Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.5.3
2.5.3 De functie van een stilzwijgend recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264467:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Windscheid/Kipp 1906, p. 1182-1183; Weiß 1909, p. 39-40, in de voetnoottekst. Zie ook Goebel 1961, p. 50-51.
Manigk 1910, p. 61-64; Kaser, Studien III, p. 85.
D. 20,2,8 (Paulus). Cum debitor gratuita pecunia utatur, potest creditor de fructibus rei sibi pigneratae ad modum legitumum usuras retinere.
Windscheid/Kipp 1906, p. 1182-1183; Weiß 1909, p. 39-40, in de voetnoottekst. Zie ook Goebel 1961, p. 50-51.
Manigk 1910, p. 61-64; Kaser, Studien III, p. 85.
Pinkster 2003, p. 449; Heumann/Seckel 1958, p. 231-232.
Zie kritisch over de tegenstelling tussen gratuita pecunia en modum legitimum usuras in deze Digestentekst: Dernburg 1864, p. 73-76. Overigens zijn de hiervoor aangehaalde auteurs het er wel over eens, dat deze tekst een bewijs vormt voor het bestaan van de een stilzwijgend recht van pandgebruik in het Romeinse recht. Aldus ook Voet, Ad Pandectas I, ad D. 20,1.
Vgl. Kohler 1882, p. 78. D. 2,14,52,1 (Ulpianus); D. 20,1,1,3 (Papinianus).
D. 20,2,8 (Paulus); D. 20,5,12,1 (Tryphoninus); D. 36,4,5,21 (Ulpianus); C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla); C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,24,3 (Alexander Severus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 8,13(14),9 (Gordianus); C. 8,24(25),2 (Maximianus); C. 8,27(28),1 (Alexander Severus).
In de voorgaande paragrafen zette ik uiteen welke functies het recht van pandgebruik kon hebben. De kwestie welke functie een recht van pandgebruik had, leverde vermoedelijk geen problemen op als partijen uitdrukkelijk een recht van pandgebruik hadden gevestigd. De functie van het recht van pandgebruik bleek dan immers uit de pandovereenkomst. Wanneer een recht van pandgebruik evenwel stilzwijgend tot stand was gekomen, hadden partijen geen afspraak gemaakt over zijn functie. Dan rees de vraag welke functie dit stilzwijgende recht van pandgebruik had.
Over het antwoord op deze vraag bestaat discussie in de literatuur. Volgens Weiß en Windscheid had een stilzwijgend recht van pandgebruik een rentefunctie.1 Met Manigk en Kaser2 meen ik evenwel dat het stilzwijgende recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had.
Weiß en Windscheid baseerden hun standpunt op D. 20,2,8 (Paulus):
“Wanneer een schuldenaar in het genot is van een renteloze geldlening, kan de geldschieter van de vruchten van de hem verpande zaak rente afhouden tot op het wettelijk percentage.”3
Weiß en Windscheid maakten uit deze tekst op dat stilzwijgend een recht van pandgebruik met rentefunctie was ontstaan. De lening uit de tekst was renteloos. De pandhouder mocht de vruchten van het onderpand echter innen als rentevergoeding. De grens aan deze bevoegdheid was het wettelijke rentemaximum. Paulus gaf immers aan dat de pandhouder niet meer vruchten onder zich mocht houden dan het wettelijke percentage. De gebruiksopbrengst mocht dus niet hoger zijn dan het bedrag dat de schuldeiser maximaal aan rente had kunnen verkrijgen. Kortom: als geen rente was overeengekomen, mocht de vuistpandhouder vruchten van het onderpand trekken tot van het maximale rentepercentage. Dit gold zelfs als partijen geen afspraken hadden gemaakt over pandgebruik.4
In navolging van Manigk en Kaser heb ik een andere interpretatie van deze tekst. Het recht van pandgebruik trad in het geval van deze tekst pas in werking op het moment waarop de schuldenaar in verzuim kwam met de aflossing van zijn renteloze lening. Vanaf dat moment begon de wettelijke rente te vervallen. Als aflossing op de wettelijke rente mocht de schuldenaar vruchten behouden. Deze interpretatie vindt steun in D.13,7,7 (Paulus), D. 20,1,1,3 (Papinianus) en D. 36,4,5,21 (Ulpianus), die het bestaan van wettelijke rente en een pandgebruik daarvoor bevestigden.5 Naast de samenhang met de hiervoor aangehaalde Digestenteksten valt deze interpretatie van D. 20,2,8 het beste te rijmen met het gebruik van het woord gratuita. Dit woord is vertaald met renteloos, en kan ook ‘kosteloos’ betekenen.6 Een lening waarbij het recht van pandgebruik vanaf het aangaan van de overeenkomst werkt als aflossingsmechanisme voor de rente, is niet gratuita. Rente is dan immers wel degelijk verschuldigd, in de vorm van vruchten. Sterker nog: de schuldenaar betaalt in feite het maximale rentepercentage dat wettelijk van hem gevraagd kan worden. Een lening is slechts gratuita indien de schuldenaar geen rente hoeft te voldoen, ook niet door de schuldeiser de vruchten te laten trekken. Zodoende lijkt het mij aannemelijk dat Paulus zijn mening gaf over een situatie waarin een schuldenaar een rentevrije lening had. Met de aflossing van deze lening raakte hij in verzuim, zodat wettelijke rente verviel. Als aflossing op deze rente mocht de schuldeiser vruchten van het onderpand innen.7
Dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had, blijkt voorts uit D. 36,4,5,21 (Ulpianus).8 In deze tekst maakte Ulpianus melding van een precedent van verpande zaken, op grond waarvan de vruchten van het onderpand in mindering kwamen op de gesecureerde vordering. Hij paste dit precedent toe op een situatie waarin partijen niets over een gebruiksbevoegdheid of de functie van pandgebruik hadden afgesproken. Het precedent van verpande zaken uit D. 36,4,5,21 was dus een regel van aanvullend recht.
Ten slotte vindt de stelling dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had steun in het volgende. Van alle teksten die geen beding van pandgebruik vermeldden, en dus mogelijk gaan over een stilzwijgend recht van pandgebruik, gaven tien teksten weer wat de status is van de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker had verkregen. In al deze tien teksten gold de gebruiksopbrengst als aflossing op de gesecureerde vordering; in geen enkele tekst was de gebruiksopbrengst een rentevergoeding.9 Uit het Corpus Iuris Civilis blijkt dus consequent dat een stilzwijgend recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Het was een regel van aanvullend recht dat de gebruiksopbrengst van het onderpand in mindering kwam op de gesecureerde vordering. Als partijen de gebruiksopbrengst in de plaats wilden laten komen van een rentevergoeding – zij beoogden dan een rentepandgebruik – moesten zij dit uitdrukkelijk overeenkomen.