Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.1
5.3.3.1 Beslagene onevenredig zwaar in belangen getroffen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493432:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2003, LJN AO1606, «JOR» 2004, 115, m.nt. E. Loesberg (Danilo Jordan/Scanimex).
HR 24 november 1995, rov. 3.4, LJN ZC1894, NJ 1996, 161 (Tromp-Franca/Regency).
Indien de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt ten dele niet in rechte wordt erkend, wanneer een beslag lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd staat de onrechtmatigheid van het beslag niet op voorhand vast, omdat deze afhankelijk is van de vraag in hoeverre sprake is van misbruik van recht. Indien dit laatste is vast komen te staan, is sprake van onrechtmatigheid en dus aansprakelijkheid van de beslaglegger voor de schade die hiervan het gevolg is. Deze situaties worden vaak aangeduid als vexatoir beslag. Zie ook paragraaf 8.3 en 8.4.
In de hiervoor al aangehaalde annotatie van Loesberg bij het arrest Danilo Jordan/scanimex,1 schrijft deze, dat bij de afweging van belangen zou moeten worden uitgegaan van ‘een zekere reflexwerking’ van een tweetal arresten van de Hoge Raad. Als eerste noemt Loesberg het arrest Tromp-Franca/Regency,2 waarin de Hoge Raad met betrekking tot de vraag of het leggen van beslag als vexatoir,3 en daarmee onrechtmatig, kan worden aangemerkt, overwoog dat dit mede dient te worden beoordeeld aan de hand van:
‘(…) de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van zijn goederen/in zijn belangen is getroffen.’
De Hoge Raad noemt in dit arrest, naast deze component, nog twee andere, in de annotatie niet expliciet door Loesberg aangehaalde aspecten, die bepalend zijn voor de voor de beoordeling van het vexatoir karakter van belang zijnde ‘concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging’, namelijk de hoogte van de te verhalen vordering en de waarde van de beslagen goederen.