Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.3.2
II.4.3.2 Leer van de redelijke toerekening
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460231:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook o.a. De Hullu 2018, p. 178-179 en Gritter 2007b, p. 59.
De Hullu merkt op dat dit oriëntatiepunt wordt weggedacht uit het denkschema van Drijfmest er niet veel verloren gaat. De redelijke toerekening is de uiteindelijke maatstaf; De Hullu 2018, p. 174. Zie ook Gritter 2007b, p. 59; Hornman 2010, p. 378, 401. Een voorbeeld uit de jurisprudentie waarin het oriëntatiepunt wordt overgeslagen en de Hoge Raad gelijk doorsteekt naar de concretiserende omstandigheden: HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619 (Rederij viskotter). Het tegenovergestelde gebeurde in de verffabriek Maasgouw-uitspraken. Daar hanteert rechtbank Limburg voor de toerekening van feit drie ‘slechts’ het sfeercriterium, waarna vervolgens het daderschap wordt gebaseerd op de gedragingen van de bestuurder van één van de betrokken rechtspersonen. Zie Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11399, r.o. 5.3.3c en Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11470, r.o. 5.3.3c. In deze arresten wordt op een eerder punt in de uitspraak, voor een ander tenlastegelegd delict, overigens wel de hele Drijfmest-formule aangehaald.
Zie voor een overzicht van de vragen die nog spelen o.a. De Hullu 2018, p. 177-178; De Valk 2009, p. 315 e.v.; Gritter 2007b, p. 59-62.
Rb. Oost-Brabant, 22 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6681.
Die wél gestraft is: Rb. Oost-Brabant 22 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6679, M&R 2018/30, m.nt. Velthuis & Collignon (Ecoson).
Zie de annotatie Rb. Oost-Brabant 22 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6679, M&R 2018/30, m.nt. Velthuis & Collignon (Ecoson), onder verwijzing naar rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Dit duidt erop dat de verdachte ‘hoofddrijver’ is, zie daaromtrent par. III.5.4. Overigens lijken Velthuis en Collignon er vrede mee te hebben dat het zusterbedrijf is vrijgesproken.
Zie over deze laatste kanttekening Gritter 2007b, p. 61-62.
Hornman 2016a, p. 44, 49, De Hullu 2018, p. 174; Gritter 2007b, p. 59-62.
Kessler 2007, p. 209; Hornman 2016a, p. 50-51; Van Strien 2006, p. 246-249.
Zie hieromtrent hierboven par. II.3.4.3.
Hornman 2016a, p. 50-51; Sikkema 2010, p. 49-50; Van Elst 2006, p. 436-437; De Valk 2009, p. 318 e.v.; Van Strien 2006, p. 246-248.
HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605, m.nt. ’t Hart (Furazolidon).
Gritter 2007b, p. 50.
Voorbeelden uit het milieustrafrecht waarin de dienstbetrekking van een natuurlijk persoon een rol speelt bij de toerekening van diens gedraging aan de rechtspersoon: Hof Den Haag 23 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:788, ECLI:NL:GHDHA:2017:787; Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016 ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack); Rb. Gelderland 16 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5902 (“Strooi maar uit”).
Gritter 2007b, p. 50.
Aldus ook Van Elst, die opmerkt dat het handelen van een orgaan over een anderszins bevoegd persoon wel een sterke aanwijzing voor het daderschap van de rechtspersoon op. Van Elst 2006, p. 425.
De Hullu 2018, p. 175. Zie voor verdere verwijzingen de voetnoten van Hornman & Bleeker 2019, p. 26.
Enkele voorbeelden uit het milieustrafrecht waarbij dit criterium een centrale rol speelt: Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8692; Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack). In dat laatste arrest, merkt het hof op over het hanteren van een gasbrander die geleid heeft tot brandstichting: “De gedraging van [productiemedewerker bij Chemie-Pack] was dan ook niet een hoogst ongebruikelijk en op zichzelf staand incident maar een binnen het bedrijf niet ongebruikelijke en aanvaarde methode om bij bevriezingsproblemen de pomp gangbaar te houden.”
HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605, m.nt. ’t Hart (Furazolidon); HR 27 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:11, NJ 1951, 4/4 m.nt. Röling (ATO). In deze laatste uitspraak werd de orgaantheorie verworpen, inhoudende dat de rechtspersoon alleen als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt wanneer de gedraging door een orgaan van de rechtspersoon is verricht die handelde binnen de kring van zijn bevoegdheid. Zie ook Rb. Breda 15 februari 1982, ECLI:NL:RBBRE:1982:AC4013, NJ 1983/6 (Uniser), r.o. 8.2.1.3.
De Hullu 2018, p. 175.
Hornman 2016a, p. 47, onder verwijzing naar Kristen 2010, p. 135.
Van Elst 2006, p. 428-429.
Sikkema 2010, par. 2.4.2; Hornman 2016a, p. 48, onder verwijzing naar meer literatuur. Zie voor een voorbeeld uit de milieurechtjurisprudentie met betrekking tot het gebrekkig saneren van afval; Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2230, M&R 2016/113, onder ‘Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1’. Een voorbeeld over het in strijd met Europese milieunormen uitvoeren van afvalolie; Rb. Noord-Nederland 13 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2134, M&R 2017/100, m.nt. Douma (North Refinery). Een ander voorbeeld over een rederij die sjoemelt met de vangmethode door de mazen van visnetten te verkleinen door touwtjes: HR 29 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7619 (Rederij viskotter). Over het uitstrooien van een (achteraf blijkt: verboden) bestrijdingsmiddel, Rb. Gelderland 16 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5902 (“Strooi maar uit”). Een nader te bespreken voorbeeld van een milieuzaak waarin niét wordt geabstraheerd van het verboden karakter, waarin de verdachte overigens wel wordt vrijgesproken: Hof Arnhem 28 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG5582 (Kalveren vervoeren), onder ad 2.
Gritter 2007b, p. 52-53. Zie bijvoorbeeld Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343, waarbij de werkinstructie niet op juiste wijze is gevolgd en na een heftige chemische reactie alkalische dampen konden ontsnappen; Zie bijvoorbeeld ook Rb. Rotterdam 16 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8987, M&R 2018/14, m.nt. Velthuis (Zoutzuur). In deze zaak had een werknemer een verkeerde inschatting gemaakt en opende een leidingdeel waarop pompdruk stond waardoor zoutzuur vrijkwam.
Zie verderop onder ‘algemene daderschapsuitsluitingsgrond: wél voldoen aan de zorgplicht’.
De Hullu verwijst in dit verband naar HR 27 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:11, NJ 1951, 4/4 m.nt. Röling (ATO), De Hullu 2018, p. 175. Een voorbeeld uit de milieurechtjurisprudentie; Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juli 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5418, waarin bij een bedrijf “stelselmatige gebrek aan aandacht voor de veiligheid in het bedrijf in alle geledingen van het bedrijf voor kwam en derhalve niet beperkt was tot een aantal medewerkers. Zowel in de top, het management, het middenmanagement als bij de medewerkers bestond een tenminste halfslachtige houding ten opzichte van veiligheid.” Enkele voorbeelden van rechtszaken uit het milieustrafrecht waarin de verboden gedraging vaker voorviel: Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343; Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016 ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack); Rb. Gelderland 7 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1006. Het routinematige karakter van de verboden gedraging is ook relevant voor de straftoemeting, zie bijvoorbeeld: Rb. Gelderland 12 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6276 (Puttense Mestbedrijven).
HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605 m.nt. ’t Hart (Furazolidon). Aldus ook Gritter 2007b, p. 51-53. Vgl. HR 27 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:11, NJ 1951, 4/4 m.nt. Röling (ATO). Een voorbeeld uit het milieustrafrecht van rechtstreekse toerekening aan de rechtspersoon, dus zonder dat er een natuurlijk persoon komt kijken in de motivering: Rb. Oost-Brabant, 28 juni 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3447 en ECLI:NL:RBOBR:2016:3445. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack), waar het hof zowel in kaart brengt welke verboden gedragingen de werknemers hebben verricht, maar uiteindelijk ook rechtstreeks redeneert vanuit het bedrijf. Het hof heeft dus langs beide sporen gemotiveerd waarom de (verboden) gedraging behoort tot de normale bedrijfsvoering, en heeft overigens in de motivering ook nog andere Drijfmestomstandigheden betrokken. Een voorbeeld van een arrest waarbij juist het handelen van natuurlijke personen een centrale rol speelt in het bepalen van de normale bedrijfsvoering, is Hof ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3495, m.n. r.o. 2.2 en 2.3, 4.3 en 4.4.
Gritter 2007b, p. 53; De Hullu 2018, p. 175; De Valk 2009, p. 318; Van Elst 2006, p. 435-436.
In HR 27 januari 1948, NJ 1948/197, m.nt. Pompe (V&D). Pompe koppelde het arrest echter aan het sfeerbegrip van artikel 15 lid 2 WED (oud).
Vrij naar Gritter 2007b, p. 54.
De Hullu 2018, p. 175.
Gritter 2007b, p. 55; Hornman 2010, p. 395-396; Sikkema 2010, par. 2.4.2. Een voorbeeld waarin een werknemer ten nadele van de rechtspersoon de kantjes ervan af loopt: Hof Arnhem 28 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG5582 (Kalveren vervoeren) onder ad 3.
O.a. in De Hullu 2018, p. 174-179.
Hornman 2016a, p. 47; Roef & De Roos 1998, p. 88.
Een voorbeeld uit de milieustrafrechtjurisprudentie waarin dit criterium een centrale rol gespeeld heeft: Rb. Utrecht 6 december 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO6438.
De overweging wordt afgesloten met een verwijzing naar HR 14 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8946, NJ 1992/413, m.nt. ’t Hart; zie HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.4.
Zie bijvoorbeeld HR 1 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AD6342, NJ 1982/80, m.nt. Van Veen (Kabeljauwvangst); HR 14 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8946, NJ 1992/413, m.nt. ’t Hart (Discriminerende disco). Zie ook De Valk 2009, p. 295, voetnoot 81 voor verdere verwijzingen.
De Hullu 2018, p. 175-176. Gritter 2007b, p. 56-57 wijst er wel terecht op dat het niet meer een zelfstandig, delictsonafhankelijke toerekeningsformule is, maar dat het in het kader van rechtspersonen ‘slechts’ een van de vier omstandigheden betreft. Oftewel, het vervullen van de vierde omstandigheid vergt soms alsnog andere ondersteunende omstandigheden of argumenten, voordat de toerekening redelijk is. Andersom pleit Gritter er wel voor dat het niet voldoen aan de IJzerdraad-criteria door zorgvuldig gedrag moet leiden tot vrijspraak. De vierde omstandigheid is in die zin hoger in rang dan de andere omstandigheden, zoals het baatcriterium.
Een arrest waarin dit voorbeeldig is gebeurd, is Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack).
Al is het, zoals hieronder opgemerkt, niet vereist dat de directie de gang van zaken aanvaard heeft.
HR 14 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8946, NJ 1992/413, m.nt. ’t Hart (Discriminerende disco). Voorbeelden uit de milieurechtjusrisprudentie waarin wél sprake was van een opdracht van een leidinggevende: Rb. Gelderland 16 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5902 (“Strooi maar uit”); en Rb. Noord-Nederland 13 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2134, M&R 2017/100, m.nt. Douma (North Refinery).
Een voorbeeld uit het milieustrafrecht waarin gebrekkig toezicht toerekening heeft gerechtvaardigd: Hof ’s-Hertogenbosch 5 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4771. Een ander voorbeeld, inzake het gebrekkig saneren van asbest waarbij ook gebrek aan toezicht een rol gespeeld heeft bij de toerekening: Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2230, M&R 2016/113, onder Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1. Een voorbeeld van een BRZO-bedrijf dat onvoldoende toezicht houdt: Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343. Zie voorts Rb. Midden-Nederland 26 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:332, JM 2017/28, m.nt. Van der Meulen; en Rb. Gelderland 7 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1006.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack), waarin het inadequate handelen van leidinggevenden expliciet aan bod is gekomen.
Zo is er bij bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen een bijzondere zorgplicht voor de werkgever. Zie bijvoorbeeld Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juli 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:5418; en Rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1911, M&R 2014/86 (Dow Benelux B.V.); Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343; Rb. Rotterdam 16 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8987, M&R 2018/14, m.nt. Velthuis (Zoutzuur). Zie verder aan het einde van deze subparagraaf.
Hornman 2016a, p. 51 en nader over toerekening aan leidinggevenden par. IV.4 en VII.4; Leliveld 2015, p. 63-68.
De Hullu 2018, p. 176. Zie verder wat De Hullu schrijft over het toerekenen van opzet en schuld aan de rechtspersoon in IV.6.
De Hullu noemt het dan een vloeiende overgang tussen een natuurlijk persoon die wordt aangemerkt als dader (zoals gebeurt bij de eigenaar van een eenmanszaak, een rechtspersoon die geen rechtspersoonlijkheid in strafrechtelijke zin kent) naar de kleine rechtspersoon die sterk met natuurlijke personen is verbonden (zoals een vennootschap onder firma of een maatschap); De Hullu 2018, p. 176.
Overigens, als deze enkeling een hoge positie bekleedt binnen het bedrijf, kan de toerekening dan weer wel redelijk zijn.
Bij grote en complexe rechtspersonen ligt rechtstreekse toerekening en de toepassing van de objectievere gezichtspunten zoals het normale bedrijfsvoering-criterium dan weer meer voor de hand. Zie ook Hornman 2016a, p. 51; en Sikkema 2010, par. 2.2 en 2.4 met verdere verwijzingen aldaar. Zie voor een voorbeeld van een rechtspersoon die niet zou kunnen beschikken over de gedragingen van een werknemer binnen zijn concern, en waarvan de verboden gedraging niet zou passen binnen zijn normale bedrijfsvoering: Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2231. Zie echter mijn kanttekeningen bij dit arrest in par. II.3.4.6.
De Hullu verwijst in dit verband opnieuw naar HR 27 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:11, NJ 1951, 4/4, m.nt. Röling (ATO), De Hullu 2018, p. 176. Zie ook de annotatie van ’t Hart onder HR 23 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1835, NJ 1993/605, m.nt. ’t Hart (Furazolidon). Zie hieromtrent ook de bespreking van Chemie-Pack jurisprudentie hieronder in par. II.5.4.4, waarin het wél mogelijk was de rechtspersoon aan te spreken als pleger van culpoze brandstichting, terwijl géén van de aangesproken leidinggevende functionarissen opdracht hebben gegeven tot of feitelijk leiding hebben geven aan de brandstichting.
Zie hieromtrent De Valk 2009 p. 297-298, 318 e.v.
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 19 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10406, M&R 2020/30, m.nt. Warendorf, m.n. r.o. 4.1.2, waarin de gewaarschuwde rechtspersoon naliet om de verspreiding van rubbergranulaatkorrels te verspreiden.
De Hullu 2018, p, 177; Hornman 2010, p. 392-394; Gritter 2007b, p. 56-57.
Gevolg is dat het in acht nemen van de in redelijkheid te vergen zorg, wat normaal dient als schulduitsluitingsgrond, nu op bewijsniveau aan de orde komt, en dat een geslaagd beroep op deze omstandigheid niet leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging maar tot vrijspraak. Zie o.a. Gritter 2007b, p. 56-57. Er zijn auteurs die menen dat het nemen van voldoende zorg geen algemene daderschapsuitsluitingsgrond is. Zie bijvoorbeeld Sikkema 2010 par. 3.7.5, die bepleit dat een beroep op zorgvuldig gedrag alleen tot vrijspraak (in plaats van OVAR) kan leiden indien de toerekening wordt gebaseerd op de IJzerdraad-criteria.
Hof Arnhem 28 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG5582 (Kalveren vervoeren).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 25 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BY9730 over de aansprakelijkheid voor het overboord slaan van containers met pesticiden tijdens een storm. De gedraging was toerekenbaar aan de rederij, beroep op afwezigheid van alle schuld slaagt niet. Wel vrijspraak van de doleuze delicten. Ook een gebrek aan budget voor het treffen van maatregelen ter voorkoming of beëindiging van een milieuovertreding staat niet in de weg aan de toerekening van een milieudelict aan een rechtspersoon, zie bijvoorbeeld: Rb. Rotterdam 19 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10406, M&R 2020/30, m.nt. Warendorf.
Hornman 2016a, p. 48. Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 23 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:788, ECLI:NL:GHDHA:2017:787, r.o. 10.1; het hof overweegt in deze zaak dat een geslaagd beroep op (putatieve) overmacht van een werknemer er niet noodzakelijkerwijs aan in de weg staat dat de rechtspersoon zodanig beroep toekomt. In deze zaak waren twee treinen, deels gevuld met brandbare stoffen, als gevolg van een communicatiefout tegen elkaar gebotst op een rangeerterrein. Vanwege angst voor ontploffingsgevaar had de seinleider besloten het rangeerterrein te ontruimen. Daardoor escaleerde de brand. Zie ook Rb. Rotterdam 16 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8987, M&R 2018/14, m.nt. Velthuis (Zoutzuur), waarin een inschattingsfout van een werknemer wordt toegerekend aan de rechtspersoon, en de rechtbank in verband met een bijzondere zorgplicht hoge eisen stelt aan de maatregelen die genomen dienen te worden om de gevaren voor de gezondheid van mens en milieu te voorkomen.
Zie onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 5 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4771; Hof Amsterdam 10 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2230, Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343; Rb. Midden-Nederland 26 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:332, JM 2017/28, m.nt. Van der Meulen; Rb. Gelderland 7 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1006.
Rb. Gelderland 7 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1006.
De rapporten hielden namelijk onvoldoende rekening met de aanwezigheid van brandbare stoffen, en dat komt vermoedelijk omdat de rechtspersoon de experts niet had geïnformeerd over wijzigingen binnen de inrichting.
Nota van Toelichting bij het besluit van 25 juni 2015, Stb. 2015, 272. Een aantal voorbeelden uit het milieustrafrecht waarin deze zorgplicht is geschonden: Rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1911, M&R 2014/86 (Dow Benelux BV); Rb. Oost-Brabant 30 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3421, Milieurecht Totaal 2014/22343; Hof ’s-Hertogenbosch 22 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1593 (Chemie-Pack).
Inleiding
In het Drijfmest-arrest overweegt de Hoge Raad dat het antwoord op de vraag of een gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het delict. Gelet op de grote verscheidenheid in typen rechtspersonen en soorten delictsgedragingen, is het begrijpelijk dat de Hoge Raad stelt dat ‘een algemene regel zich bezwaarlijk laat formuleren’.1 Het op artikel 15 lid 2 WED (oud) gebaseerde oriëntatiepunt dat de Hoge Raad geeft – of de gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon – is dan ook weinig richtinggevend.2 Behulpzamer zijn de vier omstandigheden die door de Hoge Raad worden aangemerkt als mogelijk relevant voor de redelijke toerekening, al bestaan er over die omstandigheden ook nog de nodige onduidelijkheden.3
Dat de concretiserende omstandigheden meer richtinggevend kunnen zijn dan het sfeer-criterium, blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant.4 In een inrichting worden verschillende activiteiten geëxploiteerd door verschillende (nauw verweven) rechtspersonen. De verdachte is een rechtspersoon die kadavers van dieren verwerkt, en op het terrein van verdachte zijn door een andere rechtspersoon5 activiteiten verricht met betrekking tot bio-energie. Bij de bio-energieactiviteiten vindt een zwaar ongeval plaats, waarvoor verdachte aansprakelijk wordt gesteld. De rechter meent – zonder gebruik van de concretiserende omstandigheden van het Drijfmest-arrest – dat de tenlastegelegde gedragingen rondom de bio-energieactiviteiten niet zijn verricht in de sfeer van verdachte, omdat het verschillende bedrijven betreffen. Dit geeft mijns inziens blijk van een te formele invulling van het sfeer-criterium, hetgeen voorkomen had kunnen worden door de concretiserende Drijfmest-omstandigheden te betrekken. Er was bij de betreffende rechtspersonen namelijk sprake van één organisatie, één directeur en gedeelde werkkrachten. Verder leek het erop dat de verdachte de vergunninghouder was, ook voor de bio-energieactiviteiten.6 Uit de feiten is verder af te leiden dat de verdachte rechtspersoon wel voldeed aan het beschikkings- en aanvaardingscriterium; dat het zusterbedrijf (mede) ten behoeve van de verdachte werkte; en dat de omstandigheden die hebben geleid tot het zware ongeval passen binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het gaat bovendien om een omissiedelict (artikel 5 lid 1 BRZO, het niet nemen van de maatregelen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen), waarvan de verdachte rechtspersoon zelf normadressaat is. Dit laat de rechter allemaal niet meewegen bij de redelijke toerekening, want zonder duidelijke argumenten komt hij tot de conclusie dat de gedraging zich niet heeft afgespeeld in de ‘sfeer van de inrichting’. De concretiserende omstandigheden trekken het sfeercriterium dus uit de sfeer van de onderbuik, en vestigen de aandacht van de rechter op mogelijk relevante omstandigheden.
Uit de formulering van de Hoge Raad blijkt dat de genoemde omstandigheden noch cumulatief noch limitatief zijn. Oftewel, toerekening is ook mogelijk wanneer niet aan alle indicatieve omstandigheden wordt voldaan, en er zijn ook nog andere omstandigheden die erop kunnen wijzen dat een gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hoewel in het arrest niet blijkt van een hiërarchie tussen de concretiserende omstandigheden, zal de ene concretiserende omstandigheid meer gewicht in de schaal leggen dan de andere, al zal het precieze gewicht steeds afhankelijk zijn van de casus.7 Kortom, de concretiserende omstandigheden uit het Drijfmestarrest zijn niets meer en niets minder dan (stevige) indicaties voor het daderschap van de rechtspersoon; uiteindelijk gaat het erom dat het – alle omstandigheden overziend en alle argumenten afwegend – redelijk is om de gedraging toe te rekenen aan de rechtspersoon.8 Hoe minder evident het verband tussen rechtspersoon en strafbaar feit is, des te uitgebreider dient de motivering voor de toerekening te zijn.
De Hoge Raad overweegt in het Drijfmest-arrest expliciet dat het van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging afhangt wanneer een gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Deze overweging doet vermoeden dat het van delict tot delict verschilt welke concretiserende omstandigheden relevant zijn voor de toerekening.9 Sommige auteurs betogen dat voor de toerekening van omissie-, zorgplicht-, verboden toestand-delicten of andere delicten die zich lenen voor een functionele interpretatie10 de eerste drie omstandigheden het meest relevant zijn, en dan met name het normale bedrijfsvoeringcriterium (tweede omstandigheid) vanwege de objectieve invulling die gegeven kan worden aan deze omstandigheid. Bij delicten met een fysiekere strekking zou minder snel geabstraheerd hoeven worden van het handelen van de betrokken natuurlijke personen, en kan worden teruggegrepen op de IJzerdraad-criteria (omstandigheid vier).11 Ik sluit me aan bij deze auteurs; het ligt nu eenmaal meer voor de hand om te zeggen dat het ‘lozen van afvalwater’ behoort tot de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon,12 dan om te zeggen dat ‘mishandeling’ tot de normale bedrijfsvoering behoort. Bij de toerekening van fysiekere delicten aan rechtspersonen lijkt het me dus wenselijk om de natuurlijke persoon die de delictsgedraging verricht (en diens relatie tot de rechtspersoon) niet uit het oog te verliezen, en de IJzerdraad-criteria kunnen in een dergelijk geval houvast bieden.
Hierna bespreek ik kort enkele kenmerken van de afzonderlijke concretiserende omstandigheden.
1) Werkzaam ten behoeve van de rechtspersoon
De eerste omstandigheid die wordt genoemd door de Hoge Raad in het kader van het sfeercriterium, is of er sprake is van “handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon”. Gritter brengt deze eerste omstandigheid in verband met het fenomeen vertegenwoordiging.13 De auteur merkt op dat bedoelde personen niet handelen op persoonlijke titel, maar in naam van, ten behoeve van of voor rekening (en risico) van de rechtspersoon. Dit zijn de personen die ervoor zorgen dat de rechtspersoon – als juridische fictie – kan deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Daarom is de omstandigheid dat de verboden gedraging is verricht door een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon mogelijk relevant voor de toerekening.
De werknemers van de rechtspersoon vallen in ieder geval binnen de reikwijdte van deze omstandigheid.14 Volgens Gritter kan het zowel gaan om een leidinggevende als om een uitvoerende functionaris,15 al zal het voor de toerekening aan de rechtspersoon wellicht sneller voor de hand liggen wanneer het gaat om een persoon hoger in de hiërarchie.16 Uit de formulering van de Hoge Raad van deze omstandigheid volgt ook dat de dienstbetrekking geen voorwaarde is; het kan ook gaan om een natuurlijk persoon (of rechtspersoon) die op een andere manier werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon. Dus ook personen die in opdracht werken van de rechtspersoon, bijvoorbeeld onderaannemers, tussenpersonen, consultants en distributeurs, en zelfs personen die geen formele relatie hebben met het bedrijf maar in de praktijk toch betrokken zijn bij de bedrijfsvoering, kunnen werkzaam zijn ‘ten behoeve van de rechtspersoon’. Zoals vaker in het strafrecht is niet de juridische situatie doorslaggevend en gaat het uiteindelijk om de feitelijke omstandigheden.
Hoewel relevant voor de redelijke toerekening aan de rechtspersoon in aanvulling op andere omstandigheden, is dit geen omstandigheid die op zichzelf de toerekening rechtvaardigt. Het is immers niet redelijk om het eigenmachtig handelen van een werknemer dat niet past in de bedrijfsvoering en ook blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon niet werd aanvaard, toe te rekenen aan de rechtspersoon.17
2) Normale bedrijfsvoering
De tweede omstandigheid die een aanknopingspunt vormt voor de redelijke toerekening, is dat “de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon”.18 Dit aanknopingspunt is reeds in oudere rechtspraak over het daderschap van de rechtspersoon te herkennen.19 De Hullu noemt dit een “tamelijk evident aansprekende omstandigheid die een stevige basis voor redelijke toerekening kan vormen”.20
Een gedraging valt onder de normale bedrijfsvoering wanneer het voorvallen van de gedraging inherent is aan hoe het productieproces of dienstverleningsproces van het bedrijf is ingericht, of in ieder geval nauw bij de processen aansluit.21 Hierbij zijn de feitelijke omstandigheden doorslaggevend; dat de rechtspersoon een andere activiteit ontplooit dan de statuten voorschrijven doet niet ter zake.22 Het is niet nodig dat de verboden wijze waarop de gedraging is verricht behoort tot de normale uitoefening van het bedrijf. Oftewel, voor het bedrijfsvoeringcriterium dient de gedraging te worden geabstraheerd van het verboden karakter.23
Bijvoorbeeld, het vervoeren van vee waarbij de beladingsnorm wordt overschreden, valt dus binnen de normale bedrijfsvoering van een onderneming die vee vervoert, ongeacht of de onderneming gewoonlijk de beladingsnorm overschrijdt. Als echter door werknemers van het veetransportbedrijf incidenteel in drugs wordt gehandeld, noopt het normale bedrijfsvoeringscriterium dan weer niet tot toerekening aan de rechtspersoon, omdat de verweten gedraging in zijn algemeenheid niet onder de bedrijfsvoering van veetransportbedrijven kan worden geschaard.
Vanwege de abstrahering van het verboden karakter van de gedraging, kan er ook sprake zijn van ‘normale bedrijfsvoering’ als de verboden gedraging niet aan de orde van de dag is, of als de verboden gedraging niet het gevolg is van doelbewust beleid. Ongelukjes op de werkvloer of fouten van werknemers bij de bedrijfsvoering kunnen in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.24 De toerekening is echter geen automatisme; wanneer de rechtspersoon de in redelijkheid te vergen zorg met het oog op de voorkoming van de verboden gedraging (ook al past de gedraging in de bedrijfsvoering) neemt, kan de gedraging niet worden toegerekend.25 Overigens, als de verboden gedraging wél aan de orde van de dag is binnen de rechtspersoon, dan is dit natuurlijk een erg sterke indicatie voor de redelijke toerekening.26
In het kader van het normale bedrijfsvoeringscriterium is het niet noodzakelijk dat de gedragingen kunnen worden herleid tot specifieke (natuurlijke) personen die werken ten behoeve van de rechtspersoon. Blijkens het Furazolidon-arrest kan een rechtspersoon ‘zelf ’ een bepaalde normale bedrijfsvoering hebben. De toerekening verloopt dan rechtstreeks zonder dat de rechter in de motivering hoeft terug te grijpen op het handelen van natuurlijke personen.27 Anders gezegd, als de delictsgedraging past binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, kan in het midden blijven welke natuurlijke personen binnen de rechtspersoon voor de gedraging verantwoordelijk zijn. De abstrahering van de tussenpersonen heeft overigens ook een praktische reden; het is – bewijstechnisch en conceptueel – niet altijd mogelijk om vast te stellen welke natuurlijke persoon precies welke bijdrage levert aan de verboden gedraging.28
3) Baatcriterium
De derde omstandigheid die genoemd wordt in het Drijfmest-arrest, is dat “de gedraging de rechtspersoon dienstig geweest [is] in het door [de rechtspersoon] uitgeoefende bedrijf ”. Deze omstandigheid wordt wel in verband gebracht met het baatcriterium dat de Hoge Raad in oudere rechtspraak heeft gehanteerd.29 Een gedraging is dienstig wanneer het (financieel) voordeel voor de rechtspersoon kan bewerkstelligen, of als de gedraging (financieel) nadeel kan voorkomen.30 Het gaat erom dat de gedraging in het belang van de rechtspersoon verricht is.
De Hullu merkt op dat bij een spiegelbeeldig geval – dus wanneer niet aangetoond kan worden dat het bedrijf baat heeft gehad bij de verboden gedraging – het toch redelijk kan zijn de gedraging aan de rechtspersoon toe te rekenen.31 Echter, als een werknemer in het kader van de rechtspersoon een verboden gedraging verricht en het daarbij verkregen voordeel in eigen zak steekt, vormt dat een argument tégen de toerekening aan de rechtspersoon.32
Het baatcriterium is nog niet verder uitgekristalliseerd in de rechtspraak en literatuur. Het is dan ook weinig richtinggevend, en er zijn veel situaties denkbaar waarin deze omstandigheid vervuld is maar toerekening aan de rechtspersoon niet redelijk zou zijn. Net als de eerste omstandigheid, lijkt deze derde omstandigheid op zichzelf onvoldoende voor de toerekening van een verboden gedraging aan de rechtspersoon.33 De eerste en derde omstandigheid zullen dus vooral bij twijfelgevallen een ondersteunende rol kunnen spelen.34
4) Beschikken en aanvaarden (IJzerdraad-formule)
Het vierde en laatste aanknopingspunt voor de redelijke toerekening aan de rechtspersoon, is dat de “rechtspersoon [erover] vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon [werd] aanvaard.”35 De Hoge Raad verwijst hiermee naar de IJzerdraad-criteria, die – zo overweegt de Hoge Raad expliciet – weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele plegerschap van natuurlijke personen, maar in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon.36 Net als bij natuurlijke personen, is voor de redelijke toerekening aan rechtspersonen vereist dat aan zowel het beschikkings- als aanvaardingscriterium wordt voldaan.
In eerdere uitspraken werden deze criteria reeds gebruikt voor de toerekening van een gedraging aan een rechtspersoon.37 Nog steeds geldt deze omstandigheid als een stevige indicatie voor het daderschap van de rechtspersoon.38 Dit geldt temeer als de betreffende verboden gedraging ook nog past binnen de normale bedrijfsvoering (tweede omstandigheid).
Dan rijst natuurlijk wel de vraag hoe een rechtspersoon – een juridische fictie – kan beschikken en aanvaarden. In de eerste plaats kan de beschikkingsmacht en aanvaarding ook worden afgeleid uit het handelen van natuurlijke personen binnen de rechtspersoon.39 Naarmate de natuurlijke persoon een belangrijkere positie inneemt binnen de rechtspersoon, zoals bestuurders en commissarissen, neemt de relevantie van de aanvaarding van deze persoon toe voor de redelijke toerekening.40 Voor de aanvaarding is niet vereist dat de leidinggevenden opdracht geven tot de verboden gedraging;41 de aanvaarding kan bijvoorbeeld ook voortvloeien uit het inadequaat instrueren van of onvoldoende toezicht houden op werknemers.42 Immers volstaat blijkens het Drijfmest-arrest ook het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de verboden gedraging. De onzorgvuldigheid van leidinggevenden is ook een aanwijzing dat de gedraging past binnen de normale bedrijfsuitoefening.43
Voor het antwoord op de vraag wat het betekent voor het daderschap van de rechtspersoon als een werknemer over een verboden gedraging beschikt en de gedraging aanvaardt, is ook relevant wat voor een soort onderneming de rechtspersoon is. In de eerste plaats speelt de aard van de onderneming een rol; wanneer een fout van een werknemer kan leiden tot gevaren voor mens of milieu en de rechtspersoon onvoldoende beheersmaatregelen gereed heeft voor die situatie, zal toerekening eerder redelijk geacht worden.44 Ook de organisatiewijze van de rechtspersoon kan relevant zijn. Bij een overzichtelijke, sterk hiërarchisch ingerichte onderneming waarbij de directie beschikt over grote controle en gedetailleerde kennis over de dagelijkse gang van zaken (zoals bij een fastfood-restaurant), zal toerekening aan de rechtspersoon wanneer een bestuurder voldoet aan de IJzerdraad-criteria makkelijker zijn, dan bij een organisatie waarin het uitvoerende niveau bestaat uit autonoom opererende professionals en de directie slechts beperkte kennis heeft van en invloed heeft op de werkzaamheden (zoals in de medische sector).45 De Hullu wijst er echter wel op dat partiële aanvaarding, dus wel aanvaarding op het ene niveau maar elders binnen de rechtspersoon niet, onder omstandigheden ook voldoende kan zijn.46
Natuurlijk speelt ook de omvang van de rechtspersoon een rol bij de vierde omstandigheid. Bij kleine rechtspersonen, vooral waar slechts één of enkele natuurlijke personen werken, kan het vervullen van de IJzerdraad-criteria bij één van de werknemers zorgen voor een stevige basis voor het daderschap van de rechtspersoon.47 Een gedraging van een enkeling48 zal (zeker wanneer de gedraging niet past binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon) minder snel worden vereenzelvigd met het handelen van een grote, complexe rechtspersoon.49
Ten tweede kan – net als bij het normale bedrijfsvoeringscriterium – de rechtspersoon blijkens de feitelijke gang van zaken ook rechtstreeks de IJzerdraadcriteria vervullen. Voor het vervullen van deze vierde omstandigheid is dus niet vereist dat de directie of andere aanwijsbare tussenpersonen die handelen binnen hun bevoegdheid de verboden gedraging aanvaard hebben; er kan geabstraheerd worden van individuele gedragingen of geestestoestanden.50 Immers heeft de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest het aanvaardingsvereiste een objectievere invulling gegeven.51 Het objectief ingevulde aanvaardingsvereiste heeft hierdoor veel overlap met de andere drie omstandigheden. Voor de aanvaarding ‘door de rechtspersoon zelf ’ kan dan bijvoorbeeld gekeken worden naar objectieve omstandigheden zoals de bedrijfscultuur en het belang dat de rechtspersoon heeft bij het niet betrachten van voldoende zorg om de gedraging te voorkomen; hetgeen overeenkomt met respectievelijk de tweede en derde Drijfmest-omstandigheid. Als de rechtspersoon door de bevoegde autoriteiten een waarschuwing heeft gekregen voor het overtreden van een (milieu)voorschrift en wordt opgedragen om de (milieu)overtreding te beëindigen, maar de rechtspersoon geeft hieraan geen gehoor, dan kan mijns inziens ook worden aangenomen dat de rechtspersoon het aanvaardingsvereiste rechtstreeks vervult.52
Algemene daderschapsuitsluitingsgrond: wél voldoen aan zorgplicht
Zoals gezegd zijn de Drijfmest-omstandigheden niets meer en niets minder dan indicaties van wanneer toerekening aan de rechtspersoon redelijk is. Echter wordt over het algemeen aangenomen dat als de rechtspersoon wél de in redelijkheid te vergen zorg betracht heeft met het oog op het voorkomen van de verboden gedraging – dus het spiegelbeeld van de vierde omstandigheid – dat de verboden gedraging dan ook niet in redelijkheid kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.53 Deze omstandigheid wordt gezien als een algemene daderschapsuitsluitingsgrond – ook wanneer de rechtspersoon wel voldoet aan andere Drijfmest-omstandigheden.54 Dus hoewel er geen hiërarchie is tussen de omstandigheden uit het Drijfmest-arrest, komt aan het niet-voldoen aan het aanvaardingscriterium van de vierde omstandigheid toch een bijzondere betekenis toe.
Een voorbeeld waarin toerekening aan de rechtspersoon niet redelijk was omdat deze had voldaan aan zijn zorgplicht, kan worden gevonden in een uitspraak van Hof Arnhem over het vervoeren van kalveren.55 Een werknemer van de verdachte rechtspersoon vervoerde 121 kalveren in een vrachtwagen. Hij had ook een aanhangwagen maar die bleef ongebruikt. De kalveren werden op twee verschillende plekken afgeleverd. Dat is verboden, want op grond van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het verplicht om op de plaats van aflevering geheel te lossen. Oftewel, na het lossen moet de hele wagen leeg zijn. De overtreding had voorkomen kunnen worden door de kalveren te verdelen over twee wagens.
Het hof meent dat de rechtspersoon geen dader is, omdat hij de in redelijkheid te vergen zorg betracht had. Het hof wijst erop dat de rechtspersoon de chauffeurs uitrust met een aanhangwagen zodat de kalveren apart vervoerd kunnen worden. Verder instrueert de rechtspersoon de chauffeurs over deze en andere regels door middel van handleidingen, trainingen en voorlichtingsvergaderingen. De rechtspersoon is ISO-gecertificeerd en heeft voorheen nog nauwelijks overtredingen begaan. Al met al staan de inspanningen van de verdachte aan de redelijke toerekening in de weg.
Een en ander wil overigens niet zeggen dat een rechtspersoon makkelijk de toerekening van de gedraging kan ontduiken; de grens voor het uitsluiten van daderschap ligt wel hoog.56 In dat kader mag worden aangenomen dat van een rechtspersoon meer gevraagd mag worden ter voorkoming van verboden gedragingen dan van een enkel individu.57 Een blik op de jurisprudentie leert dat een gedraging van werknemers relatief snel aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een veelvoorkomende reden daarvoor is dat werknemers inadequaat geïnstrueerd zijn, of dat er onvoldoende toezicht werd gehouden op de werkzaamheden.58
Een goed voorbeeld is de recente Spuitcabine-uitspraak.59 In een spuitcabine van een bedrijf dat wegtransportmiddelen verkoopt, repareert en onderhoudt, heeft zich een explosie voorgedaan waarop er brand is uitgebroken. Daarbij raakte één werknemer levensbedreigend gewond, en meerdere werknemers raakten onwel. De directe oorzaak van de explosie is niet vastgesteld, maar er zijn in de andere spuitcabines wel brandgevaarlijke stoffen aangetroffen, en mogelijk zijn de stoffen ontvlamd door statische elektriciteit. Meerdere werknemers hebben schokken van statische elektriciteit ervaren tijdens hun werkzaamheden. Niet alle hulpmiddelen waren goed geaard, werknemers droegen niet altijd antistatische pakken, en er waren geen waarschuwingsborden voor explosies. Ten slotte had de rechtspersoon vaten met gevaarlijke afvalstoffen aanwezig zonder de vereiste voorzieningen.
De rechtspersoon werd overtreding van art. 32 Arbowet en verschillende milieudelicten ten laste gelegd. De rechtspersoon houdt vol dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De installaties waren gekeurd en de risico’s waren door experts geïnventariseerd. Verder hadden werknemers een cursus aangeboden gekregen over de gevaren van statische elektriciteit en was er in een veiligheidsdocument voor de werknemers instructies beschikbaar. Ook had de rechtspersoon diverse functionarissen aangesteld om toezicht te houden op de werkzaamheden.
De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij overweegt dat de risico-inventarisaties onvolledig waren.60 Verder is gebleken dat niet alle werknemers op de hoogte waren van de inhoud van het veiligheidsdocument, en dat niet iedereen naar de cursus is geweest. Ook hadden de werknemers niet de indruk dat er toezicht werd gehouden op de veiligheid. De afwezigheid van waarschuwingsborden en de ontoereikende aarding van de hulpmiddelen werd de rechtspersoon ook zwaar aangerekend. De instructies waren dus ontoereikend en het toezicht was onvoldoende, en dus voldeed de rechtspersoon niet aan zijn zorgplicht.
Voor het bepalen van de zorgplicht bestaan soms ook aanknopingspunten in de wet. Zo hebben rechtspersonen die grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig hebben ingevolge artikel 5 Besluit risico’s zware ongevallen 2015 een ‘bijzondere zorgplicht’. Dit artikel bepaalt dat de exploitant alle maatregelen treft die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. Dat vergt onder meer het inventariseren van alle risico’s, een adequaat preventiebeleid met dito veiligheidsbeheerssystemen, en het gereed hebben van de nodige maatregelen voor als het toch mis gaat.61