Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.3
5.3.3.3 Verzekering van verhaal versus schadeplicht
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498263:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 juni 1996, rov. 3.3, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruijterij/MBO-Ruiters).
In de praktijk blijkt het meer op de weg van de voorzieningenrechter dan van een (gerechts)secretaris te liggen om een belangenafweging te maken.
Een ‘vermoeden van’ kan aanleiding zijn voor het (telefonisch) doen horen c.q. het vragen van nadere informatie bij de advocaat van de verzoeker dan wel – in bijzondere gevallen – voor het oproepen van partijen om ter zitting gehoord te worden.
HR 14 juni 1996, rov. 3.3, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruijterij/MBO-Ruiters).
De Beslagsyllabus juni 2011 en augustus 2012 vermeldt op p. 12 dat het lastig is om de mogelijke beslagschade te begroten en daarmee het bedrag van de zekerheidstelling vast te stellen.
Anders (en uitzonderlijk): gerechtshof Arnhem 18 april 2008, LJN BD2713, waarin aan het alsnog verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag op een handelsvoorraad de voorwaarde werd verbonden van het stellen van zekerheid.
Deze situatie was anders in de rechtspraktijk op Curaçao. Hier werd in 2007 art. 701 Rv door de beoordelend voorzieningenrechter wel toegepast. Inmiddels is dit in ongebruik geraakt, waarschijnlijk door wisseling van de beoordelend voorzieningenrechter(s). Opmerking verdient dat verzoeker en gerekwestreerde aldaar – op veel grotere schaal dan in Nederland – in het kader van een al dan niet zwart gemaakt beslag door de voorzieningenrechter ‘in chamber’ worden gehoord, als gevolg waarvan de voorzieningenrechter over meer informatie kan beschikken dan uitsluitend de door de verzoeker ingediende bescheiden waarop in Nederland een rekest in de overgrote meerderheid van de gevallen wordt beoordeeld. Het zwart maken behoort in 2012 nog steeds tot de mogelijkheden, waarbij (in verband met het mogelijke risico van het voortijdig bekend worden van het voorgenomen beslag) de gemachtigden, en niet partijen, worden gehoord.
In het tweede, door Loesberg in het kader van de reflexwerking genoemde, arrest (De Ruijterij/MBO-Ruiters)1 overwoog de Hoge Raad in verband met de vraag of een beslag moest worden opgeheven:
‘dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken’.
Loesberg voegt hieraan toe dat, als aan de criteria van het voldoen aan de formele vereisten en aannemelijkheid van de vordering is voldaan, verlof tot het leggen van beslag zou moeten worden verleend. Dit kan anders zijn indien kan worden voorzien dat beslag op een bepaald object de schuldenaar zeer in zijn belangen zal treffen en er anderszins voldoende vermogen aanwezig is waarop de schuldenaar zich kan verhalen.
Naast het vexatoir karakter wordt in de belangenafweging in het kader van de verlofverlening derhalve meegewogen de mogelijkheid van verhaal door de beslaglegger op de beslagene in geval van een toegewezen vordering, alsook de (contraire) mogelijkheid van vergoeding door de beslaglegger van schade van de beslagene in geval van een niet toegewezen vordering in de hoofdzaak. Uit de vraaggesprekken met voorzieningenrechters2 in 2007, waarin de vraag werd voorgelegd hoe de belangafweging plaatsvindt, bleek dat het eerste aspect (vexatoir karakter) steeds een rol speelde in de belangenafweging.3 Een der voorzieningenrechters zei in het geheel geen belangenafweging te (kunnen) maken omdat hij hiervoor over onvoldoende informatie beschikte. Daarnaast werd bij de beoordeling steeds rekening gehouden met het tweede aspect (de mogelijkheid van verhaal), voor zover dit betrekking heeft op het meewegen van de mogelijkheid van verhaal door de beslaglegger, daar dit als inherent aan het leggen van beslag als procesrechtelijke bevoegdheid wordt beschouwd. Deze benadering ligt in lijn met de hiervoor aangehaalde overweging in arrest De Ruijterij/MBO-Ruiters, dat bij een toewijzend vonnis verhaal mogelijk moet zijn.4
Geheel anders bleek in de praktijk te worden omgegaan met het meewegen van de te verwachten (on)mogelijkheid van vergoeding van mogelijk door de beslagene te lijden schade als gevolg van het beslag, indien zou blijken dat de vordering die aan het beslag ten grondslag heeft gelegen in de hoofdzaak wordt afgewezen. Dit onderdeel bleek in het geheel niet in de belangenafweging te worden meegenomen. Een van de hiervoor genoemde redenen bleek te zijn dat het beslagrekest onvoldoende gegevens bevat om aan dit criterium te kunnen toetsen. In het verlengde hiervan ligt de vaststelling dat geen van de voorzieningenrechters in de praktijk toepassing bleek te geven aan (het ook in de Beslagsyllabus vermelde)5artikel 701 Rv.6 Deze bepaling geeft de voorzieningenrechter de mogelijkheid om verlof te verlenen onder de voorwaarde dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld voor schade die door het beslag kan worden veroorzaakt.7