Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.5.3:7.5.3 Toezicht op de gemeentelijke accountants
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/7.5.3
7.5.3 Toezicht op de gemeentelijke accountants
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 4 is reeds melding gemaakt van de verplichting van rekenkamer(commissie)s om toezicht uit te oefenen op interne accountantsdiensten die belast zijn met de uitvoering van de wettelijke controle van de gemeentelijke jaarrekening. Dit volgt uit art. 184a Gemeentewet. Dit artikel stelt dat de rekenkamer belast is met het toezicht op deze accountantsdiensten en verwijst daarbij naar het achtste lid van art. 213 Gemeentewet. Dit laatstgenoemde artikellid verwijst op zijn beurt naar een aantal artikelen uit de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) die op deze gemeentelijke accountants van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betreft vooral die artikelen uit de Wta die eisen stellen aan de onafhankelijke opstelling en de deskundigheid van de gemeentelijke accountants, alsmede aan de opstelling en de deskundigheid van die natuurlijke personen die de dagelijkse leiding hebben over de betreffende gemeentelijke accountantsdiensten.
De belangrijkste vraag in dit verband is wat dit toezicht door de rekenkamer(commissie)s precies inhoudt. De in de Wta opgenomen bepalingen over de handhavingsbevoegdheden van de AFM terzake (zie hoofdstuk 4) zijn niet van toepassing verklaard op de betrokken rekenkamer(commissie)s. Dit betekent dat de rekenkamer(commissie)s niet veel meer kunnen doen dan hun bevindingen te rapporteren in de hoop dat deze — indien ingrijpen gewenst is — zullen worden `opgepikt' door die gemeentelijke organen die wel bevoegd zijn in te grijpen in de organisatie van de gemeentelijke accountantsdienst. Ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de individuele accountants is dit de gemeenteraad (art. 213 lid 7 Gemeentewet). Ten aanzien van de organisatie van de gemeentelijke accountantsdienst als zodanig kan dit ook het college zijn; dat is afhankelijk van de wijze waarop deze organisatie in de betreffende gemeentelijke verordening is geregeld (zie hoofdstuk 4).
Art. 184a Gemeentewet is ook van toepassing verklaard op rekenkamercommissies (art. 8loa lid 2 Gemeentewet). Dit betekent dat het in theorie ook denkbaar is dat raadsleden die zitting hebben in de rekenkamercommissie, worden belast met het toezicht op de gemeentelijke accountantsdienst. Dit is geen ideale situatie. Hoewel het van belang is dat gemeentelijke accountants op afstand worden geplaatst van het college, is ook een zekere afstand tot de gemeenteraad wenselijk. In hoofdstuk 4 is immers duidelijk gemaakt dat accountants ook ten opzichte van hun opdrachtgevers een onafhankelijke houding moeten aannemen. Dat wordt aanzienlijk ingewikkelder als deze opdrachtgever via zijn leden in de rekenkamercommissie toezicht uitoefent op de accountant of de accountantsorganisatie. Voor dit probleem zijn drie oplossingen denkbaar:
het beperken van de mogelijkheid gemeentelijke rekenkamercommissies (mede) te laten bestaan uit raadsleden bij gemeenten die een gemeentelijke accountantsdienst belasten met de wettelijke controle van de jaarrekening;
het onderbrengen van het toezicht op de gemeentelijke accountantsdiensten bij een ander — bijvoorbeeld provinciaal — orgaan;
het afschaffen van de mogelijkheid gemeentelijke accountantsdiensten te belasten met de wettelijke controle van de jaarrekening.
In hoofdstuk 4 is reeds bepleit dat het beter zou zijn de gemeentelijke jaarrekening niet te laten controleren door gemeentelijke accountantsdiensten. Dit zou niet alleen het voorliggende probleem oplossen, maar zou ook in andere opzichten recht doen aan de gewenste onafhankelijkheid van de accountantscontrole (optie 3). In hoofdstuk 9 zal bovendien worden bepleit de aansturing van de externe accountants die belast zijn met de controle van de gemeentelijke jaarrekening, in handen te leggen van de provincie. Voor zover de gemeentelijke accountantsdiensten in die constellatie al niet zouden verdwijnen, zou het een kleine stap zijn ook de controle hierop naar het provinciale niveau te tillen (optie 2). Als de wetgever weinig voelt voor deze ingrepen, verdient het op zijn minst aanbeveling art. 184a Gemeentewet zodanig aan te passen, dat gemeenten verplicht worden een onafhankelijke rekenkamer in te stellen, indien zij zich willen bedienen van interne accountantsdiensten bij de wettelijke controle van de jaarrekening.