit artikel bevat een niet-uitputtende44 opsomming van materieel rechtspersonenrechtelijke45 onderwerpen die worden beheerst door het op de corporatie als toepasselijk aangewezen recht. Het gaat daarin uitsluitend om het eerdergenoemde corporatiestatuut.46 Nu het enquêterecht in de niet-limitatieve opsomming van onderwerpen als bedoeld in art. 10:119 BW (vide de woorden ‘in het bijzonder’) niet expliciet is vermeld, rijst de vraag of het desondanks onder het evenbedoelde statuut valt. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. In de memorie van toelichting bij (het thans vervallen) art. 3 Wet conflictenrecht corporaties (hierna: WCC),47 welk artikel woordelijk overeenstemt met art. 10:119 BW, merkte de toenmalige minister van Justitie, Sorgdrager, immers op dat ook het enquêterecht in zijn algemeenheid onder het vennootschapsstatuut valt.48 Nu het enquêterecht binnen de reikwijdte van dat statuut valt, betekent zulks dat als het op een corporatie toepasselijke recht van een vreemde staat is aangewezen, zij beheerst wordt door het incorporatierecht – met alle daartoe behorende onderwerpen, waaronder het enquêterecht – van die staat en mocht dat recht van deze een enquêteregeling bevatten (vide voor een overzicht § 5.1.1.4), dan dient die regeling op de desbetreffende corporatie te worden toegepast. Voor het daarop toepassen van het Nederlandse enquêterecht bestaat geen ruimte, ook niet als het vreemde incorporatierecht geen enquêteregeling kent. In dat geval kan het enquêteverzoek (in zoverre) niet voor toewijzing in aanmerking komen.
Ten overvloede vestig ik de aandacht nog op het volgende. Luidens art. 10:124 BW laat titel 8 (Corporaties) van Boek 10 BW onverlet hetgeen is bepaald bij de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen (hierna: WFBV).49 Daarmee wordt bedoeld dat de regels van deze wet in de daarin omschreven gevallen prevaleren boven de regels van de voormelde titel.50 In zoverre doorbreekt de eerdergenoemde wet het stelsel van de toepasselijkheid van het incorporatiestelsel als bedoeld in art. 10:118 BW.51 Voor zover eerstgenoemde geen afwijkende regels bevat, geldt – ook voor een formeel buitenlandse vennootschap – het hoofdbeginsel van de toepasselijkheid van laatstgenoemde.52
Welnu, blijkens art. 1, eerste lid, WFBV moet onder ‘formeel buitenlandse ven- nootschap’ worden verstaan een naar buitenlands recht opgerichte (criterium één) kapitaalvennootschap met rechtspersoonlijkheid (criterium twee) die haar werkzaamheden (nagenoeg) geheel in Nederland verricht (criterium drie) en die geen werkelijke band heeft met de staat naar het recht van welke zij is opgericht (criterium vier).53 Is van zulk een vennootschap sprake, dan dienen daarop bepaalde regels van het Nederlandse vennootschapsrecht te worden toegepast, zoals voorschriften omtrent (i) de inschrijving in het handelsregister (art. 2 WFBV), (ii) de vermelding van bepaalde gegevens in alle geschriften, gedrukte stukken en aankondigingen die van haar uitgaan (art. 3 WFBV), (iii) uitkeringen aan aandeelhouders, inkoop van aande- len en vermindering van het geplaatste kapitaal met terugbetaling op aandelen, waartoe art. 2:9 BW, art. 2:216, derde lid, BW en art. 2:248 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard (art. 4 WFBV), (iv) de boekhoudplicht, waartoe art. 2:10 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard, en het opmaken, de inrichting en de openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag, waartoe titel 9 van Boek 2 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard (art. 5 WFBV), en (v) de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen voor de jaarrekening en het jaarver- slag, waartoe art. 2:249 BW, art. 2:260 BW en art. 2:261 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard (art. 6 WFBV),54 waarbij zij opgemerkt dat, behoudens art. 6 WFBV, deze voorschriften niet gelden voor vennootschappen waarop het recht van een der lidstaten of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 van toepassing is,55 een en ander ingevolge art. 1, tweede lid, WFBV.56
Het vorenstaande brengt mee dat als een vennootschap wordt beheerst door het recht van, bijvoorbeeld, Brazilië en zij een formeel buitenlandse vennootschap in de zin van art. 1, eerste lid, WFBV is, de bovenbedoelde voorschriften op haar van toepassing zijn. Het Nederlandse enquêterecht valt evenwel niet onder de werking van de WFBV – volgens de toenmalige minister van Justitie is het daar in zijn hui- dige vorm ongeschikt voor – zodat de Ondernemingskamer zulks niet op de vorenbedoelde vennootschap kan toepassen.57