Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.9.2
14.3.9.2 Kwalificatie van een rechtsfiguur en transparantie
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232761:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 3.1.
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 3.2.2.
Boer noemt ook fiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen als voorbeeld, maar dit is mijns inziens minder zuiver. In deze gevallen wordt het beoogde doel, een zo gelijk mogelijke fiscale behandeling van rechtstreekse en collectieve beleggingen (via een entiteit), niet verwezenlijkt door de beleggingsinstelling te negeren en de inkomsten van de beleggingsinstelling als zodanig bij de belegger in de heffing te betrekken, maar (mede) door de heffing bij de beleggingsinstelling weg te nemen door een nultarief (artikel 28b Wet Vpb jo. artikel 9 Besluit beleggingsinstellingen) of een subjectieve vrijstelling (artikel 6a Wet Vpb).
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 3.3.2.
Boer, dissertatie 2011, paragraaf 3.3.3.
Zie nader paragraaf 14.3.10.
Zie hof Amsterdam 21 juni 1978, ECLI:NL:GHAMS:1978:AX2829, BNB 1979/191.
Zie bijvoorbeeld HR 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9380, BNB 1982/42 en HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, BNB 1986/16.
Zie bijvoorbeeld HR 17 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7646, BNB 1987/247 en HR 8 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3988, BNB 1989/111, voor de aftrek van giften en HR 17 oktober 1973, ECLI:NL:HR:1973:AX4623, BNB 1974/21, HR 14 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3189, BNB 1978/15 en HR 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH5313, BNB 1986/87 voor de aftrek van premies. Zie voorts hof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:382, rechtsoverweging 4.5, waar het hof de stelling van belanghebbende, dat de jurisprudentie inzake de fiscale transparantie van stichtingen geen relevantie heeft voor de dividendbelasting, verwerpt (er is cassatieberoep tegen deze uitspraak ingesteld).
De vraag of de stichting gelijktijdig nog een subject kan zijn voor de vennootschapsbelasting blijft vooralsnog grotendeels onbeantwoord. De Hoge Raad heeft hier althans niet met zoveel woorden over geoordeeld. Deze vraag komt wel zijdelings aan de orde in HR 9 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:BH7121, BNB 1989/228, welk arrest betrekking heeft op een vennootschapsbelastingplichtige stichting. Het hof oordeelt dat (i) de omstandigheid dat een ander beschikkingsmacht heeft niet in de weg staat aan vennootschapsbelastingplicht van de stichting en dat (ii) een dergelijke beschikkingsmacht ontbreekt. Het oordeel van de Hoge Raad beperkt zich evenwel tot het tweede punt, zodat nog niet duidelijk is hoe vennootschapsbelastingplicht zich in de ogen van de Hoge Raad verhoudt tot beschikkingsmacht van een ander. Voorts betreft HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4829, BNB 1992/142, een vennootschapsbelastingplichtige stichting. De Hoge Raad baseert zijn oordeel dat sprake is van een zelfstandige stichting op de activiteiten van de stichting en het door haar uitgeoefende bedrijf en niet, althans niet met zoveel woorden, op het feit dat de stichting onderworpen was aan vennootschapsbelasting. Een redelijk uitgangspunt lijkt evenwel dat vennootschapsbelastingplicht van de stichting uitsluit dat haar inkomen en vermogen nog bij een ander in de heffing zouden worden betrokken, aangezien anders dubbele heffing zou ontstaan. Ook is er vanuit dit perspectief geen noodzaak om de stichting als transparant te beschouwen, aangezien reeds sprake is van heffing. Een expliciete uitspraak van de Hoge Raad op dit punt ontbreekt evenwel.
Zie artikel 10.9 Wet IB 2001, artikel 5 lid 1 sub a Wet Vpb en artikel 7a NSW. Voor de dividendbelasting was in de resolutie van 9 september 1941, nr. 1941/34, B. 7521, geregeld dat inhouding van dividendbelasting achterwege kon blijven. Deze resolutie is ingetrokken door middel van het besluit van 16 maart 2007, nr. CPP2006/1783, BNB 2007/158, waarbij is aangegeven dat de resolutie reeds was vervallen bij inwerkingtreding van de Wet DB, maar dat de praktijk er vanuit was gegaan dat deze was blijven bestaan. In de literatuur is gesuggereerd dat deze praktijk desalniettemin is blijven bestaan (zie I.W.M. Duijvesteijn en E.J.W. Heithuis, Natuurschoonwet 1928, Kluwer Deventer 2009, pagina 66 en R.P.C.W.M. Brandsma, Cursus Belastingrecht Div.bel. 2.1.10), hetgeen ook consistent zou zijn.
Andere voorbeelden zijn de antimisbruikbepalingen van artikel 3.92b jo. 395b lid 2 Wet IB 2001 en 4.14 lid 9 Wet IB 2001.
Zie bijvoorbeeld HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, BNB 1986/16, waarin de Hoge Raad spreekt van het behandelen van het vermogen van een stichting als ware het vermogen van de belastingplichtige zelf. In HR 18 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4829, BNB 1992/142, wordt gesproken over het vereenzelvigen van inkomen en vermogen van een stichting met het inkomen en vermogen van een ander. In latere lagere jurisprudentie wordt ook expliciet gesproken van transparantie, zie bijvoorbeeld rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1776, rechtbank Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDH:2018:4990 en hof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3621.
Het fiscale eenheidsregime leidt daarmee, althans in de huidige vorm, mijns inziens niet tot fiscale transparantie: de dochtermaatschappijen blijven subjectief belastingplichtig, met dien verstande dat fiscale consolidatie plaatsvindt en vennootschapsbelasting geheven wordt alsof sprake is van slechts één belastingplichtige (zie Kamerstukken II vergaderjaar 2000/01, 26 854, nr. 6, pagina 6). Transparantie impliceert het afwezig zijn van subjectieve belastingplicht. Wel gaat de consolidatie iets verder dan toerekening, omdat interne transacties in beginsel geheel genegeerd worden.
Om de vraag te kunnen beantwoorden of zich bij de APV-regeling toerekening dan wel fiscale transparantie voordoet, is van belang om allereerst beide begrippen te definiëren. Boer gaat hierop in in het kader van zijn onderzoek naar de kwalificatie van de Anglo-Amerikaanse trust. Hij begint in dat verband met de constatering dat binnen de Nederlandse literatuur geen sprake is van uitgebreide en gesystematiseerde verhandelingen met betrekking tot de theoretische achtergronden van fiscale (non)transparantie en de daarmee samenhangende suggestie dat een deel van de discussie over de inhoud van het begrip fiscale transparantie wellicht niet zozeer een kwestie is van verschil van inzicht, als wel van begripsverwarring.1 Vervolgens gaat Boer in op de kwalificatie van rechtsvormen en fiscale transparantie. Hij beschrijft de kwalificatie als de fiscaal-juridische duiding van de civielrechtelijke kenmerken van een rechtsvorm. Op basis van deze kenmerken is de rechtsvorm fiscaal transparant dan wel non-transparant. De fiscale (non-)transparantie is daarmee een eigenschap die de rechtsvorm van nature heeft. Een eventuele wettelijke regeling met betrekking tot het fiscaal “zien” of “negeren” van de rechtsvorm heeft geen invloed op deze eigenschap, maar is een reactie op de primaire fiscale kwalificatie van de rechtsvorm als al dan niet transparant. In geval van non-transparantie is de rechtsvorm een rechtssubject en kan deze als zodanig belastingplichtig zijn.2
Boer gaat voorts in op wat hij “wettelijke” en “buitenwettelijke” transparantie noemt: situaties waarin een als rechtssubject gekwalificeerde rechtsvorm alsnog in specifieke gevallen geheel of gedeeltelijk wordt genegeerd. In geval van “wettelijke transparantie” is dit gebaseerd op de wet; voorbeelden zijn het fiscale eenheidsregime en de fiscale behandeling van Natuurschoonwet-lichamen.3 Bij “buitenwettelijke transparantie” is de basis een rechterlijke beslissing; hierbij kan gedacht worden aan de in paragraaf 14.3.10 besproken jurisprudentie, waarin stichtingen fiscaal worden genegeerd indien iemand over het stichtingsvermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Deze “(buiten)wettelijke transparantie” staat in de ogen van Boer los van de kwalificatie van rechtsvormen en (eigenlijke) fiscale transparantie, waarbij de “transparantie” in deze gevallen niet de uitkomst is van de kwalificatie, maar een reactie daarop. De wetgever komt daarbij door het terzijde stellen van de fiscale zelfstandigheid van de rechtsvorm, die op grond van de kwalificatie aanwezig is, tot een door hem gewenst resultaat. Daarmee wordt de initiële kwalificatie als zelfstandig rechtssubject bevestigd.4
Naast de vraag naar fiscale transparantie/kwalificatie van een rechtsvorm, staat de toerekening van inkomen en vermogen. De eerste vraag bepaalt of de rechtsvorm als zelfstandig rechtssubject erkend wordt en daarmee belastingplichtig kan zijn. De toerekening betreft daarentegen de (vervolg)vraag aan welk subject een bepaald te belasten object wordt toegerekend. De erkenning als subject is noodzakelijk om een object toegerekend te kunnen krijgen. Omgekeerd doet de omstandigheid, dat vermogen dat civielrechtelijk aan één subject toebehoort, maar in afwijking daarvan op grond van wet of jurisprudentie aan een ander subject wordt toegerekend, niet af aan de subjectieve belastingplicht c.q. het subject-zijn van het eerste subject in het algemeen.5
Hiervan uitgaand dient een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds de kwalificatie van een rechtsvorm als rechtssubject (of niet) en anderzijds de eventuele van deze kwalificatie afwijkende fiscale behandeling op grond van wet of jurisprudentie. Voor wat betreft het laatste kunnen mijns inziens nog twee situaties onderscheiden worden: de afwijkende fiscale behandeling geldt algemeen, dat wil zeggen voor alle directe belastingen, of er is slechts sprake van een beperkte afwijking. Een voorbeeld van het eerste is de “transparante stichting”, waarbij op grond van de omstandigheid dat een ander kan beschikken over het vermogen van de stichting als ware het zijn eigen vermogen het stichtingsvermogen bij deze ander in de heffing betrokken wordt.6 Deze “transparantie” van de stichting strekt zich uit over meerdere heffingen en aspecten daarvan: aan de stichting overgedragen vermogen werd geacht het vermogen van de overdrager nog niet te hebben verlaten, zodat deze ter zake hiervan vermogensbelasting verschuldigd was7, alsmede inkomstenbelasting met betrekking tot eventuele inkomsten8, giften gedaan of lijfrentepremies betaald aan de stichting niet aftrekbaar waren.9, 10 In het verlengde hiervan ligt dat de inbreng niet leidt tot de verschuldigdheid van schenkbelasting, met dien verstande dat deze situatie bij mijn weten – logischerwijs – niet in de jurisprudentie aan de orde is gekomen. Een vergelijkbare integrale benadering geldt voor Natuurschoonwet-lichamen.11 Een beperkte toerekening is bijvoorbeeld geregeld in de artikelen 2.15 en 2.17 Wet IB 2001; de toerekening van deze bepalingen geldt slechts voor bepaalde delen van de Wet IB 2001.12
Vraag is hoe de integrale variant beschouwd moet worden. In geval van de beperkte variant is slechts sprake van toerekening van vermogen of inkomsten in een specifieke context, waarbij het belastingsubject waarbij dit vermogen c.q. deze inkomsten in eerste instantie opkomen los van deze toerekening als subject in aanmerking genomen wordt. De integrale variant gaat echter verder en dit roept de vraag op of in die gevallen toch geen sprake is van een vorm van (oneigenlijke) fiscale transparantie, in de zin dat de kwalificatie van een rechtsvorm weliswaar leidt tot de conclusie dat de rechtsvorm als belastingsubject erkend wordt, maar de wet of jurisprudentie er vervolgens toe leidt dat de rechtsvorm alsnog volledig genegeerd wordt. Het alternatief zou een integrale toerekening van alle vermogen en inkomsten van de rechtsvorm zijn. Aangezien fiscale transparantie niet tot hetzelfde resultaat hoeft te leiden als toerekening, zoals geïllustreerd door de voorbeelden in paragraaf 14.3.9, heeft deze kwalificatie fiscale relevantie.
Naar mijn mening is bij de integrale variant sprake van (een vorm van) fiscale transparantie. Dit past beter bij het concept van een integrale benadering, waarbij de rechtsvorm voor alle directe heffingen ter zijde geschoven wordt. Daarnaast vloeit dit voort uit de gebruikte formulering: artikel 10.9 lid 1 Wet IB 2001 spreekt bijvoorbeeld over de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van het Natuurschoonwetlichaam die worden beschouwd als de werkzaamheden van diens aandeelhouders. Uit de jurisprudentie inzake het kunnen beschikken over het vermogen van stichting als ware het eigen vermogen volgt voorts eenzelfde benadering. Reeds het concept van het kunnen beschikken over vermogen als ware het iemands eigen vermogen impliceert dat degene, die juridische eigenaar van dat vermogen is, in fiscale zin terzijde geschoven wordt. Dit wordt ook onderstreept door de overigens in de jurisprudentie inzake beschikkingsmacht gebruikte formuleringen.13
Hiermee kunnen zich in het spectrum fiscale transparantie – toerekening drie situaties voordoen:
De kwalificatie van een rechtsvorm, op basis van de civielrechtelijke kenmerken, leidt ertoe dat deze fiscaal niet als belastingsubject erkend wordt. Deze rechtsvorm is derhalve fiscaal transparant en bij de rechtsvorm in aanmerking nemen van belastingobjecten is niet mogelijk.
De uitkomst van de kwalificatie van een rechtsvorm is dat deze als belastingsubject erkend wordt. Op grond van een wettelijke regeling dan wel de jurisprudentie wordt de rechtsvorm echter alsnog (indien aan bepaalde voorwaarden voldaan is) genegeerd en als fiscaal transparant behandeld.14
De kwalificatie van een rechtsvorm leidt tot de erkenning hiervan als belastingsubject en de rechtsvorm wordt in het algemeen ook als zodanig behandeld. In specifieke omstandigheden worden echter het vermogen c.q. de inkomsten van de rechtsvorm aan een ander toegerekend en bij deze ander in de heffing betrokken. Overigens is de rechtsvorm belastingplichtig. In tegenstelling tot (a) en (b) kan de toerekening zich ook ten aanzien van natuurlijke personen voordoen, zoals de toerekening van bepaalde inkomsten van minderjarige kinderen aan hun ouders.