Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.3.3.1
1.3.3.1 Aanduiding van de aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.1 en 6.3.2 BW
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299213:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Lubach 2005, p. 135-136; Klaassen 1991, p. 2, 201-258; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/ 27.
Denk aan het vereiste van een ‘fout’ van degene voor wie men aansprakelijk is, de eigen fout van de ex art. 6:169 lid 2 aansprakelijke ouder/voogd, de tenzij-formules van art. 6:173, 174, 178 en 179, alsmede aan de invulling van het gebreksbegrip van art. 6:173 en 174 aan de hand van de zogeheten Wilnis-doctrine, zie HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis), bevestigd in HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot).
Denk aan toerekening op grond van de verkeersopvattingen (art. 6:162 lid 3) en de wet (art. 6:162 lid 3 jo. 6:165 lid 1), ‘objectivering’ van schuld (toerekening), alsmede aan het aanleggen van een ‘onmenselijk’ strenge zorgvuldigheidsnorm (onrechtmatigheid).
Zie in deze zin ook Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1380; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 14. Zie voorts Schut 1969, p. 273; Van Dam 2015, p. 23.
Lid 2 van art. 6:169 past strikt genomen niet goed in afdeling 6.3.2 BW, omdat de daarin geregelde aansprakelijkheid rust op – een vermoeden van – eigen ‘foutief’ gedrag van de aansprakelijke ouder/ voogd.
Blijkens de Wilnis-doctrine is bij de invulling van het gebreksbegrip van art. 6:173 en 174 het gedrag van de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker relevant, hetgeen onverlet laat dat de aansprakelijkheid (dogmatisch) is gekoppeld aan de (gebrekkige) toestand waarin de zaak verkeert.
Vgl. reeds Schut 1963, p. 40, die spreekt van een splitsing tussen een ‘verantwoordelijkheid’ in eigen persoon en in kwaliteit. Onder dit laatste valt zijns inziens een ‘verantwoordelijkheid voor personen tot wie men in een bepaalde betrekking staat en voor zaken die men onder zijn opzicht heeft’.
Afd. 6.3.2 BW behelst derhalve een aansprakelijkheidsvorm voor het intreden waarvan én onrechtmatig- heid én toerekenbaarheid zijdens de aansprakelijke persoon zelf ontbreken. Hoewel bij de toepassing van bijvoorbeeld ‘de verkeersopvattingen’ en ‘de wet’ uit art. 6:162 lid 3 (jo. 6:165 lid 1) ‘schuld’ in de zin van persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt en zodoende sprake is van een zekere vorm van ‘risicoaansprakelijkheid’, duid ik deze toch niet als kwalitatieve aansprakelijkheid. Bedoelde aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.1 BW neemt immers nog altijd het eigen gedrag van de aansprakelijke tot uitgangspunt.
In het kader van dit onderzoek is een aantal terminologische keuzes gemaakt. Zo wordt in deze studie, hoewel de begrippen schuld en risico in dit verband sterk in het juridische jargon zijn ingeburgerd, aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.2 BW aangeduid met kwalitatieve aansprakelijkheid en aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.1 BW met foutaansprakelijkheid. Voor de term ‘risico’ geldt namelijk dat deze geen fundament voor aansprakelijkheid biedt: anders dan ‘schuld’ blijft de vraag waarom bepaalde schade(veroorzaking) tot iemands ‘risico’ behoort onbeantwoord. ‘Risico’ is dan ook geen grondslag van aansprakelijkheid, maar komt neer op een ‘nog te funderen wenselijk geacht resultaat’.1 Bovendien geldt dat afd. 6.3.2 BW naast ‘risico-elementen’ bepaald niet wars van ‘schuldelementen’ is.2 ‘Schuld’ als zodanig kan echter wel als grondslag van aansprakelijkheid dienen en verklaren waarom iemand aansprakelijk is: naar maatstaven van zorgvuldigheid had anders gehandeld kunnen en moeten worden. Het problematische van de term schuld is dat dit begrip in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht wel in tweeërlei zin wordt gebezigd: soms wordt daarmee gedoeld op de schending van een gedragsnorm c.q. een onrechtmatige daad (lid 2 van art. 6:162), soms op ‘schuld’ in de zin van persoonlijke verwijtbaarheid (in de sfeer van de toerekenbaarheid als bedoeld in lid 3 van art. 6:162). Hiernaast geldt dat binnen afd. 6.3.1 BW niet alleen ‘schuldelementen’ maar ook ‘risico-elementen’ een rol spelen.3 Kortom, de lege term ‘risico’ en het dubbelzinnige begrip ‘schuld’ hebben als zodanig niet alleen onvoldoende onderscheidend vermogen, maar ook levert het afzetten van ‘risicoaansprakelijkheid’ (afd. 6.3.2 BW) tegen ‘schuldaansprakelijkheid’ (afd. 6.3.1 BW) geen zuivere tegenstelling op.4
Aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.1 BW is steeds gefundeerd op een eigen ‘fout’ (lees: toerekenbare onrechtmatige daad) van de aansprakelijke persoon. Aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.2 BW onderscheidt zich hiervan door niet het eigen (‘foutieve’) gedrag van de aansprakelijke persoon tot uitgangspunt te nemen:5 de aansprakelijkheid wordt gevestigd voor het schadeveroorzakende gedrag van een ander of voor schade veroorzaakt door een zaak, stof of dier.6 Deze op afd. 6.3.2 BW gegronde aansprakelijkheid rust steeds op iemand die gezien zijn hoedanigheid of kwaliteit in een bijzondere relatie tot de schadeveroorzakende persoon of zaak staat.7 Kwalitatieve aansprakelijkheid betreft daarom een buitencontractuele aansprakelijkheid in hoedanigheid, zónder dat de aansprakelijkheid behoeft te worden herleid tot een eigen ‘fout’ van degene die aansprakelijk is.8 Omdat kwalitatieve aansprakelijkheid dus niet gefundeerd is op een ‘fout’ van de aansprakelijke persoon zelf, draagt zij als zodanig geen begrenzing in zich. Om een onbegrensde aansprakelijkheid te voorkomen, kennen de diverse kwalitatieve aansprakelijkheden ter begrenzing ieder hun eigen methoden en technieken. Hierbij spelen dan mede de vereisten van onrechtmatigheid en toerekenbaarheid uit afd. 6.3.1 BW (foutaansprakelijkheid) een rol.