De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.2.1:7.2.1 Het disclosure statement in het onteigeningsrecht
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.2.1
7.2.1 Het disclosure statement in het onteigeningsrecht
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701996:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De voorhangprocedure is een van de initiatieven die is voortgekomen uit een overleg tussen de expertgroep Grondzaken – het overlegorgaan van de Onteigeningskamers van de rechtbanken – met VvOR en VOA. Andere initiatieven die uit dit overleg zijn voortgekomen zijn het subdeskundigenprotocol (voor de benoeming van subdeskundigen) en de bijzondere toelatingseisen zoals die gelden voor onteigeningsdeskundigen in het LRGD.
Zie ook over deze voorhangprocedure ook: Sluysmans, O&A 2015/89, p. 177; Schuite, EeR 2020/6, p. 220.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het onteigeningsrecht maken disclosure statements geen verplicht onderdeel uit van de benoeming van deskundigen. De deskundigen kunnen uiteraard op eigen initiatief een disclosure statement overleggen, maar in de praktijk gebeurt dat niet of nauwelijks.
Een mogelijke reden daarvoor is dat het onteigeningsrecht een relatief klein rechtsgebied is. De mensen die zich met het onteigeningsrecht bezighouden, komen elkaar in de praktijk regelmatig tegen. Op basis van ervaring is mijn indruk bovendien dat het onteigeningsrecht over het algemeen gepraktiseerd wordt door ‘bevlogen’ mensen. Zij die zich in het hart van het onteigeningsrecht bevinden zoeken elkaar regelmatig op – ook buiten de dagelijkse praktijk – om van gedachten te wisselen over het rechtsgebied en aanverwante rechtsgebieden. Zulks vertaalt zich in twee actieve (beroeps)verenigingen – de VOA en de VvOR– die meerdere keren per jaar een symposium, excursie of andere activiteit organiseren. Die activiteiten worden doorgaans druk bezocht.
Anders dan voorheen (§ 3.3.3) werken de rechtbanken thans niet meer uitsluitend met vaste commissies van deskundigen. Desalniettemin is de groep deskundigen waaruit de rechtbanken kunnen putten, nog steeds beperkt. Gelet op het actieve, maar kleine rechtsgebied dat het onteigeningsrecht is, zijn onteigeningsadvocaten doorgaans goed in staat hun cliënt in te lichten over de deskundige(n) die de rechter voornemens is te benoemen.
De wetenschap van welke deskundigen de rechtbank voornemens is te benoemen, wordt sinds enkele jaren geboden via de ‘buitenwettelijke voorhangprocedure’.1 Partijen krijgen van de griffier van de rechtbank een e-mail met daarin de namen van de beoogde deskundigen. Partijen kunnen vervolgens gedurende in beginsel een week gemotiveerde bezwaren uiten tegen de voorgestane benoeming. De rechtbank beslist met inachtneming van dat bezwaar. Deskundigen worden dus als het ware een tijdje aan partijen ‘voorgehangen’, zowel individueel als collectief. De voorhangprocedure verhoogt de transparantie en zorgt ervoor dat partijen meer inspraak hebben in de benoeming van deskundigen.2 Bovendien kunnen potentiële gebreken reeds in een vroeg stadium kenbaar worden gemaakt waardoor de procedure – eens die op stoom is – geen vertraging meer oploopt.
Een disclosure statement, zoals weergegeven in § 6.2.5, zou goed ingepast kunnen worden in de voorhangprocedure. Naar mijn mening zou het disclosure statement ook een waardevolle toevoeging zijn voor de benoemingsprocedure van deskundigen in het onteigeningsrecht. Het noodzakelijke inzicht in de persoon van de deskundige en diens kwaliteit is dan objectief controleerbaar voor alle procespartijen en niet langer afhankelijk van de persoonlijke bekendheid van (advocaten van) partijen met de deskundigen. Bovendien zal een dergelijke persoonlijke bekendheid in de praktijk toch dikwijls niet zo ver strekken dat ook inzicht kan worden gegeven in eerdere relaties tot bijvoorbeeld de onteigenaar of relevante nevenfuncties, terwijl dit inzicht wel noodzakelijk is. Meer fundamenteel kan wel de vraag worden gesteld of het wenselijk is dat partijen voor disclosure afhankelijk zijn van hun advocaten. Persoonlijke relaties met deskundigen kunnen een adequate disclosure namelijk ook belemmeren.
Gelet op het voorgaande ben ik voorstander van een disclosure statement als vast onderdeel van de voorhangprocedure. Een dergelijk statement zal de procedure niet vertragen, omdat de procesfase waarbinnen het statement wordt uitgebracht – de voorhangprocedure – reeds gecreeerd en in werking is. Bovendien vergt een disclosure statement van niemand een wezenlijk offer. In tegendeel, op goedkope, eenvoudige en snelle wijze wordt de transparantie rondom de inzet van deskundigen vergroot (zie ook uitgebreid § 6.2).