Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.8.1
5.2.8.1 Toegelaten dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen volgens de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400695:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dat geval kunnen de lidstaten deze benadeelde inzittende ook de toegang tot het waarborgfonds ontzeggen. Zie voor de dekking van de waarborgfondsen par. 5.5.8.
HvJ EU 28 maart 1996, nr. C-129/94 (Ruiz Bernáldez),Jur. 1996, p. 1-1829.
Zie het arrest, r.o. 12.
HvJ EG 30 juni 2005, zaak C-537/03 (Candolin e.a./Pohjola e.a.), Jur. 2005, p. 1-5745, NJ 2006, 110 nuit. MRM.
Sedert het ongeval, maar vóór het wijzen van het arrest, is de Finse wet gewijzigd en werd de sanctie afgezwakt, na een 'met redenen omkleed advies van de Europese Commissie' aan Finland. Of de Finse wet voldoet aan de eisen die het arrest aan een geslaagd beroep op beperking van de schadevergoeding stelt, betwijfel ik. Voor de oude en de nieuwe tekst van de Finse wet verwijs ik naar de rechtsoverwegingen 8 en 9 van het arrest.
Arrest, r.o. 3.
HvJ EU 9 februari 1984, nr. 64/83 (Bureau central francais/Fonds de garantie automobile e.a.), Jur. 1984, p. 689.
Zie mijn bijdrage Van dronken bestuurders, hun passagiers en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie', in de Wansink-bundel, p. 44.
In het geval Candolin waren, zoals eerder opgemerkt, alle inzittenden onder invloed. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dat, of het niveau van hun 'intoxicatie', als een uitzonderlijke omstandigheid kwalificeert.
Van Dam, 2006, nr. 1406.
Visser & Kerkmeester, p. 1978 e.v.
Dit kan gevolgen hebben voor de Nederlandse praktijk om aan passagiers die bij een dronken bestuurder instappen, of hun gordel of helm niet dragen, een percentage eigen schuld toe te rekenen.
Dat is in lijn met art. 13 lid 1 van de Richtlijn: de formulering van die bepaling verbiedt geen polisclausules die de dekking in de daar bedoelde gevallen beperken. Zij verbiedt slechts dat die tegenover benadeelden kunnen worden ingeroepen.
Het zou voor de passagier niet doenlijk zijn het bedwelmingsniveau van de bestuurder vast te stellen. Een niet bijzonder overtuigend argument. De 5e Richtlijn is in dit opzicht kennelijk bedoeld als een codificatie van het arrest-Ruiz Bernáldez (het Candolin-arrest was nog niet gewezen).
De Richtlijn bevat verschillende bepalingen die nationale overheden beperken in hun mogelijkheden om door wettelijke bepalingen de dekking te beperken en die de bevoegdheid van verzekeraars inperken om polisclausuleringen aan benadeelden tegen te werpen.
Op grond van art. 13 lid 1 van de Richtlijn is niet tegen de benadeelde derde in te roepen de uitsluiting van de dekking van:
a) gebruikers of bestuurders die niet zijn gemachtigd tot het gebruik van het motorrijtuig (waaronder onder meer dieven en joyriders);
b) gebruikers of bestuurders die niet in het bezit zijn van het voor het besturen van het betrokken voertuig benodigde rijbewijs;
c) en van degenen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen.
Het is de verzekeraar dus bijvoorbeeld niet toegestaan dekking te weigeren, als de schade is veroorzaakt door een voertuig dat niet door de APK zou zijn gekomen, of dat te zwaar beladen is.
Het uit de 5e Richtlijn stammende derde lid voegt daaraan toe dat dekking ook niet aan een inzittende kan worden geweigerd als de bestuurder onder invloed (van alcohol of anderszins) verkeerde, zelfs niet als de passagier dat had kunnen of moeten weten.
Bovendien stelt de Richtlijn in art. 17 buiten elke twijfel, dat eigen risico's die in de relatie tussen verzekeraar en verzekeringnemer zijn overeengekomen, niet aan de benadeelde derde kunnen worden tegengeworpen.
Op dit verbod van het toekennen van derdenwerking aan polisuitsluitingen wordt echter een aantal uitzonderingen gemaakt.
Indien en voor zover de benadeelde een beroep kan doen op de sociale zekerheid, kan een lidstaat in de eerste drie hierboven genoemde situaties (geen rijbewijs, ongeoorloofd gebruik en technische gebreken) een polisuitsluiting wel toestaan.
Bovendien kan een lidstaat een 'diefstaluitsluiting' toestaan die aan derden is tegen te werpen, onder voorwaarde dat de benadeelde zich tot het waarborgfonds kan wenden. Gaat het echter om een passagier van een gestolen voertuig, dan moet de verzekeraar schadevergoeding kunnen weigeren als deze benadeelde geheel vrijwillig in het voertuig heeft plaatsgenomen en de verzekeraar bewijst dat de benadeelde wist dat het voertuig gestolen was.1
In een tweetal arresten van het Hof van Justitie van de EU is de vraag aan de orde geweest, welke ruimte dit stelsel aan de nationale wetgevers en de verzekeraars laat op het gebied van wettelijke of contractuele dekkingsbeperkingen, met andere woorden of de opsomming van art. 13 van de Richtlijn limitatief is, zodat andere dan deze beperkingen van de dekking geen derdenwerking kunnen hebben. Deze vraag rees in het bijzonder in verband met rijden onder invloed (de arresten dateren van voor de toevoeging met de 5e Richtlijn van het huidige derde lid van art. 13 van de Richtlijn en zijn gewezen onder het regime van de 2e en de 3e Richtlijn).
Het uitgangspunt is volgens het Hof, dat de Richtlijn een uitputtende regeling van tegen benadeelden in te roepen polisuitsluitingen heeft getroffen.
In Ruiz Bernáldez2spreekt het Hof ten aanzien van derden uit dat het buiten de in art. 2 lid 1 van de 2e Richtlijn (thans art. 13 lid 1) genoemde situaties niet mogelijk is dekkingsbeperkingen te hanteren die tegen derden kunnen worden ingeroepen.
Ruiz Bernáldez had onder invloed (waarschijnlijk van alcohol) schade veroorzaakt aan een derde en de Spaanse wet stond een polisuitsluiting terzake toe die aan benadeelden was tegen te werpen; uit het arrest blijkt niet of de benadeelde zich in dan wel buiten de auto bevond.
Het Hof oordeelt dat dergelijke polisuitsluitingen strijdig zijn met de Richtlijn en wel op grond van de volgende rechtsoverwegingen:
"18) Gelet op het beschermingsoogmerk, dat in de richtlijnen steeds opnieuw is bevestigd, moet artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, aldus worden uitgelegd, dat de verplichte motorrijtuigenverzekering derden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, schadeloosstelling moet waarborgen voor alle door hen geleden lichamelijk letsel en materiële schade, ten belope van de in artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn vastgestelde bedragen.
19) Elke andere uitlegging zou tot gevolg hebben, dat de Lid-Staten de schadeloosstelling van derden die het slachtoffer zijn van een verkeersongeval, kunnen beperken tot bepaalde soorten schade. Dit zou leiden tot verschillen in behandeling tussen de slachtoffers al naar gelang de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan, hetgeen de richtlijnen juist beogen te vermijden. Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn zou dan zijn nuttig effect worden ontnomen.
20) Mitsdien verzet artikel 3, lid 1, van de eerste richtlijn zich ertegen, dat de verzekeraar met een beroep op wettelijke bepalingen of contractuele clausules kan weigeren, derden die het slachtoffer zijn van een door het verzekerd voertuig veroorzaakt ongeval, schadeloos te stellen.
21) In dit verband brengt artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de Tweede richtlijn deze verplichting slechts in herinnering met betrekking tot bepalingen of clausules in een verzekeringspolis, op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen in bijzondere gevallen (personen die niet gemachtigd zijn het voertuig te besturen, personen die geen rijbewijs hebben of personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het voertuig niet in acht hebben genomen). In afwijking van deze verplichting bepaalt artikel 2, lid 1, tweede en derde alinea, evenwel, dat de verzekeraar in bepaalde gevallen wel kan weigeren de schade te vergoeden, gelet op de situatie die de slachtoffers zelf hebben geschapen (personen die hebben plaatsgenomen in een voertuig waarvan zij wisten dat het gestolen was) of op de schadevergoeding waarop zij elders aanspraak kunnen maken (slachtoffers die schadevergoeding kunnen krijgen van een orgaan van de sociale zekerheid)."
Opmerkelijk is dat - blijkens het arrest - de Europese Commissie, in een reactie op een der door de nationale rechter gestelde prejudiciële vragen, van oordeel was dat uitsluitingen in verband met alcoholgebruik toelaatbaar zijn, onder voorwaarde dat het voertuig in kwestie als niet verzekerd wordt beschouwd (met als consequentie, dat benadeelden zich tot het waarborgfonds kunnen wenden).3 Het Hof komt uiteraard - aan deze vraag niet toe, omdat het oordeelt dat aan andere uitsluitingen dan de in het huidige art. 13 lid 1, 2e en 3e alinea genoemde geen derdenwerking kan toekomen.
In het arrest-Candolin4was een verwante vraag aan de orde.
Op 21 april 1997 rijden drie personen - na een kennelijk bijzonder gezellige avond - mee als passagier in een door Ruokoranta bestuurde auto. Allen zijn onder invloed van alcohol: het gezelschap heeft verscheidene uren alcohol met elkaar genuttigd. De auto is eigendom van Panaanen, een der passagiers. Bij een snelheid van 180 km/u - op een weg waar 80 respectievelijk 60 km/u is toegestaan - raakt Ruokoranta de macht over het stuur kwijt en raakt van de weg.
Als gevolg van het ongeval komt T. Candolin om het leven (haar dochter K. Candolin is een der eisers in de procedure) en raken de beide andere passagiers zwaar gewond.
In deze zaak ging het er onder meer om of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat het recht op schadevergoeding van een inzittende in enige andere situatie dan bedoeld in art. 2 lid 1 van de 2e Richtlijn uit te sluiten of te beperken op grond van de handelwijze van de inzittende. De Finse wetgeving beperkte ten tijde van het ongeval kennelijk het recht op schadevergoeding van inzittenden die zich bewust waren of hadden moeten zijn dat de bestuurder onder invloed van alcohol was: zij hadden slechts aanspraak op schadevergoeding indien daarvoor een bijzondere reden was.5
Het Hof oordeelt dat de richtlijnen (met name art 2 lid 1 van de 2e Richtlijn en art. 1 van de 3e Richtlijn) zich ertegen verzetten, dat de te betalen schadevergoeding krachtens de nationale wet op onevenredige wijze kan worden geweigerd of beperkt, op de grond dat de inzittende heeft bijgedragen tot de door hem opgelopen schade.
Bovendien oordeelt het Hof dat het voor de beoordeling van de omvang van de schadevergoeding ook niet relevant is, dat de benadeelde passagier tevens eigenaar van het voertuig was.6
Gezien de beschermingsdoelstelling van de richtlijnen zoals door het Hof benadrukt en de bewoordingen van het arrest lijkt het daarbij geen verschil te maken, of de beperking of uitsluiting van de dekking die de passagier geniet, is gebaseerd op een expliciete bepaling in de wet op de verplichte aansprakelijkheidsverzekering (zoals in Finland) of op (een interpretatie van) het aansprakelijkheidsrecht. Het zou dan immers wel zeer eenvoudig zijn om de doelstellingen van de richtlijnen te omzeilen. De rechtsoverwegingen 24 tot en met 30 van het arrest gaan op dit vraagstuk in, waarbij ik met name op de rechtsoverwegingen 25 en 26 wijs:
"24) Met betrekking tot de weigering of de beperking van het recht op een door de verplichte motorrijtuigenverzekering te betalen schadevergoeding wegens de bijdrage die de inzittende die slachtoffer van het ongeval is, tot de schade heeft geleverd, blijkt uit het doel en de bewoordingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn dat deze er niet toe strekken de wettelijke aansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten te harmoniseren, en dat de lidstaten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bevoegd blijven te bepalen, welke wettelijke aansprakelijkheidsregeling geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen (arrest van 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, C-348/98, Jurispr. blz. 1-6711, punten 23 en 29).
25) In dit verband stellen Pohjola (de verzekeraar van de auto, FJB) en de Finse, de Duitse, de Oostenrijkse en de Noorse regering dat het gemeenschapsrecht niet voorziet in enige beperking met betrekking tot de beoordeling - naar het nationale recht inzake de wettelijke aansprakelijkheid - van de draagwijdte van de bijdrage van de inzittende tot de door hem opgelopen schade.
26) Dit argument kan niet worden aanvaard.
27) De lidstaten moeten hun bevoegdheden uitoefenen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht en, in het bijzonder, met artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn, en artikel 1 van de Derde richtlijn, die beogen te waarborgen dat alle inzittenden die het slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, op grond van de verplichte motorrijtuigenverzekering schadeloosstelling voor de door hen opgelopen schade kunnen verkrijgen.
28) De nationale bepalingen die de vergoeding van schade veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming van voertuigen aan het verkeer regelen, kunnen dus niet tot gevolg hebben dat die bepalingen geen nuttig effect sorteren.
29) Dit zou met name het geval zijn indien een nationale regeling aan de hand van algemene en abstracte criteria, louter op grond van het feit dat de inzittende tot de schade heeft bijgedragen, hetzij hem het recht zou ontzeggen om door de verplichte motorrijtuigenverzekering te worden vergoed, hetzij dit recht op onevenredige wijze zou beperken.
30) Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan - op basis van een individuele beoordeling de omvang van de schadevergoeding van het slachtoffer worden beperkt."
In de opvatting van het Hof, zoals die blijkt uit beide arresten, zijn derhalve wettelijke of polisuitsluitingen in beginsel niet aan benadeelden tegen te werpen, tenzij de richtlijnen zulks expliciet toestaan. De richtlijnen doen dat, aldus het Hof, voor een aantal bijzondere situaties, waarin de benadeelde ofwel zich zelf in een gevaarlijke positie heeft gebracht (willens en wetens in een gestolen auto plaatsnemen) of waarin hij - in de gevallen bedoeld in art. 13 lid 1 van de Richtlijn aanspraak kan maken op uitkering van een orgaan van sociale zekerheid.
De toelichting van de Commissie bij haar oorspronkelijke voorstel voor de 3e Richtlijn roept wel enige twijfel op omtrent de juistheid van deze uitleg door het Hof. Daar valt immers te lezen dat de 2e Richtlijn bepaalt, dat "sommige (curs. FJB) uitsluitingsclausules door de verzekeraar niet kunnen worden ingeroepen tegen derden ..." Dat lijkt ruimte te laten voor de interpretatie dat de 2e Richtlijn ten aanzien van andere uitsluitingen derdenwerking toelaat.
Deze twijfel wordt nog gevoed door opmerkingen van de Europese Commissie voorafgaand aan het BCF-arrest.7 De Commissie gaat in haar opmerkingen aan het Hof voorafgaande aan het arrest in op de totstandkoming van de 2e Richtlijn en merkt op dat
"wanneer deze bepaling (die het tegenwerpen van een diefstaluitsluiting toestaat, FJB) is aangenomen, de verzekeraar niet meer met een beroep op een uitsluitingsclausule betreffende een dezer feiten (curs. FJB), het slachtoffer betaling (kan) weigeren. Verder heeft de Commissie het noodzakelijk geacht om het beginsel van gelijkstelling met een geval van niet-verzekering te handhaven voor de resterende gevallen waarin de verzekeraar betaling aan het slachtoffer kan weigeren: het geval van nietigheid wegens valse verklaring of het geval van een opzettelijk veroorzaakt ongeval in Frankrijk."
De gecursiveerde woorden lijken toch de mogelijkheid van het tegenwerpen van andere beperkingen en uitsluitingen open te laten. Bovendien staat de Commissie het standpunt voor dat het in de Nederlandse terminologie - niet nakomen van de mededelingsplicht (hetgeen in Frankrijk tot nietigheid van de polis leidt) en het opzettelijk veroorzaken van een ongeval (in welk geval wordt geredeneerd dat de verzekerde beoogd heeft de verzekering te beëindigen en wel ex tunc) er ook toe leidt dat het voertuig niet verzekerd is.
Opgemerkt moet worden dat het Hof verder gaat dan alleen te oordelen dat wettelijke of polisuitsluitingen niet zijn toegestaan. Ook het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht kan de bedoelingen van de Richtlijn niet teniet doen.8 Dat betekent dat - de door het Hof bedoelde uitzonderlijke omstandigheden buiten beschouwing gelaten - de verzekeraar bijvoorbeeld geen beroep op eigen schuld van de benadeelde inzittende kan doen, laat staan dat hem in lidstaten die deze figuur kennen een beroep op risicoaanvaarding open staat.
In zijn noot onder het arrest in de NJ stelt Mok de vraag naar de grondslag van de toerekening van schade aan de passagier aan de orde. Hij betwijfelt of gesproken kan worden van eigen schuld. De passagier die instapt bij een dronken bestuurder heeft geen strafbaar of zelfs maar laakbaar feit begaan. Er is, naar de annotator stelt, geen regel die het verbiedt om zich door een beschonken bestuurder te laten vervoeren en evenmin is er een regel die hem verplicht de eventuele intoxicatie van de bestuurder vast te stellen alvorens in te stappen.
Wat daarvan zij, en in zoverre anders dan in Ruiz Bernáldez, laat het Hof in Candolin nog wel de mogelijkheid van enige beperking van het recht op schadevergoeding open, immers in 'uitzonderlijke omstandigheden' kan - op basis van een individuele beoordeling - de omvang van de schadevergoeding van de benadeelde worden beperkt. Dat lijkt overigens beter te passen in op het aansprakelijkheids- of schadevergoedingsrecht te baseren beperkingen van de aanspraak op schadevergoeding dan in een stelsel waarin de polis (al dan niet op grond van wettelijke bepalingen) de dekking beperkt. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of dergelijke omstandigheden aanwezig zijn en of de beperking van de schadevergoeding evenredig is. Over die omstandigheden is het Hof uitzonderlijk vaag. Wel kan worden vastgesteld, dat het enkel instappen bij een beschonken bestuurder niet kwalificeert, evenmin als de omstandigheid dat de gewonde passagier tevens eigenaar van de auto is 9
Mok, in zijn meergenoemde noot in de NJ, signaleert nog wel een nuanceverschil tussen de conclusie van de advocaat-generaal en het arrest: terwijl het arrest alleen in uitzonderlijke omstandigheden en op basis van een individuele beoordeling een beperking van het recht op schadevergoeding toelaatbaar acht, meent de A-G dat de richtlijnen zich er niet tegen verzetten dat aan passagiers die letsel oplopen en die weten of dienen te weten dat de bestuurder onder invloed verkeert een bepaalde mate van medeschuld wordt toegerekend die leidt tot een beperking van het recht op schadevergoeding.
Van Dam laat zich in zijn bespreking van het arrest uit over de hoogte van de aan de benadeelde toe te rekenen 'eigen bijdrage'. Hij acht 25% verdedigbaar.
"Although this decision does not mean that national law has to follow that of other countries, a benchmark for a proportional reduction or limitation in such cases could be derived from the fact that in many countries the reduction is about 25 per cent."10
Van Dam lijkt daarbij één aspect van het arrest uit het oog te verliezen: het Hof acht een beperking van het recht op schadevergoeding alleen te rechtvaardigen in uitzonderlijke omstandigheden en op basis van de concrete omstandigheden van het geval. Daarmee valt een algemene 'korting' van ongeveer 25% toch niet te verenigen.
Interessant is voorts de verhouding tussen het Candolin-arrest en de (met de 5e Richtlijn ingevoegde) bepaling over de bestuurder die onder invloed verkeert. Tussen beide bestaat een nuanceverschil: zo verbiedt de Richtlijn dat het verzekeraars mogelijk wordt gemaakt om dekking te weigeren, terwijl het arrest verbiedt dat de schadeloosstelling op 'onevenredige wijze' wordt beperkt. Terwijl de Richtlijn dus zo zou kunnen worden gelezen, dat weigeren van dekking niet wordt toegestaan maar beperken wel, gaat het Hof in dit opzicht verder door te bepalen dat dit beperken ook alleen in uitzonderlijke omstandigheden is toegestaan. Zie voor een kritische beschouwing van dit aspect Visser en Kerlcmeester.11
Het arrest-Candolin heeft onwenselijke gevolgen. Er lijkt immers geen ruimte meer te bestaan om de benadeelde langs de weg van het aansprakelijkheidsrecht - met gebruikmaking van het leerstuk van de risicoaanvaarding, de eigen schuld of de toerekening - een deel van zijn schade zelf te laten dragen, anders dan in uitzonderlijke omstandigheden.12 De redelijkheid hiervan valt moeilijk in te zien. Dat het volledig ontzeggen van de dekking ontoelaatbaar wordt geacht valt te billijken, maar hier wordt de eigen verantwoordelijkheid van de benadeelde wel vergaand genegeerd. Daaraan doet niet af, dat het Hof in Ruiz Bernáldez zowel als in Candolin benadrukt, dat zijn uitleg er niet aan in de weg staat, dat de verzekeraar op grond van zijn polisvoorwaarden verhaal neemt op zijn eigen (aansprakelijke) verzekerde.13 Van een dergelijk verhaalsrecht komt in de praktijk, vooral bij omvangrijke schaden, weinig terecht.
Het is opvallend dat het Hof opmerkt dat de dekking in het stelsel van de Richtlijn kan worden beperkt in een aantal gevallen, waarin de benadeelde zich in een gevaarlijke positie heeft gebracht (willens en wetens in een gestolen auto plaatsnemen), maar niet heeft willen oordelen dat het plaatsnemen in een auto met een beschonken bestuurder ook als een dergelijke gevaarlijke situatie moet worden beschouwd. Eenzelfde kritische kanttekening kan worden geplaatst bij het feit dat de Europese wetgever het vraagstuk dat in Candolin aan de orde was in een richt-lijnbepaling heeft omgezet.
Tot soortgelijke vragen als bij alcoholgebruik kan ook het niet dragen van de veiligheidsgordel of de valhelm leiden, al lijkt hier meer ruimte voor het toerekenen van eigen schuld of (in landen die deze rechtsfiguur kennen) risicoaanvaarding. Bij het niet dragen van helm of gordel kan immers in elk geval niet worden volgehouden, dat de passagier niet kan beoordelen of van een onveilige situatie sprake is. Verwezen zij in dit verband naar de motivering van de Commissie van art. 4 onderdeel 1 van de 5e Richtlijn, waar ter rechtvaardiging van deze bescherming van de benadeelde wordt betoogd, dat de passagier in het algemeen het niveau van intoxicatie van de bestuurder niet goed kan beoordelen 14 Of het niet dragen van helm of gordel in de ogen van het Hof echter een uitzonderlijke omstandigheid is, blijft de vraag. In elk geval lijkt mij verdedigbaar dat een inzittende die zelf - actief heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of wiens gedrag de omvang van de schade heeft beïnvloed, wel (deels) van dekking kan worden uitgesloten, althans gekort kan worden op zijn schadevergoeding.
Polisbeperkingen en -uitsluitingen die niet expliciet zijn toegelaten door de Richtlijn mogen niet aan de benadeelde derde worden tegengeworpen. Dat roept de vraag op of de verzekeraar op grond van wettelijke of contractuele bepalingen jegens de benadeelde dekking kan weigeren in geval van opzet van zijn verzekerde.
Zie bijvoorbeeld voor Duitsland § 12, Absatz 1 onder 3 PfIVG dat de benadeelde een aanspraak geeft op het waarborgfonds als
"für den Schaden, der durch den Gebrauch des ermittelten oder nicht ermittelten Fahrzeugs verursacht worden ist, eine Haftpflichtversicherung deswegen keine Deckung gewährt oder gewähren würde, weil der Ersatzpflichtige den Eintritt der Tatsache, für die er dem Ersatzberechtigten verantwortlich ist, vorsätzlich und widerrechtlich herbeigeführt hat (... )."
Dat de benadeelde in dergelijke gevallen een aanspraak op het waarborgfonds geldend kan maken, doet aan de principiële vraag niet af, zoals blijkt uit het oordeel van het Hof in de zaak Ruiz Bernáldez. De Commissie had daar immers in zijn opmerkingen aan het Hof te kennen gegeven een alcoholclausule die tegen de benadeelde ingeroepen kan worden aanvaardbaar te achten, vooropgesteld dat de benadeelde zich tot het waarborgfonds kan wenden. Het Hof aanvaardt deze oplossing niet en wijst de derdenwerking van niet uitdrukkelijk door de Richtlijn toegelaten wettelijke en polisbeperkingen en -uitsluitingen af.
Ik houd het er daarom voor dat dergelijke (op grond van nationale wetgeving toegelaten) clausules strijdig zijn met de Richtlijn. Dat geldt ook voor andere clausules, zoals het verval van dekking in geval van verzwijging of in geval van het niet tijdig betalen van de premie. Zolang de verzekeraar de polis niet heeft beëindigd of geschorst (of de polis op grond van wettelijke bepalingen is geëxpireerd) zal de derde aanspraak kunnen maken op schadevergoeding door de verzekeraar.
Een bijzondere positie nemen bepalingen in die van de dekking uitsluiten (dan wel de verzekeraar toestaan van de dekking uit te sluiten) schade veroorzaakt tijdens snelheids-, regelmatigheids- en behendigheidsritten en -wedstrijden. Zie bijvoorbeeld art. 4 lid 3 Wam. Voor zover daarbij niet is voorzien in een verplichting van de organisatoren om een afzonderlijke verzekering te sluiten die aan de voorwaarden van de Richtlijn, of beter: van de nationale wet, voldoet (waardoor de schade alleen op een andere verzekering is gedekt), is een dergelijke uitsluiting in strijd met de Richtlijn. De Richtlijn staat een dergelijke uitsluiting immers niet expliciet toe.