Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/6.4.2:6.4.2 Verzuim en faillissement
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/6.4.2
6.4.2 Verzuim en faillissement
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264447:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§166 InsO en §§170-171 InsO in verbinding met §§50-51 InsO; Cartano 2009, p. 123-125; Aschenbrenner 2014, p. 257-258; Bülow 2017, nr. 1247; Braun/Dithmar 2019, nr. 166.2 en 170-171.1-9.
Cartano 2009, p. 33; Bülow 2017, nr. 1226, 1231 en 1329a.
Cartano 2009, p. 33 en 123-125; Bülow 2017, nr. 1226, 1231 en 1329a. Vgl. §2.5.4.
§§50-51 InsO in verbinding met §166 InsO en 170-172 InsO; Bülow 2017, nr 1247. Vgl. Braun/Dithmar 2019, nr. 166.2 en 170-171.1-9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor zekerheidseigendom betekent een faillissement het volgende. De zekerheidseigenaar is niet bevoegd om zelf de executie van het zekerheidsobject ter hand te nemen. Normaal gesproken bevindt het zekerheidsobject zich na een zekerheidsoverdracht onder de schuldenaar. Dit betekent dat de curator bevoegd is de executie ter hand te nemen. De zekerheidseigenaar heeft slechts recht op afdracht van de executie-opbrengst, na aftrek van de waarderingskosten, executiekosten en Umsatzsteuer (omzetbelasting).1
In faillissement heeft de zekerheidseigenaar recht op afdracht van de vruchten van het zekerheidsobject, mits de overeenkomst die tot zekerheidsoverdracht verplicht een hiertoe strekkend beding bevat.2 Zoals gezegd bevatten Sicherungsverträge (overeenkomsten tot zekerheidsoverdracht) in de praktijk veelal een clausule op grond waarvan de zekerheidseigenaar gerechtigd is tot de vruchten van het zekerheidsobject, zodra de zekerheidsgever in verzuim is met de terugbetaling van de gesecureerde vordering. Als de zekerheidsovereenkomst aan de zekerheidseigenaar een recht op de vruchten toekent, gelden de vruchten als onderdeel van de executie-opbrengst. De vruchten komen dus in mindering op de gesecureerde vordering.3
Dit alles vloeit voort uit jurisprudentie van het Bundesgerichtshof uit 1979.4 Een schuldenaar had twee machines tot zekerheid overgedragen aan een schuldeiser. De zekerheidsovereenkomst tussen deze partijen bevatte geen beding op grond waarvan de schuldeiser gerechtigd was tot de vruchten van de machines. Vervolgens failleerde de schuldenaar. De curator verhuurde de machines aan een derde, en inde de huurpenningen. Vervolgens eiste de schuldeiser de door de curator geïnde huurpenningen op. Het hof (Oberlandesgericht) wees deze eis af. Het BGH liet dit oordeel in stand. Hiertoe overwoog het BGH dat het recht van vruchttrekking zonder daartoe strekkende afspraak geen onderdeel was van de executiebevoegdheid (Verwertungsbefugnis) van de zekerheidseigenaar. Op dit punt sloot het BGH aan bij de regelingen van pand en grondpand. Zonder nadere afspraak is de pandhouder niet bevoegd het recht van pandgebruik uit te oefenen (§1213 BGB). De grondpandhouder heeft pas recht op de vruchten als hij is overgegaan tot Zwangsverwaltung (§§1123-1124 BGB en §148 ZVG). Het doel van de zekerheidsoverdracht was bovendien nu juist om het genot toe te staan aan de schuldenaar. Hieruit volgde dat het recht op de vruchten niet behoorde tot de Verwertungsbefugnis van de zekerheidseigenaar. Slechts op grond van een daartoe strekkend beding in de zekerheidsovereenkomst kan de zekerheidseigenaar gerechtigd zijn tot de vruchten van het zekerheidsobject.5 Bevat de zekerheidsovereenkomst zo’n beding, dan geldt de vruchttrekking door de curator als executie, Verwertung.6 Dit betekent dat de curator de waarde van de vruchten dient af te staan aan de zekerheidseigenaar, na aftrek van de kosten van waardering, executie en Umsatzsteuer (BTW).7